Belanghebbende is eigenaar van een eindwoning uit 1926 met een bruto gebruiksoppervlakte van 142 m² en een perceel van 95 m². De woning stond eind 2021 tot begin 2022 te koop voor €625.000 en daarna voor €595.000, maar werd niet verkocht. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2021 vast op €627.000, verlaagd tot €595.000 na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was, mede op basis van een matrix met vergelijkingsobjecten. Belanghebbende stelde dat de waarde te hoog was en dat onvoldoende rekening was gehouden met de kwaliteit en ligging, en vorderde een waarde van €532.000.
Het hof stelde vast dat de heffingsambtenaar onvoldoende rekening had gehouden met de kwaliteit van een vergelijkingsobject, waarvoor een hogere kwaliteitsfactor van 3 (gemiddeld) passend was in plaats van 2 (benedengemiddeld). Hierdoor was de waarde van €595.000 te hoog. Belanghebbende maakte niet aannemelijk dat zijn lagere waarde correct was. Het hof stelde de waarde in goede justitie vast op €585.000, vernietigde de eerdere uitspraken, en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten en griffierechten.