In deze zaak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam, waarin haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling werd afgewezen. Het hof heeft op 4 november 2025 de mondelinge behandeling gehouden, waarbij [appellante] en haar beschermingsbewindvoerder aanwezig waren. De rechtbank had eerder geoordeeld dat [appellante] niet te goeder trouw was geweest in de drie jaar voorafgaand aan haar verzoek, omdat zij een aanzienlijke schuld aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) had opgebouwd door het niet tijdig informeren van de SVB over het overlijden van haar moeder. Dit leidde tot onterecht ontvangen uitkeringen die niet meer beschikbaar waren voor terugbetaling.
In hoger beroep heeft [appellante] betoogd dat de rechtbank de hardheidsclausule had moeten toepassen, gezien haar huidige stabiele financiële situatie onder beschermingsbewind. Het hof heeft vastgesteld dat [appellante] sinds maart 2024 onder bewind staat en dat haar financiële situatie is verbeterd. De bewindvoerder heeft bevestigd dat de communicatie en het budgetbeheer goed verlopen. Het hof oordeelt dat [appellante] de omstandigheden die hebben geleid tot haar schulden onder controle heeft gekregen en dat zij aan de voorwaarden voor de schuldsaneringsregeling voldoet.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit, waarmee [appellante] de kans krijgt om haar schulden op een gestructureerde manier af te lossen.