ECLI:NL:GHDHA:2024:2533
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verjaring van opgelegde dwangsommen in nalatenschapsgeschil
In deze civiele zaak in hoger beroep gaat het om de vraag of de door geïntimeerde en zijn broer verbeurde dwangsommen zijn verjaard. Appellante betwist dit en stelt dat de verjaring is gestuit door het executoriaal beslag en dat een beroep op verjaring in strijd is met redelijkheid en billijkheid vanwege de langdurige en complexe procedure.
De voorzieningenrechter had geoordeeld dat de dwangsommen zijn verjaard en dat het executoriaal beslag de verjaring niet heeft gestuit. Het hof neemt deze overwegingen over en licht toe dat de korte verjaringstermijn van zes maanden voor dwangsommen volgens art. 611g Rv geldt vanaf het moment van verbeuren. De lange verjaringstermijn van twintig jaar voor de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken is niet van toepassing op de dwangsommen.
Het hof benadrukt dat executoriaal beslag niet gelijkgesteld kan worden met een stuitingshandeling zoals bedoeld in het BW en dat alleen een schriftelijke aanmaning of mededeling de verjaring kan stuiten. De omstandigheden van de complexe nalatenschapsafwikkeling en de langdurige procedure rechtvaardigen geen uitzondering op de korte verjaringstermijn. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de dwangsommen zijn verjaard en wijst het hoger beroep af met kostencompensatie.