Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- een aanvullend beroepschrift van de zijde van de man, [jongmeerderjarige 1] en [jongmeerderjarige 2] (met bijlagen), van 5 september 2024, ingekomen op 6 september 2024;
- een brief van de zijde van de vrouw (met bijlagen), van 13 september 2024, ingekomen op diezelfde datum;
- een brief van de zijde van de vrouw (met bijlage) van 20 september 2024, ingekomen op diezelfde datum;
- een brief van de zijde van de vrouw (met bijlage) van 24 september 2024, ingekomen op diezelfde datum.
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
- [jongmeerderjarige 2] voortaan de hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben;
- de man met ingang van 20 december 2022 ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] € 148,- per kind per maand kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen;
- de vrouw met ingang van 20 december 2022 ten behoeve van [jongmeerderjarige 2] € 75,- per maand kinderalimentatie aan de man moet betalen;
- dat de vrouw met ingang van 1 september 2022 aan [jongmeerderjarige 1] € 121,- per maand moet bijdragen in de kosten van zijn studie- en levensonderhoud en dat zij daarnaast de verplichting heeft om tot een bedrag van € 205,- per maand aan collegegeld en studieboeken voor [jongmeerderjarige 1] te betalen;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
- voor recht te verklaren dat de vrouw uit hoofde van artikel 1 van Pro het echtscheidingsconvenant en artikel 7 van Pro het ouderschapsplan een bedrag van € 120,- dient te voldoen aan de man;
- de vrouw, hetgeen zij over de periode 1 februari 2022 tot aan de datum van de in dezen te wijzen beschikking teveel aan kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ontvangen heeft, moet terugbetalen aan de man.
- te bepalen dat de maandelijkse bijdrage van de vrouw aan [jongmeerderjarige 1] primair op nihil wordt gesteld, subsidiair te bepalen dat zijn behoefte verlaagd wordt met een maandelijks bedrag van € 200,- terzake eigen inkomsten, € 115,- terzake het spaargeld dat gebruikt kan worden en met de te ontvangen basisbeurs met ingang van 1 september 2023 € 110,30, waardoor de behoefte € 362,70 bedraagt en de alimentatie met ingang van 20 december 2022 uitkomt op een bedrag van bedrag van € 148,- bij vooruitbetaling te voldoen door de vrouw aan [jongmeerderjarige 1] , danwel het bedrag dat het Hof in goede justitie meent te behoren;
- te bepalen dat het inkomen van de vrouw ter hoogte van € 3.180,- plus keuzebudget van € 542,- uitgangspunt is in de berekening, rekening houdend met een werkweek van 27 uur, waardoor haar draagkracht voor alimentatie € 941,- bedraagt per maand en de alimentatie voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [jongmeerderjarige 2] , rekening houdend met de spaarverplichting per maand van € 15,- per kind en de indexering per januari 2024 met ingang van 20 december 2022 € 45,- voor [jongmeerderjarige 2] bedraagt door de vrouw te betalen aan de man en € 197,- per kind per maand voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te ontvangen van de man, danwel de bedragen die uw Hof in goede justitie meent te behoren.
5.De motivering van de beslissing
- de man met € 262,- per kind per maand moet bijdragen in de kosten van [jongmeerderjarige 2] , [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
- de vrouw met € 184,- per kind per maand moet bijdragen in de kosten van [jongmeerderjarige 2] , [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
- de man met € 462,- per maand moet bijdragen in de kosten van [jongmeerderjarige 1] ;
- de vrouw met € 326,- per maand moet bijdragen in de kosten van [jongmeerderjarige 1] .
- de man met € 244,- per kind per maand moet bijdragen in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
- de vrouw met € 246,- per kind per maand moet bijdragen in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
- de man met € 479,- per maand moet bijdragen in de kosten van [jongmeerderjarige 2] ;
- de vrouw met € 483,- per maand moet bijdragen in de kosten van [jongmeerderjarige 2] .
- Kinderopvang [de minderjarige 2] € 724,77
- Materiaalkosten onderhoud fietsen [jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige 1] € 86,70
- Bijdrage aan step [jongmeerderjarige 2] € 10,-
- Bitje [de minderjarige 1] € 12,99
- Kapper [de minderjarige 1] € 19,-
6.De beslissing
- de man met ingang van 20 december 2022 een bedrag van € 106,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
- de vrouw met ingang van 20 december 2022 een bedrag van € 117,- per maand aan de man moet betalen als bijdrage in de kosten van [jongmeerderjarige 2] ;
- de vrouw met ingang van 1 september 2022 tot 1 september 2024 een bedrag van € 326,- aan [jongmeerderjarige 1] moet betalen als bijdrage in de kosten van zijn studie en levensonderhoud, welke bijdrage zij mag verrekenen met al eerder aan/voor hem betaalde bescheiden dragen terzake zijn kosten van studie en levensonderhoud met betrekking tot de periode van 1 september 2022 tot 1 september 2024;
- de man met ingang van 1 september 2024 € 72,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ;
- de vrouw met ingang van 1 september 2024 € 483,- per maand aan [jongmeerderjarige 2] moet betalen als bijdrage in diens kosten van studie en levensonderhoud;