ECLI:NL:GHDHA:2024:215
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van dwang bij anale verkrachting
In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens anale verkrachting van aangeefster op 22 oktober 2019 in 's-Gravenhage. De verdachte en aangeefster kenden elkaar via een datingplatform en hadden meerdere keren consensuele seks. Op de dag van het incident hadden zij seks na een ontmoeting bij de sportschool. Aangeefster stelde dat zij tegen haar wil anaal was gepenetreerd onder dwang, terwijl verdachte dit ontkende en stelde dat de seks consensueel was.
Het hof heeft de verklaringen van aangeefster en verdachte beoordeeld, waarbij het hof constateerde dat de verklaringen van aangeefster op enkele punten inconsistent waren, maar niet onbetrouwbaar. Volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro is echter meer dan één getuigenverklaring nodig om tot een bewezenverklaring te komen. De vraag was of er voldoende steunbewijs was voor de dwang, gelet op WhatsApp-berichten en getuigenverklaringen over emoties van verdachte.
Het hof oordeelde dat de emotionele uitingen niet eenduidig gerelateerd konden worden aan de vermeende dwang en dat uit de WhatsApp-berichten geen dwang kon worden afgeleid. Hierdoor was het bewijs onvoldoende om de tenlastelegging te bewijzen. De verdachte werd daarom vrijgesproken. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, aangezien verdachte werd vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van dwang bij anale verkrachting.