ECLI:NL:GHDHA:2024:2239
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vordering erfdeel na ouderlijke boedelverdeling niet vastgesteld wegens ontbreken boedelbeschrijving
Appellante is kind van erflater uit een eerder huwelijk en heeft een vordering op de nalatenschap van erflaatster, die executeur was en weduwe van erflater. Door ouderlijke boedelverdeling werd de nalatenschap aan erflaatster toegedeeld en kregen de kinderen een niet-opeisbare vordering. Na het overlijden van erflaatster werd de vordering opeisbaar.
Appellante vordert vaststelling en betaling van haar erfdeel, maar de rechtbank wees haar vorderingen af. In hoger beroep stelt zij dat het verzuim van erflaatster als executeur om een boedelbeschrijving op te maken niet voor haar rekening mag komen, maar voor die van de erfgenamen van erflaatster.
Het hof oordeelt dat de taak van de executeur eindigt bij overlijden en niet overgaat op haar erfgenamen. Appellante heeft nagelaten de vaststelling van haar vordering te vorderen binnen de wettelijke termijn. Concrete gegevens over de nalatenschap ontbreken en de door appellante aangevoerde bewijsstukken zijn onvoldoende. Daarom kan de vordering niet worden vastgesteld en wijst het hof het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat de vordering van appellante niet kan worden vastgesteld wegens ontbreken van concrete gegevens.