In deze strafzaak heeft het gerechtshof Den Haag op 5 december 2024 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2021. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van enkele tenlasteleggingen en veroordeeld tot een taakstraf voor andere feiten. Het openbaar ministerie stelde het hoger beroep deels in, maar trok dit later terug. De verdachte beperkte haar hoger beroep tot een deel van de veroordeling en de vordering van de benadeelde partij.
Tijdens de terechtzitting stelde het hof vast dat de verdachte partieel niet-ontvankelijk moest worden verklaard in haar hoger beroep voor bepaalde deelvrijspraken, omdat deze als gevoegde zaken worden beschouwd. Tevens stelde het hof ambtshalve de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan de orde voor een tenlastelegging die betrekking heeft op het onder de aandacht brengen van een school, gekwalificeerd als laster of smaad. Gezien de pleegdatum in 2012 en de wettelijke verjaringstermijnen oordeelde het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van dit feit.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het ging om de bewezenverklaring van het lasterfeit en deed in zoverre opnieuw recht door het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. De overige beslissingen, waaronder de vrijspraak voor de resterende tenlasteleggingen en de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in diens vordering, zijn neergelegd in een eindarrest dat later is uitgesproken.