Deze zaak betreft een verzoek van de vader tot teruggeleiding van zijn minderjarige kind vanuit Nederland naar Moldavië, gebaseerd op het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De rechtbank Den Haag wees dit verzoek af en het hof bevestigt deze beslissing in hoger beroep.
Het geschil draait om de vraag of sprake is van een ongeoorloofde overbrenging van het kind door de moeder naar Nederland, waarbij het hof de gezagssituatie volgens Moldavisch recht als uitgangspunt neemt. Het hof oordeelt dat de woonplaats van het kind ten tijde van vertrek bij de moeder was en dat de moeder geen toestemming van de vader nodig had voor het tijdelijke verblijf in Nederland voor studiedoeleinden.
De vader stelde diverse grieven aan het hof voor, waaronder dat de moeder niet aan contactverplichtingen voldeed en dat de verblijfsduur in Nederland beperkt zou zijn, maar deze werden verworpen. Het hof concludeert dat de overbrenging niet in strijd is met het gezagsrecht van de vader en dat het verzoek tot teruggeleiding terecht is afgewezen. Tevens werd een subsidiair verzoek tot voorlopige verblijfplaats bij de vader afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.