ECLI:NL:GHDHA:2024:411
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak ontucht met minderjarige wegens ontbreken gezagsverhouding op tenlastegelegde datum
In hoger beroep is de verdachte vrijgesproken van ontucht met een minderjarige, omdat het hof niet bewezen achtte dat de aangeefster op 6 juli 2018, de datum van het tenlastegelegde feit, nog aan de opleiding van de verdachte was toevertrouwd. De verdachte was gymdocent en had contact met de aangeefster, maar zij was toen al geslaagd en formeel uitgeschreven van de school.
De verdediging voerde aan dat er geen formele gezagsverhouding meer bestond omdat de aangeefster geen leerling meer was. De advocaat-generaal betoogde dat de gezagsverhouding nog bestond of voortduurde na formele uitschrijving, maar het hof volgde dit niet. Het hof benadrukte dat artikel 249 lid 1 Sr Pro een bijzondere bescherming biedt aan minderjarigen tegen misbruik van een feitelijke overwichtssituatie, maar dat die situatie hier ontbrak.
Het hof oordeelde dat de relatie tussen verdachte en aangeefster, ontstaan toen zij nog leerling was, geen aanwijzing gaf voor een gezagsverhouding op de datum van het feit. Daarom was het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, nu de verdachte werd vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van ontucht met minderjarige wegens ontbreken van gezagsverhouding op het moment van het tenlastegelegde feit.