ECLI:NL:GHDHA:2025:2259

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
28 oktober 2025
Zaaknummer
200.329.649/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorginkoop en tariefstelling logopedische zorg door zorgverzekeraars

In deze zaak gaat het om een geschil tussen logopedisten en zorgverzekeraars over de tarieven voor logopedische zorg onder het basispakket in de jaren 2021-2022. De logopedisten, die gezamenlijk als appellanten optreden, stellen dat de zorgverzekeraars tekort zijn geschoten in de nakoming van de Bestuurlijke Afspraken paramedische zorg 2019-2022. Deze afspraken zouden hen verplichten om tarieven aan te bieden die rekening houden met de uitkomsten van een kostprijsonderzoek. De logopedisten beweren dat de door de zorgverzekeraars aangeboden tarieven niet kostendekkend zijn en dat zij hierdoor schade lijden. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag, waarin de vorderingen van de logopedisten zijn afgewezen. Het hof oordeelt dat de Bestuurlijke Afspraken geen afdwingbare verplichtingen bevatten over de tariefstelling en dat de zorgverzekeraars niet in strijd hebben gehandeld met de redelijkheid en billijkheid. De logopedisten hebben onvoldoende bewijs geleverd dat de tarieven onredelijk zijn en het hof concludeert dat de zorgverzekeraars zich niet hebben verplicht om kostendekkende tarieven te hanteren. De logopedisten worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.329.649/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/624722/HA ZA 22-134
Arrest van 28 oktober 2025
in de zaak van

1.Logopedie Kanaleneiland B.V., gevestigd in Utrecht,2. [naam], wonende in Gouda, voorheen handelend onder de naamPraktijk voorlogopedie [naam],3. [naam], handelende onder de naam Centrum voor stottertherapie van

Baarsen, gevestigd/kantoorhoudende in [vestigingsplaats],
4.
[naam], handelende onder de naam
Logopediepraktijk [naam], gevestigd/kantoorhoudende in [vestigingsplaats],
5.
[naam], handelende onder de naam
Logopedie [naam],
gevestigd/kantoorhoudende in [vestigingsplaats],
appellanten,
advocaat: mr. M.E. Jannink, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen

1.de vereniging Zorgverzekeraars Nederland, gevestigd in Zeist,2. VGZ Zorgverzekeraar N.V., gevestigd in Arnhem,3. IZA Zorgverzekeraar N.V., gevestigd in Arnhem,4. N.V. Zorgverzekeraar UMC, gevestigd in Arnhem,5. N.V. Univé Zorg, gevestigd in Arnhem,6. Menzis Zorgverzekeraar N.V., gevestigd in Wageningen,7. Menzis N.V., gevestigd in Wageningen,8. Anderzorg N.V., gevestigd in Groningen,9. CZ Zorgverzekeringen N.V., gevestigd in Tilburg,10. Centrale Zorgverzekeringen NZV N.V., gevestigd in Tilburg,11. OHRA Zorgverzekeringen N.V., gevestigd in Leiden,12. Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V., gevestigd in Leiden,13. Interpolis Zorgverzekeringen N.V., gevestigd in Leiden,14. FBTO Zorgverzekeringen N.V., gevestigd in Leeuwarden,15. De Friesland Zorgverzekeraar N.V., gevestigd in Leeuwarden,

geïntimeerden,
advocaat: mr. T.R.M. van Helmond, kantoorhoudend in Amsterdam.
Appellanten worden gezamenlijk aangeduid als ‘de Logopedisten’. Geïntimeerde sub 1 wordt vanaf onderdeel 4 van dit arrest aangeduid als ‘ZN’. Geïntimeerden sub 2 tot en met 15 worden hierna gezamenlijk ‘de Zorgverzekeraars’ genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1
Deze zaak heeft betrekking op de tarieven die de Zorgverzekeraars in 2021-2022 aan de Logopedisten hebben aangeboden voor logopedische zorg onder het verzekerde basispakket. De Logopedisten stellen dat de Zorgverzekeraars op grond van een in 2019 gesloten akkoord – zoals dat is vastgelegd in de ‘Bestuurlijke Afspraken paramedische zorg 2019-2022’ (hierna: Bestuurlijke Afspraken) – verplicht zijn om tarieven aan te bieden waarin rekening wordt gehouden met de uitkomsten van een in 2020 uitgevoerd kostprijsonderzoek. Dat is niet gebeurd volgens de Logopedisten en zij verwijten de Zorgverzekeraars – en Zorgverzekeraars Nederland als brancheorganisatie die bij het tot stand komen van de Bestuurlijke Afspraken betrokken was – daarom jegens hen tekort te schieten in de nakoming van hun verplichtingen uit de Bestuurlijke Afspraken. Daarnaast stellen de Logopedisten dat de Zorgverzekeraars in strijd hebben gehandeld met de redelijkheid en billijkheid, omdat de aangeboden tarieven geen ‘reële tarieven’ zijn. Doordat de aangeboden tarieven lager zijn dan de in het kostprijsonderzoek berekende gemiddelde kostprijs kunnen de Logopedisten volgens hen niet kostendekkend werken en leiden zij schade. Zij stellen de Zorgverzekeraars en haar brancheorganisatie daarvoor aansprakelijk.
1.2
Het hof bekrachtigt het afwijzende vonnis en wijst het door de Logopedisten in hoger beroep meer of anders gevorderde af. Het hof zal hierna uitleggen hoe het tot die beslissing is gekomen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 31 mei 2023, waarmee de Logopedisten in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2023 (hierna veelal: het vonnis); [1]
  • de memorie van grieven, met producties;
  • de memorie van antwoord, met producties;
  • het H-12 formulier van mr. Jannink (aan de zijde van de Logopedisten) met een vijftal producties, ingekomen bij het hof op 28 oktober 2024;
  • de brief van 6 november 2024 van mr. Jannink met de mededeling dat één van de appellanten (Logopediepraktijk Best) zich heeft teruggetrokken uit het hoger beroep.
2.2
Op 8 november 2024 is een mondelinge behandeling gehouden. De wederzijdse advocaten hebben zich bij die gelegenheid bediend van spreek-/pleitaantekeningen, die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
De vijf Logopedisten zijn praktijkhoudende logopedisten die werken in de eerstelijnszorg. Zij behandelen patiënten met spraak-, stem- en slikproblemen. Ook patiënten met een bepaalde taal- of gehoorstoornis kunnen bij een logopedist terecht. Logopedie valt onder het basispakket van de zorgverzekering.
3.2
De Logopedisten sloten – met uitzondering van appellanten onder 3 en 5 – voor 2021 en 2022 overeenkomsten met de Zorgverzekeraars. Op grond van die overeenkomsten worden zij per verrichte behandeling (prestatie) door de Zorgverzekeraars betaald op grond van daarvoor overeengekomen tarieven. Elk type prestatie heeft een prestatiecode en een tarief. Appellanten onder 3 en 5 sloten in 2021 geen overeenkomst met CZ, appellante onder 3 deed dat in de loop van 2022 alsnog.
3.3
De Zorgverzekeraars zijn onderdeel van de vier grootste concerns van zorgverzekeraars in Nederland. Hun marktaandeel bedraagt samen circa 85%.
3.4
Zorgverzekeraars Nederland is de brancheorganisatie van de bedrijven die in Nederland zorgverzekeringen aanbieden. De hoofdactiviteit van Zorgverzekeraars Nederland is het realiseren van voorwaarden waarbinnen de leden van de brancheorganisatie het vak van zorgverzekeraar optimaal kunnen uitoefenen. De Zorgverzekeraars zijn lid van Zorgverzekeraars Nederland. Zorgverzekeraars Nederland vertegenwoordigt haar leden bij de landelijke overheid en bij landelijke en Europese organen en colleges en sluit (raam)overeenkomsten met landelijke organisaties van aanbieders van zorg.
3.5
De Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF) is de beroepsorganisatie voor logopedisten in Nederland. De Logopedisten zijn lid van de NVLF.
3.6
De NVLF heeft op 20 juni 2019 als onderdeel van Paramedisch Platform Nederland samen met het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie, Stichting Keurmerk Fysiotherapie, de Patiëntenfederatie Nederland, Zorgverzekeraars Nederland en de minister voor (toen nog) Medische Zorg en Sport afspraken gemaakt: de Bestuurlijke Afspraken (paramedische zorg 2019-2022).
3.7
In de Bestuurlijke Afspraken staat (in hoofdstuk 1) dat partijen zich committeren aan de gewenste transformatie naar
de juiste zorg op de juiste plekmet als belangrijke inspiratiebron het rapport ‘De Juiste Zorg op de Juiste Plek’ uit 2018. Aan het realiseren van de met die transformatie beoogde effecten kan paramedische zorg een bijdrage leveren. De Bestuurlijke Afspraken bepalen de richting waarin dat zal gebeuren en de activiteiten die daarvoor zullen worden opgepakt. Dat wordt regionaal uitgewerkt. Daarnaast worden de volgende onderwerpen die bijdragen aan de juiste zorg op de juiste plek op nationaal niveau opgepakt: kwaliteit van zorg, informatie voor de patiënt, organisatiegraad en digitalisering. Die onderwerpen worden achtereenvolgens behandeld in hoofdstuk 2 tot en met 5. Daarna staat in hoofdstuk 6 het volgende:
“Overig
a. Partijen onderstrepen de noodzaak om (onnodige) regeldruk terug te brengen in de paramedische zorg. Daarom committeren partijen zich (nogmaals) aan het actieplan (Ont)regel de zorg waarin concreet wordt beschreven welke onnodige bureaucratie en regeldruk partijen aanpakken en hoe partijen dit doen.
b. (…)
c. Partijen spreken af dat – kijkend naar de uitkomsten van de NZA-monitor paramedische zorg – individuele zorgverzekeraars met de verschillende beroepsverenigingen serieus het gesprek aangaan, ook over de tarieven voor de contractering 2020.
d. Verder spreken partijen af dat ze een gezamenlijk kostenonderzoek uit laten voeren voor fysiotherapie, oefentherapie, logopedie, huidtherapie, ergotherapie en diëtetiek. Het kostenonderzoek richt zich op een kostprijsonderzoek in combinatie met een onderzoek naar de betaalbaarheid van de zorg en biedt inzicht voor de afzonderlijke beroepsgroepen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kosten en betaalbaarheid van de zorg vallend onder de basisverzekering en de aanvullende verzekering. (…) De uitkomsten van het kostprijsonderzoek dienen vervolgens te worden vertaald in scenario’s voor de betaalbaarheid van de zorg, waarbij de totale beschikbare middelen voor de paramedische zorg niet op voorhand vaststaan. Daarbij worden gevolgen van eventuele tariefaanpassingen onderzocht voor de basisverzekering en de aanvullende verzekering. Naast de tariefeffecten wordt ook gekeken naar de doelmatigheid en het volume van zorg.
e. Met betrekking tot het kostprijsonderzoek zullen zorgverzekeraars de uitkomsten ter harte nemen. De beroepsgroepen op hun beurt zullen zich maximaal inspannen voor een doelmatige en efficiënt zorgverlening om zodoende de zorg betaalbaar te houden.”
3.8
Onderzoeksbureau Gupta Strategists heeft het in hoofdstuk 6 van de Bestuurlijke Afspraken bedoelde kostenonderzoek uitgevoerd. In maart 2020 verscheen het rapport ‘Kostenonderzoek paramedische zorg, kostprijzen en betaalbaarheid van fysiotherapie, oefentherapie, logopedie, huidtherapie, ergotherapie en diëtetiek’ (hierna: het kostenonderzoek).
3.9
Het kostenonderzoek, waarvan een kostprijsonderzoek deel uitmaakt, geeft inzicht in de werkelijke kostprijzen per prestatie in 2018, afgeleid uit door een aantal praktijkhoudende logopedisten ingevulde vragenlijsten, jaarcijfers en declaratiegegevens over 2018. Daarnaast is de kostprijs normatief benaderd door ‘de personeelskosten, praktijkkosten en productiviteit bottom-up op te bouwen’.
3.1
In de samenvatting van het kostenonderzoek staat onder meer het volgende:
“Normatieve benadering van kosten en productiviteit
De huidige of werkelijke kosten hangen nauw samen met de huidige tarieven en manier van werken. Daarom bouwen we per beroepsgroep
bottom-upop wat passende personeels- en praktijkkosten zijn gegeven leeftijd en functieniveau en de eisen die aan de praktijk gesteld worden vanuit verzekeraars, overheid en beroepsvereniging. Ook gaan we in op de vraag wat een op langere termijn haalbare productiviteit is per beroepsgroep. Dit is een normatieve benadering, gebaseerd op beschikbare relevante bronnen, logica en
expert opinion. Het is ook normatief in de zin dat de benadering uit gaat van effectief gebruik van de gewerkte tijd, waaronder een goede bezetting van de agenda en optimale bedrijfsvoering. Deze norm is dan ook niet van de ene op de andere dag haalbaar voor alle praktijen voor alle beroepsgroepen en vergt mogelijk een structureel andere manier van werken en organiseren.
(…)
Per beroepsgroep is een vergelijking gemaakt tussen de huidige en de normatieve kostprijs in verschillende scenario’s, waarbij we de kosten per werkbaar uur en de productiviteit variëren. (…)
Impact op premie en dekking
Een eventuele verandering in de tarieven voor paramedische zorg heeft direct effect op de zorgkosten en de BV en de AV [het hof begrijpt: basisverzekering en aanvullende verzekering]. Het effect in de AV is het sterkst, omdat het aandeel paramedische zorg hier veel groter is. (…)
Samenhang tussen kosten, betaalbaarheid en toegankelijkheid
Wanneer de verschillen tussen de normatieve en huidige kostprijs 1-op-1 vertaald zouden worden in een stijging van tarieven of het vergoeden van tot dusver niet declarabele zorg, groeien de zorgkosten (bij gelijkblijvende overige omstandigheden) in de basisverzekering met €95 mln (0,2%) en in de aanvullende verzekering €132 mln (6,6%). Naast de werkelijke en normatieve kostprijs is daarom ook onderzocht wat de ‘knoppen om aan te draaien’ zijn om totaal volume of kosten te beperken en zo de betaalbaarheid en toegankelijkheid van paramedische zorg op de langere termijn te waarborgen. (…)
Na een eerste inventarisatie is van kansrijk geachte acties een grove inschatting gemaakt van financiële impact en haalbaarheid (…). Voor alle genoemde maatregelen geldt dat zij nader onderzoek vragen, niet van de ene op de andere dag uitgevoerd kunnen worden en dat het tijd zal vergen om het maximale effect te bereiken. (…)”
3.11
In het kostenonderzoek is de gemiddelde kostprijs (in 2018) per prestatie/zitting op vier verschillende manieren benaderd:
Kostprijs 1
de gemiddelde kostprijs
uitgaande van de huidige kosten en huidige productiviteit
€ 34
Kostprijs 2
de gemiddelde kostprijs
uitgaande van de normatieve kosten en de huidige productiviteit
€ 48
Kostprijs 3
de gemiddelde kostprijs
uitgaande van de huidige kosten en normatieve productiviteit
€ 26
Kostprijs 4
de normatieve kostprijs
uitgaande van de normatieve kosten en de normatieve productiviteit
€ 38
3.12
Geïndexeerd naar het prijspeil van 2021 en 2022 gaat het dan om de volgende bedragen:
Prijspeil 2018
Prijspeil 2021
Prijspeil 2022
Kostprijs 1
€ 34
€ 36,89
€ 38,09
Kostprijs 2
€ 48
€ 52,08
€ 53,77
Kostprijs 3
€ 26
€ 28,21
€ 29,13
Kostprijs 4
€ 38
€ 41,23
€ 42,57
3.13
De Zorgverzekeraars boden voor het jaar 2021 voor prestatiecode 4000 ‘individuele zitting reguliere logopedie’ tarieven aan tussen € 32,32 en € 38,92, afhankelijk van de soort verzekeringsovereenkomst. In 2022 was dat tussen € 33,29 en € 39,01.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
De Logopedisten hebben ZN en de Zorgverzekeraars gedagvaard en – kort gezegd – gevorderd een verklaring voor recht dat deze partijen toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de Bestuurlijke Afspraken, omdat de uitkomsten van het kostprijsonderzoek bij het bepalen van de tarieven voor 2021 en 2022 niet ter harte zijn genomen. Daarnaast vorderen de Logopedisten dat ZN en de Zorgverzekeraars worden veroordeeld de door hen geleden schade te vergoeden, met verwijzing naar de schadestaatprocedure en veroordeling van ZN en de Zorgverzekeraars in de proceskosten.
4.2
Bij vonnis van 1 maart 2023 heeft de rechtbank de vorderingen van de Logopedisten afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
De Logopedisten zijn in hoger beroep gekomen omdat zij het niet eens zijn met het vonnis. Zij hebben grieven aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat ZN en de Zorgverzekeraars zijn tekortgeschoten in de nakoming van de Bestuurlijke Afspraken (grieven A t/m F en H). Daarnaast hebben zij aangevoerd dat de Zorgverzekeraars in strijd hebben gehandeld met de redelijkheid en billijkheid door in 2021 en 2022 geen reële tarieven aan te bieden voor logopedische zorg (grief G). Zij hebben op dat punt hun eis vermeerderd.

6.Beoordeling in hoger beroep

De Bestuurlijke Afspraken bevatten geen afdwingbare verplichting over de tariefstelling

6.1
De Logopedisten hebben in hoger beroep opnieuw gesteld dat ZN en de Zorgverzekeraars toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de Bestuurlijke Afspraken. Zij hebben daartoe aangevoerd dat ZN en de Zorgverzekeraars zich in de Bestuurlijke Afspraken (in hoofdstuk 6, onder e) ertoe hebben verplicht om de uitkomsten van het kostprijsonderzoek, als onderdeel van het kostenonderzoek,
ter hartete nemen. Volgens de Logopedisten zijn de Zorgverzekeraars daarom gehouden tarieven aan te bieden die aansluiten bij de resultaten van het kostprijsonderzoek. Dat hebben de Zorgverzekeraars niet gedaan: de door de Zorgverzekeraars voor 2021 en 2022 vastgestelde tarieven zijn volgens hen onverenigbaar met het kostprijsonderzoek en (nog altijd) niet kostendekkend. ZN en de Zorgverzekeraars zijn daarom toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de Bestuurlijke Afspraken. ZN en de Zorgverzekeraars hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof overweegt als volgt.
6.2
Tussen partijen is niet in geschil dat de Bestuurlijke Afspraken die in juni 2019 werden overeengekomen, tussen ZN, waarbij de Zorgverzekeraars zijn aangesloten, en NVLF, waarbij de Logopedisten zijn aangesloten, de strekking hebben om niet alleen de brancheverenigingen als zodanig, maar ook hun leden, te binden. ZN en de Zorgverzekeraars hebben ook niet bestreden zich gebonden te achten (of, zoals in de Bestuurlijke Afspraken staat ‘zich te committeren’) aan de Bestuurlijke Afspraken. Zij betwisten echter dat uit de in hoofdstuk 6, onder e, opgenomen frase dat de Zorgverzekeraars de uitkomst van het kostprijsonderzoek ter harte zullen nemen een door de Logopedisten afdwingbare verplichting voortvloeit om, zoals de Logopedisten stellen, tarieven aan te bieden ‘op minimaal de kostendekkende tarieven uit het kostprijsonderzoek’. Uit de stellingen van de Logopedisten leidt het hof af dat zij met dit laatste bedoelen dat de Zorgverzekeraars primair de door Gupta (per zitting) berekende kostprijs 2 van € 48,-, subsidiair kostprijs 4 van € 38,- en meer subsidiair kostprijs 1 van € 34,- als te indexeren inkooptarief voor de jaren 2021 en 2022 hadden moeten hanteren (zie hierboven 3.12).
6.3
Het hof volgt ZN en de Zorgverzekeraars in hun betwisting om de volgende redenen.
6.4
Wanneer, zoals hier, in geschil is welke rechtsgevolgen partijen met een afspraak hebben willen overeenkomen, zal dit door uitleg van die afspraak moeten worden vastgesteld. Daarbij gaat het niet alleen om de taalkundige uitleg, maar om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze afspraak mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
6.5
Vaststaat dat de afspraken (die in de Bestuurlijke Afspraken staan) zijn gemaakt om binnen de paramedische zorg een transformatie tot stand te brengen met als doel om (duurdere) zorg te voorkomen, zorg (dichter) bij mensen thuis te brengen of te concentreren en e-health in de paramedische zorg te introduceren. De teksten duiden er dan ook op dat de contractspartijen zijn overeengekomen zich gezamenlijk in te spannen om de voorgenomen transformatie in de paramedische zorg teweeg te brengen. Om dat te kunnen realiseren zijn doelstellingen geformuleerd en werkafspraken gemaakt. In die context moet ook de afspraak over het ter harte nemen van de uitkomsten van het kostprijsonderzoek worden beschouwd.
6.6
Het hof stelt vast dat uit de bewoordingen dat de Zorgverzekeraars de uitkomsten van het kostprijsonderzoek ter harte zullen nemen, een intentie spreekt om de resultaten daarvan serieus mee te wegen in de tariefstelling, maar niet tevens een onvoorwaardelijke toezegging om een tarief te hanteren dat volgens de kostprijsberekening kostendekkend is bij de huidige, dan wel normatieve productiviteit. Dat de Zorgverzekeraars zich niet op voorhand hebben verplicht de door Gupta berekende kostprijs tot uitgangstarief te nemen, blijkt onder meer uit hoofdstuk 6 onder d (slot). Partijen spreken daarin af dat de uitkomsten van het kostprijsonderzoek zullen worden vertaald in scenario’s voor de betaalbaarheid van de zorg. Daarbij zullen de gevolgen van eventuele tariefaanpassingen voor de verzekeringen worden onderzocht en zal worden gekeken naar de doelmatigheid en het volume van zorg. Het hof leidt uit de bepaling in hoofdstuk 6 onder e, gelezen in samenhang met de bepaling onder d, af dat partijen de kostprijs als een belangrijk element voor het bepalen van het tarief beschouwen, maar niet dat de Zorgverzekeraars de kostprijs 1-op-1 zullen doorvertalen naar het zorgtarief. Een dergelijke uitleg strookt ook niet met het doel van het kostprijsonderzoek om, zoals Gupta in haar rapport noemt, partijen (slechts) inzicht te bieden in de vraag wat een reële kostprijs is en de (mogelijke) impact daarvan op de inkoop van zorg. Zo heeft Gupta, om inzicht te bieden in de kostprijs, een vergelijking gemaakt tussen de (geobserveerde) werkelijke kostprijs op basis van vragenlijsten, jaarcijfers en declaratiegegevens over 2018 (bepaald op € 32 per werkbaar uur en € 34 per zitting bij een productiviteit van 47%, respectievelijk € 32 per werkbaar uur en € 26 bij een stijging van de productiviteit naar 60%) en een normatieve inschatting van de (wenselijke) kostprijs op basis van relevante CAO’s, offertes, interviews en openbare bronnen (‘benchmarks’) (bepaald op € 45 per werkbaar uur en € 48 per zitting bij een productiviteit van 47%, respectievelijk € 45 per werkbaar uur en € 38 bij een productiviteit van € 60% ). Zij heeft aldus – afhankelijk van de door haar berekende werkelijke productiviteit van 47% of de door haar gestelde normatieve productiviteit van 60% – vier scenario’s van de gemiddelde kostprijs per zitting geschetst (zie rov. 3.11). Gupta heeft met andere woorden niet – zoals de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) dat wel doet voor de gereguleerde zorg – aan de hand van een kostprijsonderzoek de kostprijs berekend en een tarief bepaald. Zij heeft ‘slechts’ inzicht geboden in de wijze waarop de reële kostprijs van logopedisten kan worden benaderd. Zoals hierna zal blijken is tussen partijen in geschil welk scenario het meest passend is in hun onderlinge rechtsverhouding.
6.7
Het voorgaande voert, alle omstandigheden in aanmerking genomen, tot de conclusie dat de afspraak om het kostprijsonderzoek ter harte te nemen niet leidt tot een rechtens afdwingbare verplichting over de hoogte van het tarief dat Zorgverzekeraars voor 2021 en 2022 moesten hanteren. Met de belofte van de Zorgverzekeraars om rekening te houden met de uitkomsten van het kostprijsonderzoek van Gupta en de belofte van de beroepsgroepen ‘op hun beurt’ zich maximaal in te spannen ‘voor een doelmatige en efficiënte zorgverlening om zodoende de zorg betaalbaar te houden’, hebben partijen beoogd een basis te creëren voor het hernieuwde tarief voor de gecontracteerde zorg. De afspraken zijn echter niet onvoorwaardelijk of in aanwijzende vorm beschreven en leggen daarom tussen (de brancheorganisaties van) de Logopedisten en de Zorgverzekeraars geen tot nakoming dwingende prestatie vast. Van een afspraak die inhoudt dat de Zorgverzekeraars een vergoeding op basis van normatieve productiviteit moeten betalen, ongeacht of die normatieve productiviteit is behaald door de Logopedisten, is geen sprake. Dat dit niettemin destijds wel zo is bedoeld, is ook niet bevestigd door de NVLF, althans een dergelijke bevestiging heeft het hof niet in het dossier aangetroffen.
6.8
Dat brengt mee dat de grieven A t/m F en H, die alle berusten op de onjuiste stelling dat hoofdstuk 6, onder e, van de Bestuurlijke Afspraken een afdwingbare verplichting inhoudt tot het aanbieden van de ‘kostendekkende’ tarieven per zitting (van € 48 of € 38 of € 34) uit het kostprijsonderzoek, falen. De daarop gebaseerde vorderingen van de Logopedisten dat ZN en de Zorgverzekeraars zijn tekortgeschoten in de nakoming van de Bestuurlijke Afspraken, zijn daarom niet toewijsbaar.
De tariefstelling voor 2021 en 2022 is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid
6.9
De Logopedisten hebben in hoger beroep ook gesteld (grief G, met verwijzing naar grief E) dat op de Zorgverzekeraars de verplichting rust om bij de inkoop reële tarieven aan te bieden op grond van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de Logopedisten en de Zorgverzekeraars beheerst. Volgens de Logopedisten zijn de tarieven die de Zorgverzekeraars voor 2021-2022 hebben aangeboden geen reële tarieven. Onder verwijzing naar de kostprijzen 1, 2 en 4 uit het kostenonderzoek voeren zij aan dat de aangeboden tarieven te laag zijn om de normatieve kosten te kunnen betalen en (bij de huidige productiviteit) ook om de huidige kosten te dekken. Doordat de Zorgverzekeraars in strijd met de redelijkheid en billijkheid hebben gehandeld, zijn zij volgens de Logopedisten gehouden de daardoor ontstane schade te vergoeden.
6.1
De Zorgverzekeraars hebben ook deze stellingen betwist. Zij hebben onder meer het standpunt ingenomen dat bij de tariefstelling de contractsvrijheid van partijen vooropstaat en daar geen verplichting bij past om een bepaald (rechtvaardig) tarief aan te bieden. Verder hebben zij bestreden dat de door hen aangeboden tarieven niet kostendekkend zijn en betoogd dat de Logopedisten ten tijde van het aanbieden van de tarieven tegenvoorstellen hadden kunnen indienen of hadden kunnen besluiten de contracten niet te sluiten, maar dat zij dat niet hebben gedaan.
6.11
De Zorgverzekeraars stellen terecht dat bij het inkopen van zorg onder de Zvw het uitgangspunt van contractsvrijheid geldt. De zorgverzekeraar mag daarom in beginsel zelf bepalen bij welke zorgaanbieder hij bepaalde basispakketzorg wil inkopen en tegen welke voorwaarden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd doordat er beperkingen en verplichtingen kunnen gelden op grond van publiekrechtelijke regelgeving en het algemeen verbintenissenrecht. In recente rechtspraak is geoordeeld dat wanneer een zorgaanbieder in een afhankelijke positie verkeert ten opzichte van de zorgverzekeraar, de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst, meebrengt dat de zorgverzekeraar bij zijn inkoopgedrag voldoende rekening houden met de gerechtvaardigde belangen van de zorgaanbieder. Van afhankelijkheid van de zorgaanbieder kan sprake zijn wanneer een zorgverzekeraar een aanzienlijk marktaandeel heeft in het gebied waar de zorgaanbieder werkzaam is, de aangeboden tarieven niet onderhandelbaar zijn en wanneer de overstap naar niet-gecontracteerde zorg om bedrijfseconomische redenen niet haalbaar is, zodat de zorgaanbieder is aangewezen op gecontracteerde zorg.
6.12
In dit geval hoeft het hof geen antwoord te geven op de vraag of de Logopedisten in een afhankelijke positie verkeren ten opzichte van de Zorgverzekeraars, omdat ook de Zorgverzekeraars ter zitting in hoger beroep het standpunt hebben ingenomen dat in de onderhavige procedure als maatstaf voor de inkoop kan gelden dat een reëel tarief moet worden geboden, in die zin dat een tarief moet worden geboden dat een redelijk efficiënt zorgaanbieder in staat stelt de gevraagde diensten met de vereiste kwaliteit te leveren (hierna aangeduid als: redelijk tarief).
6.13
Het hof is met de Logopedisten van oordeel dat voor de vraag of de Zorgverzekeraars voor 2021 en 2022 een redelijk tarief hebben geboden het kostprijsonderzoek van Gupta een goed aanknopingspunt biedt. Daarin is immers rekening gehouden met de geografische spreiding en de (grote) verschillen in praktijkgrootte van de logopedisten. Het rapport is voldoende representatief voor de gehele beroepsgroep en benadert in die zin de ‘redelijk efficiënte zorgaanbieder’. Anders dan de Logopedisten stellen, volgt uit het kostprijsonderzoek echter niet dat het redelijk tarief gelijk te stellen is aan bijvoorbeeld de door Gupta, op basis van normatieve kosten, berekende kostprijs van € 48, € 38, 34 of € 26 per zitting. Het hof licht dat hierna toe.
6.14
Voorop staat dat de vraag of het door de Zorgverzekeraars aangeboden tarief de redelijkheidstoets kan doorstaan, complex is. In deze redelijkheidstoets is de kostprijs van de zorgaanbieders niet allesbepalend. Op de tariefstelling zijn immers naast de kostprijs ook de aan de Zorgverzekeraars beschikbaar gestelde middelen en de betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg voor de verzekerden van invloed. Er dient een afweging plaats te vinden tussen de belangen van de zorgaanbieders, de zorgverzekeraars en de verzekerden. Om die afweging mogelijk te maken, is Gupta gevraagd een kostenonderzoek in te stellen om inzicht te krijgen in de kostprijs en de effecten van (mogelijke) tariefstijgingen op de betaalbaarheid van de zorg.
6.15
Gupta heeft onderzocht wat een reële kostprijs is. Zoals uiteengezet in het kostprijsonderzoek hangt de vraag wat een reële kostprijs is nauw samen met de tariefstelling van de zorgverzekeraars. Praktijkhouders zullen zich daar immers naar richten. Als de zorgtarieven echter structureel te laag zijn, dan zullen de (door Gupta aangeduid als “huidige”) kosten die de zorgaanbieders nu maken een onderschatting zijn van de kosten die eigenlijk nodig zijn. Dat kan leiden tot onwenselijke besparingen, zoals het verkorten van de prestatieduur of beperken van pensioenopbouw en verzekeringen. Om daar inzicht in te krijgen heeft Gupta onderzoek gedaan naar de huidige (werkelijke) kosten in het jaar 2018 en naar de normatieve (wenselijke) kosten, zodat deze met elkaar kunnen worden vergeleken. Op basis van deze onderzoeken berekende Gupta de huidige kostprijs op € 32 en de normatieve kostprijs op € 45 per werkbaar uur. Zoals uiteengezet in het kostprijsonderzoek, hangt de vraag wat een reële kostprijs is echter ook nauw samen met ‘de manier van werken’, ofwel de productiviteit. Om daar inzicht in te krijgen, heeft Gupta mede op basis van de verhouding declarabele en niet-declarabele uren de huidige productiviteit berekend op 47% en de normatieve productiviteit geschat op 60% en het effect daarvan berekend op de huidige en normatieve kostprijs. Dat heeft erin geresulteerd dat Gupta – afhankelijk van de gekozen benadering – de gemiddelde kostprijs (kostprijs per zitting) heeft berekend op:
- € 26 (huidige kosten (€ 32) en normatieve productiviteit (60%)
- € 34 (huidige kosten (€ 32) en huidige productiviteit (47%)
- € 38 (normatieve kosten (€ 45) en normatieve productiviteit (60%)
- € 48 (normatieve kosten (€ 45) en huidige productiviteit (47%).
6.16
De Logopedisten hebben een vergelijking gemaakt tussen de Gupta-kostprijzen en de door de Zorgverzekeraars in 2021 en 2022 aangeboden tarieven door (1) de Gupta-kostprijzen te vergelijken met het tarief van de prestatie 4000 en (2) de Gupta-kostprijzen te vergelijken met eenzelfde mixtarief voor de zorgverzekeraars. Uit deze vergelijkingen leiden zij af dat geen van de Zorgverzekeraars een gemiddeld tarief bood dat voldoende was om de normatieve kosten te dekken (kostprijs 2 en 4) en – met uitzondering van Menzis – ook (net) niet toereikend om de huidige kosten (kostprijs 1) te dekken. De Logopedisten stellen dat de tarieven voor 2021 en 2022 daarom onredelijk zijn. Het hof volgt de Logopedisten hierin echter niet om de volgende redenen.
6.17
Het kostprijsonderzoek laat zien dat het antwoord op de vraag wat een reële kostprijs voor logopedie is, niet eenduidig is en afhankelijk is van de gekozen benadering. Een toelichting op de vraag aan welk scenario de voorkeur zou moeten worden gegeven en waarom, heeft Gupta (ook achteraf) niet gegeven. Dat is ook begrijpelijk, omdat aan Gupta niet de opdracht werd verstrekt om een redelijk tarief vast te stellen, maar om inzicht te geven in de factoren die aan de tariefstelling ten grondslag liggen en de wijze waarop deze elkaar beïnvloeden. De door Gupta berekende kostprijzen kunnen daarom wel dienen als indicatie voor de vraag (welke aspecten van belang zijn bij de beoordeling) of een redelijk tarief is gehanteerd, maar kunnen, zoals hiervoor ook overwogen, niet een-op-een worden doorvertaald naar het tarief dat de Zorgverzekeraars minimaal verschuldigd zijn.
6.18
Verder is van belang dat de bevindingen van Gupta over het normatieve kostenniveau inzicht bieden in de vraag waaraan meer zou moeten worden uitgegeven, maar dat daarmee niet de vraag beantwoord is of er uit financieel oogpunt een (dringende) noodzaak is om dat kostenniveau te hanteren. Dat die situatie zich zou voordoen, hebben de Logopedisten – in weerwil van de betwisting door de Zorgverzekeraars, die erop hebben gewezen dat van een massale uitstroom of het omvallen van praktijken niet is gebleken – niet concreet en aan de hand van bijvoorbeeld cijfers van hun brancheorganisatie gesteld. Ook over hun eigen situatie en hun eigen kostprijs hebben zij zich niet concreet uitgelaten.
6.19
Uit het kostprijsonderzoek blijkt voorts dat er binnen de logopedie ruimte is om de productiviteit te verhogen en dat daarmee het huidige en (tot op zekere hoogte) een hoger kostenniveau (deels) kan worden opgevangen. Kanttekening daarbij is dat Gupta wel vermeldt dat het niet van de ene op de andere dag haalbaar is om een praktijk volgens de normatieve productienorm van 60% in te richten. Verder wijst het hof erop dat Gupta de normatieve productiviteit van 60% niet als absoluut gegeven presenteert. Zo merkt Gupta op dat een stijging van de productiviteit haalbaar is, maar dat het nog wel van belang is om goed in kaart te brengen of er nu zorg wordt geleverd die noodzakelijk, maar op dit moment niet declarabel is, omdat dit rechtstreeks impact heeft op de productiviteit. Van belang in dit verband is dat de Logopedisten er op hebben gewezen dat zij, vanwege de omstandigheid dat 80% van hun cliënten kinderen zijn van 12-jaar of jonger, in vergelijking met andere beroepsgroepen veel tijd kwijt zijn aan contact met derden, zoals andere specialisten, school, huisarts of ouders. Deze tijd is niet-declarabel, maar voor de behandeling (mogelijk) wel noodzakelijk. Een en ander brengt mee dat de norm van 60% voorzichtig moet worden geïnterpreteerd, omdat niet uit te sluiten valt dat deze naar beneden moet worden bijgesteld.
6.2
Op grond van het voorgaande concludeert het hof als volgt. Voor het antwoord op de vraag of – naar de Logopedisten stellen en de Zorgverzekeraars betwisten – de door hen aangeboden tarieven voor 2021 en 2022 onredelijk zijn, biedt het kostprijsonderzoek onvoldoende concrete aanknopingspunten. Voor een bevestigend antwoord op die vraag is ook overigens onvoldoende aangevoerd. Uit het kostprijsonderzoek kan wel worden afgeleid dat de ruimte voor verlaging van het tarief onder de kostprijs van € 32 uitgaande van een hogere productiviteitsnorm dan de huidige 47% (40% als de ingeschatte overuren worden meegenomen) beperkt is en onder omstandigheden onredelijk kan zijn. Het ontbreekt het hof echter aan gegevens om daarbij een grenswaarde vast te stellen. Het hof kan wel vaststellen dat de tarieven niet ver (ten hoogste circa € 3 tot € 4) onder de gemiddelde kostprijs 1 per zitting (€ 34) liggen. Onjuist is het standpunt van de Logopedisten dat zij op grond van de redelijkheid en billijkheid zonder meer recht hebben op een afrekening op basis van de door Gupta becijferde normatieve kostprijs, ook al zitten zij onder de (daarbij behorende) normatieve productiviteit. Het kostenonderzoek biedt geen steun voor dat standpunt.
6.21
Het voorgaande voert tot de slotsom dat de Logopedisten tegenover de gemotiveerde betwisting door de Zorgverzekeraars onvoldoende hebben onderbouwd dat de Zorgverzekeraars met de tarieven voor 2021 en 2022 in strijd hebben gehandeld met de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst. Grief G faalt mitsdien.
Daarmee wil het hof overigens niet zeggen dat de tariefstelling in de toekomst geen wijziging zou hoeven te ondergaan. Zoals uiteengezet door de Logopedisten en ook blijkt uit Gupta-rapport zijn er valide redenen om de tarieven voor logopedie te verhogen (bijvoorbeeld om personeel salarissen aan te bieden volgens de CAO-norm voor zorginstellingen en voor het sluiten van verzekeringen). Als daarbij ook in aanmerking wordt genomen de hoge kosteninflatie in de afgelopen jaren en de waarschuwing in het door de Logopedisten overgelegde rapport Nivel 2024 dat een structureel tekort aan logopedisten kan ontstaan, is niet uit te sluiten dat op enig moment de zorgtarieven voor de logopedisten moeten worden verhoogd. Ten aanzien van de jaren 2021 en 2022 is dat echter onvoldoende gebleken. In overweging wordt gegeven om bij eventuele toekomstige acties, mochten die onverhoopt nodig blijken, voor zoveel als mogelijk ook de brancheorganisatie te betrekken.
6.22
De Logopedisten hebben in hoger beroep geen voldoende concrete feiten en/of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een andere beslissing moeten leiden. Daarom wordt haar bewijsaanbod gepasseerd.
Conclusie en proceskosten
6.23
De conclusie is dat het hoger beroep van de Logopedisten niet slaagt. Het hof zal het vonnis hierna bekrachtigen. Het hof zal de Logopedisten als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.24
Die proceskosten worden begroot op:
griffierecht € 783,-
salaris advocaat € 2.428,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.389,-
Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing
.

7.Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2023;
  • veroordeelt appellanten in de kosten van de procedure in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden begroot op € 3.389,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als appellanten deze niet binnen veertien dagen na heden hebben betaald;
  • bepaalt dat als appellanten niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak hebben voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, appellanten de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als appellanten deze niet binnen veertien dagen na betekening hebben betaald;
  • verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
  • wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, J.M. van der Klooster en K. Engel en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Rb Den Haag 1 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2101.