Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2025:1259

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2025
Publicatiedatum
3 juli 2025
Zaaknummer
200.351.374/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dwangakkoord bij weigering schuldeiser instemming schuldregeling

In deze civiele zaak heeft het gerechtshof Den Haag het hoger beroep van een schuldeiser tegen een dwangakkoord verworpen. De schuldeiser was het niet eens met een schuldregeling die door de schuldenaar was aangeboden en door de rechtbank was toegewezen. De schuldeiser stelde dat hij door de schuldenaar was opgelicht en dat het voorstel niet het maximaal haalbare was, mede omdat de schuldenaar volgens hem niet arbeidsongeschikt was.

De rechtbank had geoordeeld dat het voorstel van de schuldenaar het beste haalbare was en dat het belang van de schuldenaar bij een schuldenvrije toekomst zwaarder woog dan het belang van de schuldeiser bij volledige betaling. Het hof onderschreef dit oordeel en vond dat de schuldeiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het voorstel niet realistisch was. Ook was goede trouw geen weigeringsgrond, maar kon wel meewegen in de belangenafweging.

Het hof benadrukte dat de meerderheid van de schuldeisers, die samen een groter deel van de schuldenlast vertegenwoordigen, wel akkoord waren met de regeling. Gezien het belang van deze schuldeisers en het feit dat het dwangakkoord een gunstiger resultaat biedt dan de WSNP, werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

De uitspraak bevestigt dat een schuldeiser niet zonder bijzondere omstandigheden kan weigeren in te stemmen met een schuldregeling en dat de belangen van de meerderheid van schuldeisers zwaar wegen bij de beoordeling van een dwangakkoord.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de schuldeiser verplicht is in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.351.374/01
Rekestnummer rechtbank : C/09/677869/FT RK 24/11561157
Arrest van 22 april 2025
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. M.W. Huijzer te Papendrecht,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geintimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde].

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 18 februari 2025, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 februari 2025, waarbij het verzoek van [geïntimeerde] om [appellant] te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling is toegewezen. [appellant] verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en het verzoek van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen. Op 11 april 2025 heeft [appellant] een aanvullend verzoekschrift (met bijlagen) ingediend. Het hof heeft verder nog kennis genomen van door [appellant] nader overgelegde producties.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2025. Verschenen zijn: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat en [geïntimeerde].

2.De beoordeling van het hoger beroep

2.1
De rechtbank heeft het verzoek van [geïntimeerde] om [appellant] te bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling toegewezen op grond van het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat het voorstel van [geïntimeerde] aan zijn schuldeisers het maximaal haalbare is en de aangeboden regeling in het belang is van de andere schuldeisers. Daarbij heeft de rechtbank – samengevat – het volgende overwogen.
2.2
[appellant] stemt niet in met de aangeboden schuldregeling, omdat hij meent door de [geïntimeerde] in 2013 te zijn opgelicht. Bovendien acht [appellant] het onaannemelijk dat [geïntimeerde], een dertiger, niet in staat zou zijn te kunnen werken. Het belang van Van den Bergom zijn vordering (zoveel mogelijk) betaald te krijgen spreekt voor zich en ook het feit dat hij heeft geleden onder de situatie is begrijpelijk. Tegelijkertijd zijn er inmiddels twaalf jaar verstreken en doet [geïntimeerde] er alles aan om een oplossing te vinden voor zijn schuldenproblematiek. [geïntimeerde] spant zich maximaal in voor zijn schuldeisers en een beter voorstel aan zijn schuldeisers is op dit moment niet mogelijk. Dit maakt dat het belang van [geïntimeerde] op een schuldenvrije toekomst op dit moment zwaarder dient te wegen dan [appellant] om zijn vordering volledig betaald te krijgen. Bovendien blijkt uit de bij het verzoekschrift gevoegde stukken dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers tot een gunstiger resultaat leidt dan de WSNP.
2.3
De grieven van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de belangen van [geïntimeerde] bij een schuldenvrije toekomst zwaarder moeten wegen dan het belang van [appellant] bij betaling van zijn vordering. Daartoe heeft [appellant] – samengevat – het volgende aangevoerd.
2.4
In 2012 is [appellant] met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) overeengekomen zijn huis te bouwen. In de overeenkomst tot aanneming van werk werd [geïntimeerde] Bouwbedrijf als aannemer genoemd. [geïntimeerde] en [betrokkene] zijn echter de afspraken de bouw niet nagekomen en ook zijn de werkzaamheden niet naar behoren uitgevoerd. De bouw van het huis heeft hierdoor jaren vertraging opgelopen, met veel extra kosten als gevolg. [appellant] is van mening dat [geïntimeerde] en [betrokkene] van begin af aan hebben geweten de woning nooit daadwerkelijk door hun gebouwd zou kunnen worden en dat [geïntimeerde] lid is van een criminele organisatie. Dit omdat [appellant] naar zijn zeggen eind december 2013 een voorschot van € 27.000,- heeft verstrekt aan [geïntimeerde] onder de uitdrukkelijke toezegging dat [geïntimeerde] Bouwbedrijf niet failliet zou gaan. Kort daarna zijn echter alle werkzaamheden gestaakt en is [geïntimeerde] Bouwbedrijf in februari 2014 failliet verklaard. De schuld van [geïntimeerde] aan [appellant] is dan ook niet te goeder trouw ontstaan.
2.5
[appellant] heeft verder aangevoerd dat aanbod van [geïntimeerde] niet het maximaal haalbare is. De rechtbank heeft bij de beoordeling ten onrechte in aanmerking genomen dat [geïntimeerde] sinds 2014 een bijstandsuitkering ontvangt en op 16 augustus 2024 volledig arbeidsongeschikt is verklaard. [appellant] meent dat het Sociaal Medisch Advies van Calder van 16 augustus 2024 - waarbij de arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] is vastgesteld - ondeugdelijk is en dat [geïntimeerde] gelet op zijn leeftijd “best tot zijn 70ste kan werken”, aldus de verklaring van [appellant] ter zitting van het hof. Daarnaast is het [appellant] gebleken dat [geïntimeerde] in 2016 bij de Kamer van Koophandel een nieuwe eenmanszaak heeft ingeschreven en die in 2019 weer heeft uitgeschreven. Dit duidt er volgens [appellant] op dat [geïntimeerde] in die jaren inkomsten heeft verworven en dat hij niet – zoals door de rechtbank is overwogen sinds 2014 alleen een bijstandsuitkering heeft ontvangen.
2.6
[geïntimeerde] heeft ter zitting van het hof zijn standpunt toegelicht. Hij heeft verklaard dat hij sinds 2014 een bijstandsuitkering ontvangt en dat hij kampt met meerdere gezondheidsproblemen. Als gevolg van deze problemen is hij volledig arbeidsongeschikt verklaard. [geïntimeerde] heeft bevestigd dat hij tussen 2016 en 2019 een eenmanszaak heeft gehad. Het was zijn bedoeling om ondanks zijn slechte gezondheid toch aan de slag te gaan, om zo meer inkomsten te genereren. Dit bleek echter niet mogelijk. De gemeente was op de hoogte van de eenmanszaak en heeft destijds slechts voor een korte periode zijn bijstandsuitkering stopgezet. [geïntimeerde] heeft verder verklaard dat ook hij in de problemen is geraakt door het handelen van [betrokkene]. [betrokkene] voerde alle gesprekken met [appellant] aangaande de financiën rond de bouw van de woning. Na de faillietverklaring van [geïntimeerde] Bouwbedrijf heeft [geïntimeerde] geen contact meer met [betrokkene] gehad.
2.7
Het hof overweegt als volgt
2.8
Bij de beoordeling van het verzoek om een schuldeiser te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling in het kader van artikel 287a Fw neemt het hof als uitgangspunt dat het iedere schuldeiser in beginsel vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan, zodat deze schuldeiser niet snel het verwijt gemaakt kan worden dat hij misbruik maakt van zijn bevoegdheid om volledige betaling te verlangen. Uitgangspunt is voorts dat een schuldeiser slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden gedwongen in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden akkoord. Een en ander neemt niet weg dat een schuldeiser tegenover de schuldenaar in ieder geval uit hoofde van de tussen hen in acht te nemen redelijkheid en billijkheid gehouden kan zijn (nader) te motiveren waarop zijn standpunt is gegrond om instemming te onthouden en dat het voor de rechter mogelijk moet zijn te beoordelen of de schuldeiser, gelet op wat de schuldenaar heeft aangevoerd, wel of niet zijn standpunt volledige betaling te verlangen, in redelijkheid kan handhaven.
2.9
De schuldenlast van [geïntimeerde] bedraagt € 117.569,94 en bestaat uit 6 schulden. Met behulp van de gemeente Den Haag heeft hij op 6 december 2024 een schuldregeling aangeboden (saneringsakkoord). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers met een recht van voorrang een uitkering ineens wordt aangeboden van 8,225% en aan de gewone schuldeisers een uitkering ineens van 4,1 13%, tegen kwijtschelding van het restant van hun vorderingen. [appellant] is als enige schuldeiser niet akkoord gegaan met dit voorstel. [geïntimeerde] heeft een schuld aan [appellant] van € 54.694,52, dat is 46,52% van de totale schuldenlast.
2.1
Het hof ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [appellant] in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van [geïntimeerde] dat door de weigering wordt geschaad alsmede het belang van de overige schuldeisers die wel met de minnelijke regeling hebben ingestemd.
2.11
[appellant] heeft aangevoerd dat het aanbod van [geïntimeerde] niet het maximaal haalbare is. Het hof volgt deze stelling niet. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een beter voorstel, gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, niet realistisch is. De stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] wel arbeidsgeschikt zou zijn en dat het Sociaal Medisch Advies van Calder van 16 augustus 2024 ondeugdelijk is, is niet aannemelijk geworden. Dat [geïntimeerde] “een jonge vent is die best tot zijn 70ste kan werken”, zoals door [appellant] ter zitting is aangevoerd, is daartoe volstrekt onvoldoende. Bovendien ligt het naar de mening van het hof ook niet op de weg van [appellant] om dergelijke conclusies te trekken.
2.12
[appellant] stelt zich verder op het standpunt dat [geïntimeerde] niet te goeder trouw heeft gehandeld. De goede trouw is echter geen weigeringsgrond in het kader van het verzoek tot het bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Wel kan daarmee rekening worden gehouden bij voornoemde belangenafweging. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [geïntimeerde] heeft verklaard dat ook hij is benadeeld door het handelen van [betrokkene].
2.13
Tot slot overweegt het hof dat door de weigering van [appellant] het belang van de overige schuldeisers die wel met de minnelijke regeling hebben ingestemd wordt geschaad, nu uit de aan hof overgelegde stukken is gebleken dat dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers tot een gunstiger resultaat leidt dan de toepassing van de WSNP. De schuld aan [appellant] bedraagt weliswaar met 46,52% een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast, maar de meerderheid van de schuldeisers (namelijk 5 van de 6 schuldeisers), die samen (ruim) 53% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, zijn wél akkoord met de aangeboden regeling en het belang van deze schuldeisers dient te prevaleren.
2.14
Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd.

3.De beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 februari 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. G.C. de Heer, mr. J.S. Honée en mr. A.J. Swelheim en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2025 in aanwezigheid van de griffier.