Partijen zijn sinds 2013 feitelijk gescheiden en hebben in eerste aanleg een echtscheiding uitgesproken gekregen waarbij de man partneralimentatie aan de vrouw moest betalen. De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de hoogte van de partneralimentatie en de afwijzing van zijn verzoek tot terugbetaling van autokosten. Tijdens de procedure is overeengekomen dat de voorlopige partneralimentatie tot en met 2023 blijft gelden.
Het geschil richt zich op de partneralimentatie vanaf 2024 en de draagkracht van de man, die zijn eenmanszaak heeft ingebracht in een besloten vennootschap en de schoorsteenveegactiviteiten heeft verkocht zonder instemming van de vrouw. De man stelt dat de onderneming in 2024 verlieslijdend is en daarom een lager salaris kan uitkeren, terwijl het hof oordeelt dat de daling van de winst niet deugdelijk is verklaard en niet ten nadele van de vrouw mag zijn.
Het hof berekent de huwelijkse behoefte van de vrouw op € 7.148,- netto per maand in 2024 en stelt haar aanvullende behoefte vast op € 10.179,- bruto per maand. De draagkracht van de man wordt vastgesteld op € 8.994,- per maand, gebaseerd op een bruto salaris van € 20.000,- per maand plus AOW. Het hof bepaalt dat de man € 8.603,- bruto per maand aan partneralimentatie moet betalen vanaf 1 januari 2024, wijst het verzoek tot uitsluiting van indexering af en verklaart de incidentele verzoeken niet-ontvankelijk.