Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2024:411

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 maart 2024
Publicatiedatum
20 maart 2024
Zaaknummer
2200192323
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 249 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak ontucht met minderjarige wegens ontbreken gezagsverhouding op tenlastegelegde datum

In hoger beroep is de verdachte vrijgesproken van ontucht met een minderjarige, omdat het hof niet bewezen achtte dat de aangeefster op 6 juli 2018, de datum van het tenlastegelegde feit, nog aan de opleiding van de verdachte was toevertrouwd. De verdachte was gymdocent en had contact met de aangeefster, maar zij was toen al geslaagd en formeel uitgeschreven van de school.

De verdediging voerde aan dat er geen formele gezagsverhouding meer bestond omdat de aangeefster geen leerling meer was. De advocaat-generaal betoogde dat de gezagsverhouding nog bestond of voortduurde na formele uitschrijving, maar het hof volgde dit niet. Het hof benadrukte dat artikel 249 lid 1 Sr Pro een bijzondere bescherming biedt aan minderjarigen tegen misbruik van een feitelijke overwichtssituatie, maar dat die situatie hier ontbrak.

Het hof oordeelde dat de relatie tussen verdachte en aangeefster, ontstaan toen zij nog leerling was, geen aanwijzing gaf voor een gezagsverhouding op de datum van het feit. Daarom was het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, nu de verdachte werd vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van ontucht met minderjarige wegens ontbreken van gezagsverhouding op het moment van het tenlastegelegde feit.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001923-23
Parketnummer: 09-199553-21
Datum uitspraak: 21 maart 2024
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
BRP-adres: [adres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Tevens is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij - als docent en/of leerlingbegeleider en/of vertrouwenspersoon, werkzaam op [middelbare school] te [plaats] - op of omstreeks 6 juli 2018 te Hoogmade en/of te Woubrugge, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg, opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige leerlinge [aangeefster], geboren op [geboortedatum aangeefster], immers heeft hij, verdachte, (in een auto)
- die [aangeefster] ge(tong)zoend en/of
- die [aangeefster] aan de/het be(e)n(en) en/of de borst(en), althans het lichaam, aangeraakt/betast en/of
- die [aangeefster] aan de vagina en/of tussen de schaamlippen aangeraakt/betast en/of
- zich door die [aangeefster] laten aftrekken.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
De raadsman heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hij heeft hiertoe – verkort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat er geen sprake was van een formele gezagsverhouding tussen de aangeefster en zijn cliënt nu de aangeefster ten tijde van de gedragingen als genoemd in de tenlastelegging geen leerling meer was van [middelbare school].
De advocaat-generaal heeft zich met betrekking tot dat verweer – zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de door de wet beschermde gezagsverhouding als bedoeld in de tenlastelegging nog bestond ten tijde van het tenlastegelegde feit althans dat deze gezagsverhouding nog doorliep na de formele beëindiging daarvan.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De strekking van artikel 249 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is minderjarigen te beschermen tegen ontuchtige initiatieven van hen die misbruik maken van een uit een feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht, waardoor de minderjarige aan die dader minder weerstand kan bieden dan aan anderen. Artikel 249 lid 1 Sr Pro is daarmee een bijzonder artikel in de zedentitel van het Wetboek van Strafrecht, omdat dit artikel voor wat betreft personen van boven de 16 maar onder de 18 jaar het seksuele zelfbeschikkingsrecht doorkruist. In beginsel mogen personen vanaf 16 jaar zelf bepalen met wie en wanneer zij seks hebben en staat keuzevrijheid voorop. In artikel 249 lid 1 Sr Pro is op die hoofdregel een uitzondering gemaakt voor de gevallen dat de hoedanigheid van de dader ‘telkens een min of meer grote mate van afhankelijkheid meebrengt, en dat de dader daaraan een zeker overwicht tegenover de minderjarige kan ontlenen.’
Het hof dient in de eerste plaats te beoordelen of de aangeefster aan de opleiding van verdachte was toevertrouwd. Bij bevestigende beantwoording dient vervolgens beoordeeld te worden of sprake was van een min of meer grote mate van afhankelijkheid van de aangeefster ten opzichte van de verdachte waardoor de aangeefster minder weerstand aan de verdachte heeft kunnen bieden dan aan anderen in een vergelijkbare situatie.
De verdachte was gymdocent op de school waar de aangeefster haar havo-opleiding volgde. Hij is nooit de leraar van de aangeefster geweest. Toen de aangeefster in haar eindexamenjaar zat is er contact ontstaan tussen beiden. Dit contact heeft hoofdzakelijk bestaan uit veelvuldig WhatsApp contact, vanaf april 2018 was dit volgens de aangeefster dagelijks, hetgeen bevestigd wordt door het zich in het dossier bevindende berichtenverkeer. Aangeefster heeft eindexamen gedaan. Op 13 juni 2018 heeft zij vernomen dat zij was geslaagd voor haar havodiploma.
Op 6 juli 2018 is de aangeefster naar school gekomen om haar boeken in te leveren. Zij heeft die dag contact gezocht met de verdachte. De verdachte heeft vervolgens aangeboden de aangeefster met zijn auto naar huis te brengen. Onderweg hebben de in de tenlastelegging beschreven seksuele handelingen plaatsgevonden in de auto van de verdachte.
De stelling van de raadsman is dat aangeefster uiterlijk op 20 juni 2018 was uitgeschreven van de school waar zij haar examen heeft gedaan, en dat er dus vanaf 20 juni 2018 geen sprake meer van was dat de aangeefster aan de opleiding van de verdachte was toevertrouwd. Ter onderbouwing van dit standpunten heeft hij bij zijn pleitaantekeningen een stroomschema van BRON (op grond van de Wet Register Onderwijsdeelnemers zijn in BRON het verzuim-, vrijstellingen- en diplomaregister gebundeld) toegevoegd. Het hof volgt de raadsman in dit standpunt. Daarmee is naar het oordeel van het hof niet bewezen dat de aangeefster op 6 juli 2018 aan de opleiding van de verdachte was toevertrouwd en derhalve dat geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 249 lid 1 Sr Pro zodat vrijspraak dient te volgen.
De omstandigheid dat in het voorjaar van 2018, toen aangeefster nog wel als leerling was ingeschreven, een relatie is ontstaan tussen de verdachte en de aangeefster maakt dit oordeel niet anders. Het hof overweegt daartoe dat er geen enkele aanwijzing is dat deze relatie door een uit de feitelijke verhoudingen als leraar op de school voortvloeiend overwicht is afgedwongen, noch dat de aangeefster als gevolg van dit overwicht daar geen weerstand tegen kon bieden. Bovendien hebben zich binnen die relatie geen gedragingen voorgedaan die door artikel 249 lid 1 Sr Pro worden beschermd.
Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Vordering tot schadevergoeding [aangeefster]
In het onderhavige strafproces heeft [aangeefster] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.250,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Nu de verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.D. de Jong, mr. J. Candido en mr. O.M. Harms, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. Peusken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 maart 2024.