ECLI:NL:GHDHA:2025:2342

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
200.352.730/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Incident tot verstrekking van bankafschriften in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid en onrechtmatige daad

In deze zaak, behandeld door het Gerechtshof Den Haag, hebben de verzoekers in het incident, die appellanten zijn in een hoger beroep, verzocht om inzage in bankafschriften van de verweersters in het incident en verschillende vennootschappen. Dit verzoek is gedaan in het kader van een geschil over een aannemingsovereenkomst met HGB Bouwbedrijf B.V., dat inmiddels failliet is verklaard. De verzoekers stellen dat er onrechtmatige onttrekkingen uit HGB hebben plaatsgevonden ten behoeve van de verweersters en de vennootschappen. Het hof heeft het verzoek afgewezen, o.a. omdat de verzoekers niet voldoende belang hebben aangetoond en het verzoek als een 'fishing expedition' wordt beschouwd. Het hof oordeelt dat de verzoekers niet hebben aangetoond dat er concrete aanwijzingen zijn voor onrechtmatige onttrekkingen en dat het verzoek om inzage in de bankafschriften een ernstige inbreuk op de privacy van de verweerster zou betekenen. Het hof houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak en verwijst de zaak naar de rol voor het nemen van de memorie van antwoord in de hoofdzaak.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.352.730/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/666433 / HA ZA 24-433
Arrest in het incident van 18 november 2025
in de zaak van

1.[verzoekster in het incident] ,

2. [verzoeker in het incident],
beiden wonend in [woonplaats] ,
appellanten,
verzoekers in het incident,
advocaat: mr. C.J.H. Anker, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen

1.[verweerster in het incident] ,

wonend in [woonplaats] ,
2. J&J Holding B.V.,
gevestigd in Den Haag,
geïntimeerden,
verweersters in het incident,
advocaat: mr. M. de Boorder, kantoorhoudend in Den Haag.
Het hof noemt partijen hierna [verzoekers in het incident] en [verweersters in het incident] Verweersters sub 1 en 2 worden [verweerster in het incident] respectievelijk J&J Holding genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1
[verzoekers in het incident] vorderen in de hoofdzaak in hoger beroep dat [verweersters in het incident] worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [verzoekers in het incident] op grond van onrechtmatige daad (bestuurdersaansprakelijkheid). Aan het conflict ligt ten grondslag een aannemingsovereenkomst tussen [verzoekers in het incident] en het inmiddels gefailleerde HGB Bouwbedrijf B.V., waarvan J&J Holding en [verweerster in het incident] (middellijk) bestuurder zijn geweest. In dit incident verzoeken [verzoekers in het incident] het hof om [verweersters in het incident] te bevelen tot het verstrekken van inzage in de afschriften van de bankrekeningen op naam van [verweerster in het incident] , J&J Holding, JJk Projectontwikkeling B.V., Skin Secret Groothandel B.V., Poort 1893 B.V. en SAV By Poort 1893 B.V. over de periode van 26 oktober 2022 tot en met 27 augustus 2024, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat [verweersters in het incident] deze veroordeling niet nakomen, met veroordeling van [verweersters in het incident] in de kosten van het incident.
1.2
Het hof wijst dit verzoek af.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 4 maart 2025, waarmee [verzoekers in het incident] in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 december 2024 (hierna: het bestreden vonnis);
  • de memorie van grieven, tevens houdende incident tot het treffen van een provisionele voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), althans bevel op grond van artikel 195 Rv van [verzoekers in het incident] met bijlagen;
  • de conclusie van antwoord in het incident die [verweersters in het incident] na zuivering van het verstek hebben ingediend op 2 september 2025.

3.Aanleiding voor dit incident

3.1
[verzoekers in het incident] en HGB Bouwbedrijf B.V. (hierna: HGB) hebben in 2022 een aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de nieuwbouw van een woning op een aan [verzoekers in het incident] toebehorend perceel. Tussen [verzoekers in het incident] en HGB is een geschil ontstaan over de uitvoering van het werk. Secure Holding B.V. (hierna: SH) was vanaf 25 april 2023 bestuurder van HGB. HGB is op 28 augustus 2024 in staat van faillissement verklaard.
3.2
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank Den Haag onder meer voor recht verklaard dat de aannemingsovereenkomst tussen [verzoekers in het incident] en HGB op 8 november 2023 rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden en dat SH en [bestuurder SH] onrechtmatig jegens [verzoekers in het incident] hebben gehandeld. SH en [bestuurder SH] zijn onder meer hoofdelijk veroordeeld om aan [verzoekers in het incident] een bedrag van € 180.132,88 aan schadevergoeding te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente en een bedrag van € 4.591,95 aan deskundigenkosten.
3.3
[verzoekers in het incident] hadden daarnaast gevorderd dat ook [verweersters in het incident] hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van onder meer schadevergoeding. [verweerster in het incident] is bestuurder van J&J Holding en J&J Holding was tot 25 april 2023 bestuurder van HGB. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. Zij oordeelde dat ten aanzien van [verweerster in het incident] en J&J Holding niet was voldaan aan de maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid.

4.Het verzoek in het incident

4.1
[verzoekers in het incident] verzoeken in dit incident op grond van artikel 195 Rv [verweersters in het incident] hoofdelijk te veroordelen tot het verstrekken van de afschriften van de bankrekeningen op naam van:
[verweerster in het incident] ;
J&J Holding;
JJk Projectontwikkeling B.V.;
Skin Secret Groothandel B.V.;
Poort 1893 B.V.;
SAV By Poort 1893 B.V.
over de periode van 26 oktober 2022 (de datum van totstandkoming van de aannemingsovereenkomst tussen [verzoekers in het incident] en HGB) tot en met 27 augustus 2024 (de datum dat HGB is gefailleerd), op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat [verweersters in het incident] deze veroordeling niet nakomen, met veroordeling van [verweersters in het incident] in de kosten van het incident.
4.2
[verweersters in het incident] hebben geconcludeerd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad:
primair: het verzoek in het incident zal afwijzen met veroordeling van [verzoekers in het incident] in de kosten van het incident;
subsidiair: zal bepalen dat [verzoekers in het incident] per te verstrekken afschrift € 5,50 moeten betalen.

5.Beoordeling van het verzoek in het incident

5.1
[verzoekers in het incident] hebben het volgende aan hun verzoek tot afgifte ten grondslag gelegd. [verzoekers in het incident] hebben de aannemingsovereenkomst gesloten met HGB toen J&J Holding haar bestuurder was. In het openbare faillissementsverslag van HGB staat dat de afgelopen jaren enorme sommen geld aan HGB zijn onttrokken door een drietal gelieerde partijen, zonder direct kenbare rechtsgrond. De curator heeft die partijen in het verslag niet bij naam genoemd. [verzoekers in het incident] hebben het vermoeden dat sommen geld uit HGB zijn onttrokken ten behoeve van [verweerster in het incident] en J&J Holding en/of haar dochtervennootschappen. Dit heeft zich al eerder voorgedaan, nu vrijwel tegelijkertijd met het overdragen van de aandelen in HGB van J&J Holding aan SH twee leaseauto’s zijn overgezet van HGB naar J&J Holding, aldus [verzoekers in het incident] Verder voeren [verzoekers in het incident] aan dat J&J Holding veel kapitaal heeft moeten investeren in twee in dochtervennootschapen uitgebate restaurants, Poort 1893 B.V. en SAV By Poort 1893 B.V. De inrichting van die restaurants, die een luxe uitstraling hebben, moet veel kapitaal hebben gekost waarvan niet duidelijk is waar dit vandaan komt. [verzoekers in het incident] vermoeden dat deze restaurants zijn gefinancierd met de aan HGB onttrokken gelden.
5.2
[verzoekers in het incident] willen inzage in de onder 4.1 genoemde bankafschriften om hun stelling nader te onderbouwen dat sprake is van onrechtmatige onttrekkingen uit HGB ten behoeve van [verweersters in het incident] en/of de onder 4.1 genoemde vennootschappen waarvan J&J Holding bestuurder is.
5.3
[verweersters in het incident] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Ten aanzien van de onttrekkingen uit HGB voeren zij aan dat het daarbij gaat om vergoedingen voor de bestuurders [verweerster in het incident] en [bestuurder SH] , die voor de vennootschap hebben gewerkt. Dit is volgens hen een normale situatie bij een vennootschap. Er was in de jaren 2021 tot en met 2023 sprake van een positief bedrijfsresultaat van HGB en er is daarom geen reden om te veronderstellen dat er onttrekkingen zijn gedaan die het bedrijf niet kon dragen. De door [verzoekers in het incident] genoemde restaurants zijn met beperkte middelen ingericht. Er is daartoe geen geld onttrokken aan HGB. [verweersters in het incident] hebben er verder op gewezen dat sprake is van een geëscaleerd conflict tussen [bestuurder SH] en [verweersters in het incident] enerzijds en [verzoekers in het incident] anderzijds. Toewijzing van het verzoek van [verzoekers in het incident] leidt ertoe dat [verzoekers in het incident] ten onrechte inzage krijgen in de wijze van bedrijfsvoering van de desbetreffende vennootschappen. Inzage in de privé-bankafschriften van [verweerster in het incident] vormt een ontoelaatbare inbreuk op haar privacy.
5.4
Het hof oordeelt als volgt. Het hoger beroep is ingesteld op 4 maart 2025. Dit heeft tot gevolg dat het bewijsrecht zoals dit geldt vanaf 1 januari 2025 van toepassing is (artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht). Op grond van artikel 194 lid 1 Rv komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel toe aan (a) een partij bij een rechtsbetrekking (b) tegenover degene die beschikt over (c) bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet aannemelijk maken dat hij daarbij (d) voldoende belang heeft. Dit zijn cumulatieve vereisten die in onderlinge samenhang moeten worden beschouwd.
5.5
Artikel 194 Rv voorziet niet in een onbeperkt recht op inzage of afschrift van stukken die een ander onder zich heeft. Van de verzoekende partij kan niet worden verwacht dat elk afzonderlijk stuk wordt gespecificeerd, maar wel worden gevergd dat zij voldoende concreet vermeldt waarom die informatie relevant is voor haar rechtspositie in een (potentieel) geschil. Het informatieverzoek moet dus voldoende nauwkeurig worden afgebakend onder aanduiding van het geschil of het feitencomplex met het oog waarop de informatie wordt opgevraagd. Met het bepaaldheidsvereiste wordt beoogd een passend evenwicht te vinden tussen de belangen van de informatieverzoeker en die van de informatiebezitter: de positie van de partij die om informatie vraagt, wordt enerzijds niet onredelijk bemoeilijkt doordat de gegevens waarover zij zelf niet beschikt, niet afzonderlijk hoeven te worden gespecificeerd. Anderzijds wordt de positie van de partij die over de informatie beschikt niet onredelijk geschaad, doordat het onderwerp waarop de verlangde gegevens betrekking hebben, voldoende nauwkeurig moet zijn afgebakend. Het vereiste van ‘voldoende belang’ brengt onder meer mee dat geen gegevens kunnen worden opgevraagd waarvan de verzoekende partij slechts vermoedt dat zij steun kunnen geven aan zijn of haar stelling. Een voldoende belang kan niet zijn gelegen in speculaties over een mogelijke gang van zaken en de wens om vermoedens handen en voeten te geven. Zogenoemde ‘fishing expeditions’ dienen te worden voorkomen.
5.6
Het hof is van oordeel dat [verzoekers in het incident] niet voldoende hebben toegelicht dat zij voldoende belang in de zin van artikel 194 Rv hebben bij inzage in de gevorderde bankafschriften van de onder 4.1 sub 3 tot en met 6 genoemde vennootschappen. De stelling dat sprake is van onrechtmatige onttrekkingen uit HGB ten behoeve van JJk Projectontwikkeling B.V., Skin Secret Groothandel B.V., Poort 1893 B.V. en SAV By Poort 1893 B.V. wordt onvoldoende gestaafd door concrete feiten en omstandigheden. Het enkele feit dat de curator in het faillissementsverslag heeft geconstateerd dat onttrekkingen zijn gedaan uit HGB is onvoldoende. Dat J&J Holding bestuurder is van deze B.V.’s, levert ook niet een voldoende aanwijzing op dat sprake is van onttrekkingen ten behoeve van deze vennootschappen. Dat wordt niet anders door de - speculatieve - stelling dat sprake is van een luxe inrichting van de restaurants die zijn ondergebracht in Poort 1893 B.V. en SAV By Poort 1893 B.V. Het lijkt er naar het oordeel van het hof op dat [verzoekers in het incident] zoveel mogelijk gegevens verzoeken in de hoop dat er voor hen iets bruikbaars tussen zit om hun rechtspositie te onderbouwen, zodat op dit onderdeel sprake is van een ‘fishing expedition’ door [verzoekers in het incident] Dat betekent dat het verzoek ten aanzien van voornoemde vier B.V.’s wordt afgewezen.
5.7
Ten aanzien van de bankafschriften van [verweerster in het incident] in privé en van J&J Holding geldt het volgende. [verweersters in het incident] verklaren de in het faillissementsverslag genoemde onttrekkingen met de stelling dat het om bestuurdersvergoedingen aan [bestuurder SH] en [verweerster in het incident] gaat. In zoverre betwisten [verweersters in het incident] dus niet dat [verweerster in het incident] en J&J Holding geldsommen hebben ontvangen van HGB. [verweersters in het incident] betwisten wel dat die bestuurdersvergoedingen onrechtmatig aan hen zijn betaald. Meer concrete aanwijzingen voor onrechtmatige onttrekkingen uit HGB aan [verweersters in het incident] ontbreken. Het hof is dan ook van oordeel dat ook dit deel van het informatieverzoek, te weten afschriften van de bankrekeningen van [verweerster in het incident] in privé en van J&J Holding, zonder nadere toelichting die wijst op onrechtmatige onttrekkingen uit HGB aan [verweersters in het incident] niet proportioneel is. Toewijzing van het verzoek van [verzoekers in het incident] zou immers een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [verweerster in het incident] betekenen. Het voorgaande brengt mee dat ook het verzoek ten aanzien van [verweerster in het incident] en J&J Holding wordt afgewezen.
5.8
Bij het voorgaande komt nog dat niet is toegelicht dat [verzoekers in het incident] de informatie die zij wensen te verkrijgen over de identiteit van de drie in het faillissementsverslag genoemde partijen niet op een andere, minder ingrijpende, manier kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld via de curator. [verzoekers in het incident] hebben weliswaar gesteld dat zij de curator om informatie hebben verzocht, maar zij hebben niet toegelicht wat de reactie van de curator op dit verzoek is geweest. Een nadere toelichting op dit punt mocht wel van [verzoekers in het incident] worden verwacht.

6.Beslissing

Het hof:
in het incident
  • wijst het verzoek van [verzoekers in het incident] af;
  • houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot de einduitspraak;

in de hoofdzaak

  • verwijst de zaak naar de rol van 6 januari 2026 voor het nemen van de memorie van antwoord (in de hoofdzaak) aan de zijde van [verweersters in het incident] ;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, G.C. de Heer en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.