ECLI:NL:GHDHA:2025:2414

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
200.359.315/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 FwArt. 287a FwArt. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 2 FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek schuldsaneringsregeling na beroep op hardheidsclausule

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank Rotterdam. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat zij onvoldoende aannemelijk achtte dat appellante te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden, met name een schuld aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) die voortkwam uit onterechte AOW- en AOI-uitkeringen na het overlijden van haar moeder.

Appellante voerde aan dat de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro (Fw) toegepast moest worden, onderbouwd met haar beschermingsbewind sinds maart 2024, een stabiele financiële situatie en haar medische en sociaaleconomische omstandigheden. De beschermingsbewindvoerder bevestigde dat het bewind goed verloopt en dat er een sluitend budgetplan is.

Het hof oordeelt dat appellante de omstandigheden die hebben geleid tot haar schulden onder controle heeft gekregen en dat aan de overige voorwaarden van artikel 288 Fw Pro is voldaan. Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toe. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor uitvoering.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toe en vernietigt het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.359.315/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/697073 / FT RK 25/516
Arrest van 4 november 2025
in de zaak van
[appellante],
wonend in [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. P.A. Loeff kantoorhoudend in Barendrecht.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Bij verzoekschrift (met bijlagen) ingekomen op de griffie van het hof op 18 september 2025, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2025, waarbij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Zij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Het hof heeft verder kennis genomen van het door [appellante] nog overgelegde proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025, waarbij zijn verschenen: [appellante], bijgestaan door haar advocaat, en [naam], de beschermingsbewindvoerder van [appellante].

2.De beoordeling van het hoger beroep

2.1
[appellante] heeft op 31 maart 2025, tezamen met een verzoek ingevolge artikel 287a Faillissementswet (Fw) (verzoek tot oplegging van een dwangakkoord), een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft beide verzoeken afgewezen. [appellante] heeft alleen tegen het vonnis tot afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling hoger beroep ingesteld.
2.2
De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw). Daarbij heeft de rechtbank kort gezegd overwogen dat de schuld van € 46.109,61 aan de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) een fraudeschuld is, die is ontstaan doordat [appellante] heeft nagelaten de SVB tijdig en juist te informeren. [appellante] woonde samen met haar moeder die een AOW-uitkering en een Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) ontving. Na het overlijden van haar moeder in oktober 2018 (in Suriname, toevoeging hof) zijn de AOW- en AOI-uitkering gedurende ruim vijf jaar ten onrechte op de gezamenlijke rekening van [appellante] en haar moeder uitbetaald. [appellante] heeft nagelaten de SVB juist en tijdig te informeren over het overlijden van haar moeder en dat valt [appellante] te verwijten, aldus de rechtbank. Daarbij komt dat [appellante] deze onterechte betalingen niet heeft gereserveerd en de bedragen derhalve niet meer beschikbaar waren voor terugbetaling en dat zij niet heeft geprobeerd om een betalingsregeling te treffen met de SVB, maar zich in plaats daarvan direct tot schuldhulpverlening heeft gewend. Volgens de rechtbank zijn er geen feiten en omstandigheden gebleken die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen.
2.3
[appellante] is het niet eens met het vonnis van de rechtbank en vindt dat de rechtbank de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw Pro had moeten toepassen. Ter onderbouwing daarvan heeft zij het volgende aangevoerd. Bij beschikking van 19 maart 2024 is het vermogen van [appellante] onder beschermingsbewind gesteld. Met hulp van de bewindvoerder is de onterechte ontvangst van de AOW-uitkering stopgezet en is een hogere bijstandsuitkering en een hoger bedrag aan huurtoeslag aangevraagd. Ook zijn de inkomsten en uitgaven van [appellante] in balans gebracht. Deze nieuwe financiële situatie bestaat nu al meer dan een jaar en het gaat goed. Met hulp van de beschermingsbewindvoerder worden de vaste lasten tijdig voldaan. [appellante] werkt overal goed aan mee en zij geeft gehoor aan alle verzoeken van de beschermingsbewindvoerder of andere instanties. Ook heeft zij goed meegewerkt aan het schuldhulpverleningstraject. [appellante] is laaggeschoold en kampt sinds haar geboorte met medische klachten (polio). Sinds 1997 ontvangt zij een bijstandsuitkering. Gelet op haar medische situatie, de afwezigheid van werkervaring en haar leeftijd (65 jaar), is er geen reëel vooruitzicht op een inkomensverbetering. Gelet op de hoogte van de schulden is haar situatie uitzichtloos te noemen.
2.4
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het budgetplan van [appellante] rond is, dat haar financiële situatie stabiel is, dat er gespaard wordt voor onvoorziene uitgaven en dat er een betalingsregeling is getroffen met de verhuurder maar dat er daardoor geen financiële ruimte is om gelden te reserveren voor de overige schuldeisers.
2.5
Het hof overweegt als volgt.
2.6
Volgens de verklaring ex artikel 285 lid 1 Fw Pro is sprake van een schuldenlast van € 56.888,99. Daarvan heeft een bedrag van € 46.109,61 betrekking op een schuld aan de SVB. Het hof stelt vast dat [appellante] geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de schuld aan de SVB niet te goeder trouw is ontstaan of onbetaald gelaten. De zaak richt zich in hoger beroep daarom uitsluitend op de vraag of het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw Pro slaagt en zo ja, of aan de overige voorwaarden van artikel 288 lid 1 Fw Pro is voldaan.
2.7
Het hof is van oordeel dat uit de stukken, de ter zitting nader toegelichte omstandigheden van [appellante], en de door de beschermingsbewindvoerder gegeven toelichting op het verloop van het beschermingsbewind, voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw Pro.
[appellante] staat sinds maart 2024 onder beschermingsbewind. De financiële situatie van [appellante] is stabiel en de bewindvoerder heeft bevestigd dat het bewind goed verloopt en de communicatie tussen [appellante] en de bewindvoerder goed is. [appellante] heeft bewezen dat zij kan rondkomen van het haar toegekende weekgeld. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt dan ook.
2.8
Het hof stelt verder vast dat aan de overige voorwaarden uit artikel 288 lid 2 Fw Pro is voldaan. Het is voldoende aannemelijk dat [appellante] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden (sub a), omdat zij leeft van een bijstandsuitkering en het niet de verwachting is dat zij voor haar AOW-gerechtigde leeftijd nog ander inkomen zal verwerven. Gelet op het goede verloop van het beschermingsbewind is ook voldoende aannemelijk dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen (sub b). Het hof zal daarom het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toewijzen.
2.9
Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

3.De beslissing

Het hof:
  • vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2025;
  • spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] uit;
  • verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.B. Plomp, D.A. Schreuder en J.S. Honée, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.