In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam is verdachte, werkzaam bij een containerbedrijf, verdacht van niet-ambtelijke omkoping door het aannemen van contante geldbedragen in ruil voor informatie. De rechtbank sprak verdachte vrij van het eerste tenlastegelegde feit en veroordeelde hem voor het tweede.
Het hof oordeelt dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte daadwerkelijk contante betalingen heeft ontvangen. De beschikbare tapgesprekken betreffen medeverdachten en niet de verdachte zelf, en bieden onvoldoende steun voor het aannemen van een betaling. Ook de contacten van verdachte met medeverdachten die betrokken waren bij de invoer van cocaïne leveren geen bewijs op van betaling.
Daarom vernietigt het hof het vonnis voor zover het de veroordeling betreft en spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde. Tevens wordt de in beslag genomen Samsung-telefoon aan verdachte teruggegeven. Het hof verklaart verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep voor het eerste tenlastegelegde feit, omdat hoger beroep tegen die vrijspraak niet openstaat.