ECLI:NL:GHDHA:2024:2104
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging WOZ-beschikking en afwijzing vergoeding immateriële schade
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikking en aanslag OZB voor 2021, waarbij de waarde van een onroerende zaak was vastgesteld op €288.000. De heffingsambtenaar vernietigde de beschikking en aanslag bij uitspraak op bezwaar, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het hof oordeelde dat de immateriële schadevergoeding alleen toekomt voor de periode waarin het geschil over de belastingheffing loopt, die eindigde bij de uitspraak op bezwaar waarin de beschikking en aanslag werden vernietigd. De periode tot die uitspraak bedroeg negen maanden, binnen de redelijke termijn van twee jaar. De rechtbank had het verzoek om vergoeding van immateriële schade dan ook terecht afgewezen.
Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank, wees het verzoek om vergoeding van immateriële schade af en zag geen aanleiding om de heffingsambtenaar in de proceskosten te veroordelen. Er vond geen mondelinge behandeling plaats en partijen konden binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de vernietiging van de WOZ-beschikking en wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.