De zaak betreft een hoger beroep na terugverwijzing door de Hoge Raad over de medeplichtigheid aan een babbeltruc die gericht was op poging tot diefstal bij een bejaard echtpaar. De verdachte werd vrijgesproken van medeplichtigheid omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij opzettelijk behulpzaam was geweest bij de poging tot diefstal.
De poging tot diefstal vond plaats via een babbeltruc waarbij een mededader zich toegang verschafte tot de woning van het echtpaar met een verzonnen verhaal over de waterleiding. De verdachte werd veroordeeld voor deze poging tot diefstal, maar het hof hield rekening met zijn gewijzigde persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn werk en gezinsleven, en het grote tijdsverloop sinds het feit.
Het hof legde daarom een taakstraf van 120 uur op, verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden. De straf is bedoeld om de ernst van het feit te benadrukken en de verdachte af te schrikken van toekomstige delicten. De zaak illustreert het belang van zorgvuldig bewijs en proportionaliteit in strafoplegging.