ECLI:NL:GHDHA:2024:2026
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek grootmoeder tot omgangsregeling met kleinzoon wegens strijd met belangen minderjarige
De grootmoeder vaderszijde heeft bij de rechtbank en in hoger beroep verzocht om een omgangsregeling met haar kleinzoon zolang de vader in detentie zit. De vader en moeder oefenden gezamenlijk gezag uit over de minderjarige, die bij de moeder woont. De vader zit sinds 2022 in detentie in Slowakije, waardoor zijn gezag tijdelijk is geschorst en de moeder het gezag alleen uitoefent.
Het hof oordeelt dat de grootmoeder ontvankelijk is in haar verzoek omdat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen haar en de minderjarige, mede ondersteund door getuigenverklaringen. Desondanks wijst het hof het verzoek af. De moeder voert aan dat de omgang niet in het belang van het kind is vanwege de verstoorde relatie tussen haar en de grootmoeder en de onrust die de detentie van de vader veroorzaakt.
Het hof bevestigt dat de moeder als gezagdragende ouder verantwoordelijk is voor het informeren van de minderjarige over de detentie van de vader. Gezien het wantrouwen en de verstoorde verhouding tussen de grootmoeder en moeder, acht het hof een omgangsregeling op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. De bestreden beschikking van de rechtbank wordt dan ook bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek van de grootmoeder tot het vaststellen van een omgangsregeling met de minderjarige wordt afgewezen en de bestreden beschikking bekrachtigd.