ECLI:NL:GHDHA:2025:1334
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep wegens ontbreken grieven
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Den Haag op 19 juni 2025 uitspraak gedaan over het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter van 28 augustus 2024. De politierechter had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. De verdachte stelde hoger beroep in, maar verscheen niet ter terechtzitting en diende geen schriftelijke grieven in. Zijn raadsman was niet bevoegd om hem te vertegenwoordigen in hoger beroep.
Het hof stelde vast dat er een verschil bestond tussen de aantekening van het mondeling vonnis en het proces-verbaal over de duur van de straf, maar ging uit van de juistheid van de aantekening in het proces-verbaal, namelijk vier maanden gevangenisstraf. Het hof concludeerde dat er geen reden was om de zaak inhoudelijk te behandelen, mede gezien het ontbreken van grieven en het niet verschijnen van verdachte.
Het hof verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep op grond van artikel 416 lid 2 Sv Pro. Tevens gaf het hof een aanbeveling aan de eerste rechter om bij onduidelijkheden in de strafoplegging in het uitgewerkte vonnis duidelijkheid te scheppen om toekomstige verwarring te voorkomen.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven en niet verschijnen.