ECLI:NL:GHDHA:2024:2548
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken van opzet bij bezit van oxycodon
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid van een materiaal bevattende oxycodon, een middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet. De rechtbank Rotterdam veroordeelde de verdachte tot een taakstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.
Het gerechtshof Den Haag heeft het hoger beroep behandeld en de vordering van de advocaat-generaal tot bevestiging van de straf afgewezen. Het hof oordeelde dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het aanwezig hebben van het middel. Hierdoor kon het vonnis van de politierechter niet in stand blijven.
Het hof vernietigde het vonnis en sprak de verdachte vrij. De uitspraak benadrukt het belang van het bewijs van opzet bij strafrechtelijke vervolging voor bezit van verdovende middelen. De zaak toont de zorgvuldigheid van het hof in het toetsen van bewijs en het waarborgen van de rechtsbescherming van de verdachte.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van opzet bij het bezit van oxycodon.