Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2024:958

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2024
Publicatiedatum
17 juni 2024
Zaaknummer
22-001478-22
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep drugshandel en deelname criminele organisatie met procesafspraken

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor het medeplegen van drugshandel en deelname aan een criminele organisatie gericht op het plegen van misdrijven met cocaïne en hasj. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, en vrijgesproken van een deel van de tenlasteleggingen. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk voor zover het hoger beroep was gericht tegen de vrijspraak.

Tijdens de procedure in hoger beroep zijn procesafspraken gemaakt tussen de verdediging en het openbaar ministerie, waarbij de verdachte vrijwillig afstand deed van bepaalde verdedigingsrechten. Het hof achtte deze afspraken rechtsgeldig en paste deze toe bij de strafoplegging. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 7 maanden, een straf die binnen de afgesproken bandbreedte viel.

Het hof motiveerde de straf op basis van de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van het drugscircuit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die niet eerder onherroepelijk was veroordeeld. De opgelegde straf wordt volledig ten uitvoer gelegd binnen de penitentiaire inrichting, met aftrek van voorarrest. Het vonnis werd voor het overige bevestigd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 4 jaar en 7 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, overige vonnis bevestigd.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001478-22
Parketnummers: 09-767281-20, 09-767111-21 (GEV) en 09-765047-20 (GEV)
Datum uitspraak: 18 juni 2024
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 mei 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[medeverdachte 1],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum],
thans gedetineerd te P.I. [naam] te [plaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het bij parketnummer 09-767111-21 onder 1 en 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het bij parketnummer 09-767281-20 onder 1, 2 en 3, parketnummer 09-765047-20 onder 1 en 2 en parketnummer 09-767111-21 onder 2 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is het verzoek tot opheffing, subsidiair schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem bij parketnummer 09-767111-21 onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep – ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 09-767281-20:
1.
hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2018 tot en met 23 juni 2020, te Bodegraven en/of te Woerden en/of te Bergambacht en/of te Waddinxveen, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten in elk geval [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 2], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 lid 3 en Pro/of lid 4 en/of lid 5 en/of artikel 11 lid 2 en Pro/of lid 3 en/of lid 4 en/of lid 5 van de Opiumwet en/of art. 10a van de Opiumwet;
2.
hij, op of omstreeks 24 juni 2020, te Bergambacht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) 45 kilo cocaïne, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan we aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij, op of omstreeks 24 juni 2020, te Bergambacht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) 98,5 kilo hasj en/of 6,4 kilo hennep, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende hasj en/of hennep, zijnde hasj en/of hennep een middel bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan we aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Zaak met parketnummer 09-767111-21 (gevoegd):
2.
hij in de periode van 26 maart 2020 tot en met 29 maart 2020 te Rotterdam en/of Bodegraven en/of Someren tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1169 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Zaak met parketnummer 09-765047-20 (gevoegd):
1.
hij, op één of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 17 juni 2020 tot en met 23 juni
2020, te Bodegraven en/of te Woerden en/of te Bergambacht en/of te Waddinxveen, althans in
Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk buiten
het grondgebied van Nederland heeft gebracht althans voorhanden heeft gehad 19,96 kilo cocaïne,
althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne; zijnde cocaïne een middel
bedoeld als in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij, op één of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 17 juni 2020 tot en met 23 juni 2020, te Bodegraven en/of te Woerden en/of te Bergambacht en/of te Waddinxveen, althans in Nederland en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht althans voorhanden heeft gehad 188 kilo hasj, althans een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende hasj, zijnde hasj een middel bedoeld als in de
bij de Opiumwet behorende lijst II.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behalve ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf en dat de verdachte ter zake van het bij parketnummer 09-767281-20 onder 1, 2 en 3, parketnummer 09-765047-20 onder 1 en 2 en parketnummer 09-767111-21 onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 10 maanden met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de motivering daarvan.
Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw recht worden gedaan.
Strafmotivering
Procesverloop
Tijdens de procedure in hoger beroep is – ná de regiezitting van 6 juli 2023 - gebleken dat de verdediging en het openbaar ministerie mogelijkheden zagen om procesafspraken in de onderhavige zaak te maken.
Bij brieven van 10 mei 2024 heeft de advocaat-generaal het hof kennisgegeven van het afdoeningsvoorstel, de daartoe gemaakte afspraken en heeft de inhoud daarvan weergegeven voor wat betreft enerzijds de zaken Echinops in het algemeen en anderzijds in de zaak van de verdachte specifiek. Laatstgenoemde brief is ondertekend door de advocaat-generaal en door de betrokkene.
De procesafspraken
De procesafspraken luiden als volgt:
  • Een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 10 maanden met aftrek van voorarrest met een marge van 6 maanden (4 jaar en 4 maanden) naar beneden voor het geval het Hof een lagere straf op zijn plaats acht (…);
  • Verdachte en verdediging voeren geen verweer ten aanzien van de door de rechtbank in de strafzaak bewezenverklaarde feiten;
  • Verdachte en verdediging zien af van de uitvoering van de reeds toegewezen onderzoekswensen;
  • Verdachte en verdediging dienen geen nadere onderzoekswensen in.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal conform de procesafspraken gerekwireerd, waarbij de raadsman zich – bij wijze van pleidooi – heeft aangesloten, met dien verstande dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, door het hof toepassing gegeven dient te worden aan de in de procesafspraken opgenomen mogelijkheid tot (verdere) strafmatiging (de bandbreedte van 6 maanden).
Het toetsingskader van de Hoge Raad: waarborging
van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM
De Hoge Raad heeft in het arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252, overwogen dat de rechter alleen acht kan slaan op een door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 EVRM Pro stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
Het hof overweegt hieromtrent in de onderhavige zaak als volgt.
De verdachte was samen met zijn raadsman aanwezig op de terechtzitting in hoger beroep. Vervolgens zijn op die terechtzitting de procesafspraken besproken met de verdachte en diens raadsman. Op basis van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het acht kan slaan op de voorliggende procesafspraken (het afdoeningsvoorstel).
Concreet: de strafmotivering in de onderhavige zaak
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het medeplegen van (kort gezegd:) een drugstransport, het medeplegen van de voorbereiding van een drugstransport en het voorhanden hebben van grote hoeveelheden cocaïne en hasj. Hij heeft daarbij gehandeld als deelnemer aan een criminele organisatie, die het plegen van dergelijke misdrijven als oogmerk had.
Door aldus te handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale criminele drugscircuit. Van bedoeld circuit gaat een sterk ondermijnende en maatschappelijk ontwrichtende werking uit en de illegale opbrengsten vormen een reële bedreiging voor de legale wereld. Bovendien leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft voor dit alles kennelijk geen oog gehad.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 mei 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Het hof heeft rekening gehouden met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Daarbij heeft het hof gelet op de door het openbaar ministerie en de verdachte in hun procesafspraken gegeven bandbreedte.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 3, 10, 10a, 11 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-767111-21 onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren en 7 (zeven) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,
mr. K. Versteeg en mr. E.A. Lensink, in bijzijn van de griffiers mr. R. van Eekeres en mr. R. Dieteren.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 juni 2024.