Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2024:215

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 februari 2024
Publicatiedatum
14 februari 2024
Zaaknummer
22-001138-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van dwang bij anale verkrachting

In deze strafzaak stond verdachte terecht wegens anale verkrachting van aangeefster op 22 oktober 2019 in 's-Gravenhage. De verdachte en aangeefster kenden elkaar via een datingplatform en hadden meerdere keren consensuele seks. Op de dag van het incident hadden zij seks na een ontmoeting bij de sportschool. Aangeefster stelde dat zij tegen haar wil anaal was gepenetreerd onder dwang, terwijl verdachte dit ontkende en stelde dat de seks consensueel was.

Het hof heeft de verklaringen van aangeefster en verdachte beoordeeld, waarbij het hof constateerde dat de verklaringen van aangeefster op enkele punten inconsistent waren, maar niet onbetrouwbaar. Volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro is echter meer dan één getuigenverklaring nodig om tot een bewezenverklaring te komen. De vraag was of er voldoende steunbewijs was voor de dwang, gelet op WhatsApp-berichten en getuigenverklaringen over emoties van verdachte.

Het hof oordeelde dat de emotionele uitingen niet eenduidig gerelateerd konden worden aan de vermeende dwang en dat uit de WhatsApp-berichten geen dwang kon worden afgeleid. Hierdoor was het bewijs onvoldoende om de tenlastelegging te bewijzen. De verdachte werd daarom vrijgesproken. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, aangezien verdachte werd vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van dwang bij anale verkrachting.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001138-23
Parketnummer: 09-221483-21
Datum uitspraak: 14 februari 2024
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 april 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
adres: [woonadres] [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 oktober 2019 te 's-Gravenhage, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] te weten
- het brengen van zijn penis in de anus van die [slachtoffer],
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
- die [slachtoffer] heeft omgedraaid en voorover op tafel heeft gegooid en/of geduwd en/of
- ( vervolgens) de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken
en/of waarbij verdachte steeds voorbij is gegaan aan signalen van verbaal en/of fysiek verzet door die [slachtoffer].
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met de beslissing van de rechtbank, maar zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen omdat het hof tot een gedeeltelijk andere motivering van de vrijspraak komt.
Vrijspraak
Op grond van de verklaringen van aangeefster en de verdachte stelt het hof het volgende vast. De verdachte en aangeefster kennen elkaar via het datingplatform Badoo. Zij hebben in een periode van een paar maanden een aantal keren met elkaar afgesproken, waarbij zij seks hadden met elkaar, hetgeen voor beiden ook meestal het doel van de afspraak was. Op 22 oktober 2019 hadden aangeefster en de verdachte weer contact met elkaar via Whatsapp. De verdachte heeft met aangeefster afgesproken dat hij haar op zou halen bij haar huis. Zij zijn naar de sportschool van de verdachte gegaan en hebben daar seks gehad. Nadat de verdachte en aangeefster seks hadden gehad is aangeefster weggegaan. De verdachte heeft haar daarna geappt om te vragen waar zij was. Vervolgens heeft de verdachte aangeefster opgehaald bij een tankstation en heeft hij haar naar het huis van haar ouders gebracht, waar zij die avond zou slapen.
Aangeefster heeft verklaard dat er sprake is geweest van
fysieke dwang doordat zij door de verdachte is omgedraaid, deels uitgekleed is en op tafel is gegooid/geduwd, waarna zij tegen haar zin anaal gepenetreerd is. Volgens aangeefster heeft zij tegen de verdachte gezegd dat ze dit niet wilde en heeft zij aangegeven dat het pijn deed.
De verdachte heeft verklaard dat aangeefster die avond seks wilde. Hij heeft betwist dat er sprake is geweest van dwang. Aangeefster heeft volgens de verdachte geen verzet geboden, heeft geen “nee” gezegd en ook anderszins was het voor hem niet kenbaar dat aangeefster niet wilde. De verdachte heeft voorts verklaard aangeefster niet bewust anaal te hebben gepenetreerd.
Het hof oordeelt als volgt.
Volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv Pro de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Met de raadsvrouw stelt het hof vast dat aangeefster niet op alle punten consistent heeft verklaard. Naar het oordeel van het hof maakt dat de verklaringen van aangeefster op zichzelf genomen echter niet onbetrouwbaar. De verklaring van aangeefster is daarmee in beginsel (op onderdelen) bruikbaar voor het bewijs. Om te komen tot een bewezenverklaring dient deze verklaring wel te worden aangevuld met voldoende steunbewijs. Nu ook door de verdachte zelf is erkend dat het niet anders kan dan dat er anale seks heeft plaatsgevonden, spitst de vraag of er sprake is van voldoende steunbewijs zich toe op de dwang (tenlastegelegd als “geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)”). Het bewijsmateriaal waarin mogelijk steun zou kunnen worden gevonden voor de verklaring van aangeefster dat er van dwang sprake is geweest wordt gevormd door Whatsapp-berichten, gewisseld tussen de verdachte en aangeefster, en door getuigenverklaringen. De getuigenverklaringen beschrijven weliswaar de geëmotioneerdheid van de verdachte, maar bij het hof bestaan te veel twijfels over de vraag of die emoties rechtstreeks in verband stonden met de door aangeefster niet gewilde seks dan wel met de boodschap van de verdachte dat hij geen vaste relatie met haar wilde. Ook uit de Whatsapp-berichten kan niet zonder meer dwang worden afgeleid. Anders dan de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat er geen steunbewijs is dat, opgeteld bij de verklaring van aangeefster, voldoende is voor een bewezenverklaring, in het bijzonder van de tenlastegelegde dwang.
Naar het oordeel van het hof is, kortom, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 5.000,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 5.000,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op de verhouding tussen de verdachte en de benadeelde partij en de overige omstandigheden in deze zaak zal het hof bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen kosten dragen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk,
mr. M. Koole en mr. G.C. Haverkate,
in bijzijn van de griffier mr. T.A. van den Berg.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 februari 2024.
Mr. M. Koole is buiten staat dit arrest te ondertekenen.