Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
Arrest
[verdachte],
meer subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor faillissementsfraude met betrekking tot een boot die onttrokken zou zijn aan de boedel van een gefailleerde rechtspersoon. In hoger beroep vorderde de advocaat-generaal een verzwaring van de straf, maar het hof vernietigde het vonnis en sprak de verdachte vrij.
Het hof baseerde zijn oordeel op het feit dat de essentiële bewijsvoering steunde op een verklaring van een medeverdachte die inmiddels was overleden en zich tijdens het onderzoek op haar verschoningsrecht had beroepen. Hierdoor kon de verdediging haar niet ondervragen, wat een schending van het recht op een eerlijk proces opleverde.
Andere bewijsmiddelen boden slechts indirecte vermoedens en waren onvoldoende om het primaire bestanddeel van het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Ook de subsidiaire en meer subsidiaire tenlasteleggingen konden niet worden bewezen.
Het hof oordeelde dat het gebruik van de verklaring van de overleden getuige in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM Pro, waardoor vrijspraak onvermijdelijk was. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht door de verdachte vrij te spreken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs door onbruikbaarheid verklaring overleden getuige.