Het gerechtshof Den Haag behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter Rotterdam waarin verdachte was veroordeeld voor bedreiging met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een balletjespistool, op 6 november 2021 te Rotterdam.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen van aangever en getuigen onvoldoende betrouwbaar waren vanwege inconsistenties en het ontbreken van waarneming van gezichtskenmerken zoals het rode haar van de verdachte. Het hof verwierp dit verweer, oordeelde dat de verklaringen betrouwbaar en samenhangend waren, en wees op getuigenverklaringen die de identiteit van de verdachte bevestigden.
Het hof achtte bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft bedreigd met het balletjespistool. Gelet op de ernst van het feit, de openbare plaats en de jeugdige leeftijd van verdachte, legde het hof een taakstraf van 150 uur op, subsidiair 75 dagen hechtenis. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.