Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep in een echtscheidingszaak waarbij het huwelijksvermogensregime onder Servisch recht valt. Het hof corrigeerde een eerdere fout over rechtsmacht en bevestigde dat het Nederlandse hof bevoegd is over de verdeling van het huwelijksvermogen en de echtelijke woning te oordelen. De woning is gezamenlijk gekocht en gefinancierd met een hypothecaire lening waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn.
De man stelde dat hij recht had op de volledige overwaarde van de woning vanwege zijn financiële lasten en huishoudelijke inzet, gebaseerd op artikelen 175 en 180 van de Servische Family Act. Het hof oordeelde dat de man onvoldoende bewijs leverde om het vermoeden van gelijke eigendomsverdeling te weerleggen, maar erkende dat hij recht heeft op de waardestijging na het beëindigen van de samenleving in 2017. De lening van €11.000,- bij de bank werd volledig aan de man toegerekend omdat hij geen bewijs leverde van mede-aansprakelijkheid van de vrouw.
De man verzocht tevens om vergoeding van huishoudkosten, maar het hof volgde de rechtbank dat dit verzoek op grond van Servisch recht niet toewijsbaar is. De door de rechtbank opgelegde gebruiksvergoeding door de vrouw aan de man werd vernietigd omdat het Servische recht wederzijdse ondersteuning voorschrijft en de vrouw geen partneralimentatie vroeg terwijl zij behoefte had aan een bijdrage.
Ten aanzien van partneralimentatie bevestigde het hof de Nederlandse rechtsmacht en paste het nieuwe forfaitaire systeem toe. De vrouw had een netto behoefte van €3.330,- per maand en een hogere verdiencapaciteit dan opgegeven. De man had draagkracht voor €1.023,-, maar de alimentatie werd begrensd tot €307,- netto per maand, de aanvullende behoefte van de vrouw. Het hof vernietigde eerdere beslissingen waar nodig en stelde de alimentatie en woningverdeling opnieuw vast, waarbij ook de voorwaarden voor toedeling of verkoop van de woning werden geregeld.