Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep van de vrouw tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam over de hoogte van de kinderalimentatie. De vrouw vorderde een hogere bijdrage van de man, gebaseerd op een hoger inkomen en vermogen. De man voerde verweer en stelde dat zijn inkomen op bijstandsniveau ligt en dat hij geen vermogen heeft om op in te teren.
Het hof nam de feiten over zoals vastgesteld door de rechtbank en beoordeelde de grieven van de vrouw. De stelling van zwarte inkomsten werd onvoldoende onderbouwd geacht. Ook werd vastgesteld dat de man geen vermogen bezit waarop hij kan interen, mede gelet op zijn belastingaangiften 2022 en 2023.
Het hof ging uit van het huidige inkomen van de man, inclusief een prognose voor 2024, en concludeerde dat dit op bijstandsniveau ligt. Een fictief inkomen uit loondienst werd niet aanvaard vanwege de huurovereenkomst en voortzetting van zijn onderneming.
Daarom werd de draagkracht vastgesteld op het minimumbedrag van € 50 per maand per kind. De bestreden beschikking werd bekrachtigd en het hoger beroep van de vrouw afgewezen.