ECLI:NL:GHDHA:2025:2568

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
22-002120-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in de EncroChatzaak met betrekking tot cocaïne uitvoer en voorbereiding moord

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 27 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag. De verdachte, geboren in 1985, was betrokken bij een criminele organisatie die zich bezighield met de uitvoer van cocaïne naar Engeland. De tenlastelegging omvatte onder andere het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden cocaïne en deelname aan een criminele organisatie. De verdachte werd vrijgesproken van een poging tot moord, maar werd wel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar en 6 maanden voor de andere feiten. Het hof oordeelde dat de verdachte een leidende rol had binnen de organisatie en dat er voldoende bewijs was voor zijn betrokkenheid bij de cocaïnehandel. De verdediging voerde aan dat het bewijs, verkregen via EncroChat, onrechtmatig was, maar het hof verwierp deze argumenten. De uitspraak benadrukt de ernst van de drugshandel en de rol van de verdachte binnen de criminele organisatie.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002120-24
Parketnummer: 09-333253-22
Datum uitspraak: 27 november 2025
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
thans gedetineerd in [verblijfplaats]
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder
4 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent het beslag als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 4 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven beslissing tot vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 februari 2024 en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks 27 maart 2020 tot en met 29 mei 2020 te 's-Gravenhage, althans in Nederland en/of Spanje en/of Engeland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 192,5 kilogram en/of 343 kilogram en/of 347 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij in of omstreeks de periode van 27 maart 2020 tot en met 12 juni 2020 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, als oprichter, leider en/of bestuurder heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid,
11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;
3.
hij in of omstreeks de periode van 7 juni 2020 tot en met 12 juni 2020 te Waalwijk, althans in Nederland en/of Spanje en/of Engeland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft gepoogd om een onbekend gebleven perso(o)n(en) (met het alias [alias persoon 1] en/of [alias persoon 2] ), door (een) gift(en), beloften en/of het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen, te bewegen om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven, door:
- die onbekend gebleven persoon een geldbedrag ("5k") te betalen, althans aan die onbekend gebleven persoon een betaling in het vooruitzicht te stellen,
- een foto van die [slachtoffer] en/of adres-/contactgegevens en/of het type auto (BMW 4 serie black M-line) van die [slachtoffer] ter beschikking te stellen/delen,
- te berichten/delen dat die [slachtoffer] op 6 juni 2020 voor het laatst was gezien,
- een motorscooter/elektrische mountainbike, vuurwapen en/of mes ter beschikking te stellen en/of in het vooruitzicht te stellen,
- over de overdracht van die/dat motorscooter/elektrische mountainbike, vuurwapen en/of mes en/of de uitvoering van die moord met die onbekend gebleven persoon af te spreken (verder) te communiceren via Wickr;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 7 juni 2020 tot en met 12 juni 2020 te Waalwijk, althans in Nederland en/of Spanje en/of Engeland tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord c.q. doodslag als bedoeld in de artikelen 289 c.q. 287 van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk voorwerpen en/of informatiedragers, te weten:
- een geldbedrag ("5k"),
- een of meer (encrypted) telefoon(s) met daarop gegevens (foto van het beoogde slachtoffer [slachtoffer] en/of adres-/contactgegevens van die [slachtoffer] en/of gegevens over het type auto (BMW7 4 serie black M-line) waarin die [slachtoffer] reed), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren en 10 maanden, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak feit 3 primair
Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om bewezen te kunnen verklaren dat de verdachte in de periode van
7 juni 2020 tot en met 12 juni 2020 samen met anderen of alleen heeft gepoogd om (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) door middel van uitlokkingsmiddelen te bewegen om [slachtoffer] van het leven te beroven. De verdachte zal dan ook – anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd - van het onder 3 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Rechtmatigheidsverweren en verzoeken tot aanhouding en heropening
De raadsman heeft primair bepleit dat de zich in het dossier bevindende EncroChat-berichten dienen te worden uitgesloten van het bewijs.
Reden hiervoor is dat vanwege de onmogelijkheid om de betrouwbaarheid en rechtmatige verkrijging van bedoelde berichten te toetsen, het EncroChat-bewijs onrechtmatig is verkregen.
De raadsman voert hiertoe - samengevat weergegeven - aan:
De Franse opsporingsdiensten hebben bewijs vergaard buiten de Franse landgrenzen. Volgens jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) (uitspraak van 30 juni 2024) en ook andere Europese rechtspraak (zoals uitspraken van het Franse Cour de Cassation van 17 juni 2025 en 16 september 2025 en andere (appel-) gerechten in Zwitserland en Duitsland) is kennisgeving van die interceptie op het grondgebied van een andere (lid)staat aan de betreffende staat conform artikel 31 van de Richtlijn 2014/41 EU (hierna: EOB-richtlijn) in dat geval noodzakelijk ter bescherming van de soevereiniteit van de betreffende staat en de bescherming van de belangen van de betrokken verdachte. In het geval dat de verdediging hierdoor niet in staat is om het gehanteerde bewijs effectief te beoordelen, dient uitsluiting van dit bewijs plaats te vinden.
Nu in de onderhavige zaak berichten zijn verkregen, afkomstig van een telefoon, waarvan gesteld wordt dat het bij de verdachte in gebruik was en die buiten het grondgebied van Frankrijk zijn onderschept (zoals bijv. in Nederland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk) en de Franse opsporingsdiensten die andere landen niet hebben genotificeerd, is het vertrouwensbeginsel onbruikbaar en dienen die berichten conform die Europese uitspraken te worden uitgesloten van het bewijs. Daarbij geldt dat de tussen Nederland en Frankrijk gesloten JIT-overeenkomst nog niet maakt dat aan de hiervoor bedoelde notificatie is voldaan.
Verder geldt in het EncroChat-onderzoek dat het, met verwijzing naar het Inzetplan 13Werl (een stuk dat zich, aldus de raadsman bevindt in het moederdossier van het onderzoek naar de hack van Sky ECC, waarin staat dat geheimhouderscommunicatie wordt bewaard), ook in het EncroChat-onderzoek voorzienbaar was dat geheimhouders-communicatie onderschept zou worden en er niet tijdig een verzoek bij de Franse onderzoeksrechter is ingediend tot het onderscheppen hiervan, met als gevolg dat er niet conform de Franse regelgeving is gehandeld en het vertrouwensbeginsel daarom geen werking kan hebben.
Ook het verzwijgen van de (grote) betrokkenheid van en schendingen van regelgeving door Europol bij het EncroChat-onderzoek maken dat geen beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, mede gelet op de Europol-verordening.
De mogelijkheid tot controle van verkregen bewijs ontbreekt specifiek, waar het gaat om het gegeven dat de verdediging niet in het bezit is van informatie, waar het openbaar ministerie wél over beschikt. Het gaat hier in het bijzonder om via Chat-X door de politie verkregen informatie inzake locatiegegevens, gekoppeld aan de afzonderlijke EncroChat-berichten. Voor de verdediging is het van belang om te weten uit welke landen die berichten afkomstig zijn.
De EncroChat-berichten zijn niet conform hashwaarden overgedragen, waardoor de betrouwbaarheid niet gecontroleerd en gegarandeerd kan worden. Het hof begrijpt dat de raadsman stelt dat niet valt te controleren in hoeverre de hashwaarden van de door Frankrijk verkregen EncroChat-berichten en de hashwaarden van de daarvan aan Nederland verstrekte kopieën overeen komen.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden.
Hiertoe zijn de volgende redenen aangevoerd:
1e Er dient eerst duidelijkheid te worden verkregen over de uitkomst van de door het Franse Cour de Cassation bij uitspraak van 16 september 2025 gestelde prejudiciële vragen aan het HvJ-EU met betrekking tot onder meer de vraag of de huidige werkwijze ten aanzien van het gebruik van Sky ECC- (en dus ook EncroChat-) berichten in een andere staat (gebaseerd op het vertrouwensbeginsel) voldoende waarborgen biedt voor de verdediging in die andere staat.
2e De verdediging verzoekt toewijzing van de onderzoekswensen, inhoudende te worden geïnformeerd over de vraag of derde landen zijn genotificeerd en voor het geval dat niet zo is, alsnog de locatiegegevens van de betrokken EncroChat-berichten te verkrijgen teneinde de aard, strekking en duur van de schending van het Europees recht vast te stellen.
3e De verdediging verzoekt het hof om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ-EU. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de vraag of een informatie-uitwisseling in het kader van een JIT overeenkomst heeft te gelden als een notificatie in de zin van artikel 31 van Richtlijn 2014/41; verder de vraag of een individuele verdachte een rechtstreeks beroep kan doen op de bescherming van artikel 31 van genoemde Richtlijn als bij de onderschepping is gehandeld in strijd met de nationale wetgeving, hoe genotificeerd moet worden als niet vaststaat in welk land is onderschept of als de te onderscheppen communicatie uit meerdere landen afkomstig is, alsmede of een Nederlander niet bij uitstek tussen wal en schip valt als het gaat om adequate rechtsbescherming omdat Nederland een JIT-land is.
I. Beoordeling van de verwerenTer inleiding van de bespreking van de hiervoor genoemde specifieke verweren, neemt het hof over hetgeen de rechtbank in zijn vonnis onder 3.3.1 met betrekking tot de gang van zaken bij de verkrijging van EncroChat-verweren en onder 3.3.2 met betrekking tot het juridisch kader heeft opgenomen.
Aan onderdeel 3.3.1 voegt het hof voor de volledigheid nog toe dat de concrete aanleiding voor het geven van toestemming door de rechter-commissaris voor het verstrekken van EncroChat-berichten uit het onderzoek 26Lemont aan het onderzoek Kiwi, TCI-informatie en het daaruit voortvloeiend onderzoek met betrekking tot de medeverdachte [medeverdachte 2] betrof. Naar aanleiding van die informatie is op basis van artikel 126nb van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) diens PGP-telefoonnummer achterhaald.
In onderzoek 26Lemont bleek deze PGP-telefoon te koppelen met het account [account 1] . Uit de gesprekken, die via dit account met andere accounts werden gevoerd, bleek een verdenking van het plegen van Opiumwet-delicten en met name van een in Engeland onderschept transport van een hoeveelheid cocaïne.
Hierop is onderzoek Kiwi gestart, in welk onderzoek vanwege de genoemde toestemming van de rechter-commissaris beschikt kon worden over de hierop betrekking hebbende berichten. De verdenking is vervolgens ontstaan dat een aantal van die berichten is toe te schrijven aan een account van de verdachte. Op die berichten richt zich het hiervoor samengevat weergegeven rechtmatigheids- en betrouwbaarheidsverweer.
Voordat het hof daarop nader ingaat, zal het in dit inleidend kader nog een aantal uitgangspunten opnemen, die voor de verdere beoordeling van de verweren (eveneens) in ogenschouw moeten worden genomen.
Het hof stelt met betrekking tot de bescherming van de belangen van de verdachte het volgende voorop. De Nederlandse rechter-commissaris in onderzoek 26Lemont heeft in de beschikking d.d. 27 maart 2020 een aantal voorwaarden gesteld aan het gebruik van EncroChat-berichten in Nederlandse onderzoeken. Het hof noemt in dit verband twee voorwaarden, namelijk de voorwaarde dat de brondataset 26Lemont slechts met door de rechter-commissaris goedgekeurde zoeksleutels (woordenlijsten) mocht worden doorzocht en de voorwaarde dat de op deze wijze samengestelde onderzoeksdataset binnen 2 weken zou worden aangeboden aan de rechter-commissaris om te beoordelen of die dataset niet méér gegevens bevatte dan gelet op de aard en ernst van de verdenking redelijk en noodzakelijk was (proportionaliteit/subsidiariteit).
Het hof overweegt dat met de voorwaarden die door de Nederlandse rechter-commissaris aan de verwerking van de EncroChat-berichten zijn gesteld, de belangen van de verdachte voldoende zijn beschermd.
Ten overvloede overweegt het hof dat het vertrouwensbeginsel een toetsing van de rechtmatigheid van de beslissing van de Franse onderzoeksrechter inhoudende toestemming voor de inzet van de interceptietool verhindert. Dat zou slechts anders kunnen zijn voor zover door een Franse rechter onherroepelijk zou zijn vastgesteld dat (een deel van) de EncroChat-berichten door Frankrijk onrechtmatig is of zijn verkregen, dan wel wanneer zou moeten worden vastgesteld dat het gebruik van de EncroChat-berichten de eerlijkheid van de Nederlandse strafprocedure zou schaden. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is van (een van) de hiervoor genoemde uitzonderingssituatie(s) (ook ambtshalve) niet gebleken.
Ad a. Niet ter discussie in hoger beroep staat dat de EncroChat-berichten, die het hier betreft, in handen zijn gekomen van de Nederlandse politie uit hoofde van een JIT-overeenkomst die de politie in het voorjaar van 2020 is aangegaan met de Franse politie. Ter discussie staat wél, of ten aanzien van die berichten, voor zover die zijn onderschept in andere landen dan de onderscheppende staat (Frankrijk), een kennisgeving aan die andere staten had moeten uitgaan ex artikel 31 EOB-richtlijn. Volgens de raadsman is dit niet gebeurd en dienen die berichten om die reden te moeten worden uitgesloten van het bewijs.
Het hof verwerpt dit verweer. In het kader van genoemde JIT-overeenkomst zijn tussen Nederland en Frankrijk specifieke afspraken gemaakt over het vergaren en permanent met elkaar delen van bewijsmateriaal, waarbij de deelnemers van dat JIT elkaar op de hoogte houden van hun vorderingen. Het uitwisselen van dat bewijs tussen de deelnemers van het JIT behoeft geen andere juridische basis dan de JIT-overeenkomst. Uit de aard der samenwerking was Nederland van het onderscheppen van berichten van toestellen die zich op Nederlands grondgebied bevonden dus op de hoogte (dit is een wezenlijk andere situatie dan de situatie waarin een EU lidstaat zelfstandig informatie onderschept afkomstig van toestellen, die zich bevinden in een andere EU lidstaat, in welk geval in het kader van het overdragen van die berichten aan die andere lidstaat ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek aldaar, een kennisgeving nodig is aan die andere lidstaat. Op die situatie is artikel 31 van de EOB-richtlijn wél van toepassing).
Ook uit de EOB-richtlijn zélf blijkt dat deze richtlijn niet ziet op de samenwerking binnen het verband van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (JIT) (zie de considerans van de EOB-richtlijn onder 8 en ook artikel 3 van de EOB-richtlijn, waarin onder meer staat dat het EOB alle onderzoeksmaatregelen omvat met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring daarin).
Het hof is aldus van oordeel dat voor zover de in Nederland onderschepte berichten zijn verkregen door de Nederlandse politie, de notificatieplicht ex artikel 31 van de EOB richtlijn niet van toepassing is.
Waar het hof echter ten aanzien van Nederland van oordeel is dat de notificatie van Frankrijk aan Nederland vanwege de samenwerking binnen een JIT niet van toepassing is, ligt dit voor de situatie, waarin berichten worden onderschept in derde (lid)staten anders. Voor zover het hier het Verenigd Koninkrijk (in 2020 vanwege Brexit nog net) en Spanje betreft, is in die relatie de EOB-richtlijn wél van toepassing.
Dit betekent dat het niet naleven van de kennisgevingsplicht leidt tot een eventuele schending van de soevereiniteit van de betrokken (lid)staat en tot een mogelijke onregelmatigheid (vormverzuim) jegens verdachten in onderzoeken, die lopen in die derde landen (zoals bijv. in Spanje). Voor een verdachte, in dit geval een Nederlands staatsburger, in een Nederlands onderzoek, die in het kader van dat Nederlands onderzoek zijn verdedigingsbelangen kan uitoefenen, is een eventuele schending van die kennisgevingsplicht aan een derde-land evenwel niet relevant; hij wordt daardoor niet in zijn belangen geschaad.
Tenslotte: de door de raadsman aangehaalde jurisprudentie van het HvJ-EU, de uitspraken van het Cour de Cassation (Frankrijk) en de Zwitserse uitspraken gaan over de situatie waarin door Frankrijk verkregen EncroChat-gegevens van/naar devices op het grondgebied van een andere EU-lidstaat op basis van een EOB worden gedeeld met (weer) een andere EU-lidstaat. Frankrijk heeft de EncroChat-berichten evenwel op basis van de JIT-overeenkomst aan Nederland verstrekt. Nu de gang van zaken die ten grondslag lag aan de door de raadsman aangehaalde uitspraken met betrekking tot het overdragen van bewijs niet overeenkomt met die in de onderhavige zaak, verbindt het hof in de onderhavige zaak geen consequenties aan die uitspraken.
Een en ander leidt er toe dat de onderschepte berichten door het hof niet zullen worden uitgesloten van het bewijs.
Ad b. In de eerste plaats is in de onderhavige zaak, waarbij alleen gebruik is gemaakt van uit het EncroChat-onderzoek verkregen informatie en geen acht is geslagen op Sky ECC-gegevens, niet gebleken van een inzetplan als door de raadsman genoemd. De advocaat-generaal heeft tijdens de behandeling in hoger beroep bovendien verklaard dat in het - overigens
nahet Encrochat-onderzoek verrichte - Sky ECC-onderzoek een andere route is gevolgd dan in de EncroChat-zaak en dat een soortgelijk plan als het inzetplan 13WERL in de EncroChat-zaak niet van toepassing is. Het hof heeft geen reden om niet van de juistheid hiervan uit te gaan.
De mogelijk in de Sky ECC-onderzoeken op grond van genoemd inzetplan bestaande vragen met betrekking tot het bewaren van geheimhouderscommunicatie, zijn in de onderhavige zaak met betrekking tot het EncroChat-bewijs dus niet aan de orde.
Bovendien zijn in de machtiging van de rechter-commissaris van 27 maart 2020 in de zaak 26Lemont (waaruit de EncroChat-berichten die een rol spelen in de onderhavige zaak zijn verkregen) door de rechter-commissaris voorwaarden gesteld, waaronder een voorwaarde omtrent de omgang met geheimhouders. Er is niet van feiten of omstandigheden gebleken, die het vermoeden rechtvaardigen dat in de zaak van de verdachte niet in overeenstemming met die voorwaarde is gehandeld.
Gelet op het bovenstaande en ook overigens ziet het hof geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het bewijs op onrechtmatige wijze is verkregen of onbetrouwbaar zou zijn.
Ad c. Hiervoor heeft het hof het een en ander opgenomen over de start van het onderzoek Kiwi en over de wijze waarop het bewijsmateriaal in het dossier Kiwi is gekomen. Het hof ziet niet in hoe betrokkenheid van Europol bij de JIT, gelet op de eerdere in algemene zin gehanteerde uitgangspunten, de rechtmatigheid van het bewijs in negatieve zin zou kunnen beïnvloeden.
Ad d. De raadsman heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep kunnen beschikken over alle onderschepte data van onderzoek Kiwi. Voorts zijn aan hem door het openbaar ministerie de historische overzichten verstrekt van de accounts die aan de verdachte worden toegeschreven.
De raadsman heeft bevestigd dat deze overzichten ook de locatiegegevens van de verdachte bevatten, welke locatiegegevens voor de raadsman naar zijn zeggen van groot belang zijn voor het te voeren (rechtsmatigheids) verweer. Verder is de raadsman in deze procedure (meermalen) de gelegenheid gesteld om via het programma Hansken de onderschepte berichtgeving nog verder te kunnen onderzoeken op (onder meer) betrouwbaarheid.
Voorts is niet gebleken dat het openbaar ministerie over meer of andere informatie beschikt dan de raadsman of het hof. Het hof komt op dit punt tot de conclusie dat de raadsman de mogelijkheid tot controle heeft gehad met betrekking tot de (betrouwbaarheid) van alle EncroChat-berichten van het dossier. Daarbij geldt dat de raadsman de inhoud van de EncroChat-berichten zoals deze in het dossier zitten, niet concreet heeft betwist.
Ad e. Ook het verweer dat de betrouwbaarheid van de EncroChat-data niet te controleren is, omdat de berichten niet conform hashwaarden zijn overgedragen, treft geen doel. Uit de zich in het dossier bevindende EncroChat-binder blijkt dat de hashwaarden van de van Frankrijk verkregen gegevens zijn gecontroleerd met de in het Nederlandse systeem opgenomen data en dat de hashwaarden overeen komen. Voorts heeft het NFI onderzoek gedaan naar de juistheid van de van Frankrijk ontvangen gegevens door deze data te vergelijken met de data van een aantal in Nederland in beslag genomen PGP-telefoons. Bij dat onderzoek is niet gebleken van onregelmatigheden en zijn geen redenen gevonden om te twijfelen aan de correctheid van de weergave van de berichten. Een verslag van dit onderzoek bevindt zich eveneens in genoemde binder. Ook deze bevindingen geven geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de weergave van de onderschepte berichten te twijfelen.
ConclusieOp grond van het hiervoor onder a. t/m e. besprokene is het hof van oordeel dat er geen enkele reden is om te twijfelen aan de rechtmatigheid dan wel betrouwbaarheid van het bewijs in de vorm van de EncroChat-berichten, zodat van het uitsluiten van het bewijs geen sprake kan zijn.
II. Beoordeling van het subsidiaire verzoek tot aanhouding van de zaakDe raadsman heeft om drie redenen gevraagd de behandeling van de zaak aan te houden.
Ad 1e Met betrekking tot het verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden totdat duidelijkheid is verkregen over de beantwoording van de vragen van het Franse Cour de Cassation aan het HvJ-EU, overweegt het hof dat het hier niet de noodzaak toe ziet.
Zoals hiervoor onder a. weergegeven, betreft de zaak waar het in die procedure over gaat, een andere situatie (geen JIT-overeenkomst) en een ander voorafgaand onderzoekstraject (Sky ECC). De onderhavige zaak en de werkwijze daarin is hier niet mee te vergelijken.
Daarnaast heeft het hof onder a. t/m e. geconcludeerd dat er geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs en voor zover de verweren hierop betrekking hebben, dat er voldoende waarborgen voor de verdediging hebben bestaan om dit bewijs te ‘controleren’.
Ad 2e Hier verzoekt de raadsman om aanhouding, kort gezegd, ter verkrijging van EOB’s en, bij gebrek daaraan, locatiegegevens. Het hof wijst de in dit kader gedane verzoeken af bij gebrek aan noodzaak, waarbij het hof kortheidshalve verwijst naar hetgeen is overwogen met betrekking tot het gebrek aan belang van de verdachte in deze zaak waar het de notificatieplicht met derde-landen betreft. Voorts geldt, als vastgesteld, dat de verdediging reeds over de locatiegegevens beschikt.
Ad 3e Dit verzoek tot het stellen van enkele prejudiciële vragen aan het HvJ-EU, wijst het hof af omdat daarvoor eveneens de noodzaak ontbreekt - kort gezegd op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de JIT als basis voor gegevensuitwisseling en met betrekking tot het gebrek aan belang van de verdachte in deze zaak waar het de notificatieplicht met derde-landen betreft.
ConclusieHet hof wijst alle door de raadsman subsidiair gedane verzoeken af.
III. Verzoek tot heropening van het onderzoekNa sluiting van het onderzoek heeft de raadsman op
18 november 2025 een email met bijlagen naar het hof verzonden met daarin het verzoek het onderzoek te heropenen om de in die email vermelde redenen.
Dit bericht geeft het hof, mede in het licht van het standpunt van de advocaat-generaal dienaangaande, evenwel geen aanleiding het onderzoek te heropenen, nu niet is gebleken dat het onderzoek onvolledig is geweest.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in
of omstreeksde periode van27 maart 2020 tot en met 29 mei 2020
te 's-Gravenhage, althansin Nederland en
/ofSpanje en
/ofEngeland tezamen en in vereniging met
een of meeranderen
, althans alleen,opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en
/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/ofheeftvervoerd
, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer192,5 kilogram en
/of343 kilogram en
/of 347345kilogram
, in elk geval een hoeveelheidvan een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij in
of omstreeksde periode van 27 maart 2020 tot en met 12 juni 2020
te 's-Gravenhage, althansin Nederland, als
oprichter,leider
en/of bestuurderheeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] ,
[medeverdachte 5] ,[medeverdachte 6] en
/of[medeverdachte 7] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid,
10a eerste lid,
11 derde, vijfde lid en/of 11aOpiumwet;
3.
hij in
of omstreeksde periode van 7 juni 2020 tot en met 12 juni 2020
te Waalwijk, althansin Nederland en
/ofSpanje en/of Engeland tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord
c.q. doodslagals bedoeld in
deartikel
en289
c.q. 287van het Wetboek van Strafrecht, opzettelijk voorwerpen en
/ofinformatiedragers, te weten:
- een geldbedrag ("5k"),
-
een of meer (encrypted
)telefoon
(s
)met daarop gegevens (foto van het beoogde slachtoffer [slachtoffer] en
/ofadres-/contactgegevens van die [slachtoffer] en
/ofgegevens over het type auto (BMW7 4 serie black M-line) waarin die [slachtoffer] reed), bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring, waarbij het hof mede verwijst naar de hierna volgende nadere bewijsoverwegingen.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverwegingen
Feiten 1, 2 en 3 subsidiair: algemene overwegingen
I. Identificatie verdachte als gebruiker van de EncroChat-accounts [account 2] , [account 3] en [account 4]
De verdediging heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de gebruiker was van de EncroChat-accounts [account 2] , [account 3] en [account 4] .
Het hof verwerpt dat verweer, evenals de rechtbank, met verwijzing naar de feiten en omstandigheden zoals deze – hierna verkort weergegeven – uit de bewijsmiddelen voortvloeien. Daarbij geldt dat deze feiten en omstandigheden, anders dan de raadsman blijkens zijn pleitnota heeft gedaan, niet op zichzelf staand, maar in onderling verband en samenhang moeten worden bezien en elkaar in die zin dus versterken. Het geheel aan feiten en omstandigheden leidt tot de conclusie dat de verdachte de gebruiker was van genoemde accounts.
Feiten en omstandigheden1. Het account [account 2] is door verschillende van deze andere EncroChat-gebruikers opgeslagen met verwijzingen naar “ [verwijzing 1] ” dan wel als “ [verwijzing 2] ” (tegenaccount [account 5] ) en “ [verwijzing 3] ” (tegenaccount [account 6] ) en “ [verwijzing 4] ” (tegenaccount [account 7] )”. Uit een foto in de politiesystemen blijkt dat de verdachte destijds kaal was. Ook zijn de accounts [account 2] en [account 3] opgeslagen als “ [verwijzing 5] ”, “ [verwijzing 6] ” en “ [verwijzing 7] ” (tegenaccount [account 8] ). Van de verdachte is bekend dat hij in Spanje ( [plaats 1] ) heeft gewoond.
2. Vanaf het account [account 2] is op 3 april 2020 een foto van een vliegveld gestuurd en daarbij gezegd dat hij niet zoveel van Nederland houdt, maar dat hij blij is om [zoon] weer te zien. De verdachte heeft een zoon genaamd [zoon] , geboren op [geboortedatum zoon] 2014.
3. Op 27 maart 2020 is vanaf het account [account 8] aan het account [account 2] een telefoonnummer gevraagd dat de gebruiker van het account [account 8] zou kunnen invullen bij een aanvraag voor de Kamer van Koophandel. [account 2] heeft hierop het nummer [nummer 1] gegeven. Uit onderzoek in de politiesystemen blijkt dat dit nummer gekoppeld kan worden aan de verdachte.
4. Op 22 april 2020 heeft de gebruiker van het account [account 2] aan het account [account 1] bericht dat hij ‘morgen vroeg naar Engeland vliegt’. Op 23 april 2020 heeft de gebruiker van het account [account 2] aan het account [account 1] bericht dat hij die ochtend van [plaats 2] naar [plaats 3] is gevlogen. Dit komt overeen met de door de politie onderzochte vluchtgegevens van de verdachte, waaruit blijkt dat hij op 23 april 2020 naar [plaats 3] is gevlogen, met als vertrektijd 10:30 uur.
5. Op 28 april 2020 heeft de gebruiker van het account [account 2] om 9:56 uur naar het account [account 8] gestuurd dat hij ‘zo gaat vliegen’. Daarnaast heeft de gebruiker van het account [account 2] op 28 april 2020 om 11:06 uur naar het account [account 6] gestuurd dat hij op het vliegveld is. Dit komt overeen met de door de politie onderzochte vluchtgegevens van de verdachte, waaruit blijkt dat hij op 28 april 2020 om 11:30 uur van [plaats 3] naar [plaats 2] is gevlogen.
6. Het account [account 3] is een voortzetting van het eerdere account [account 2] . Dit blijkt onder andere uit een chatbericht van 11 mei 2020, waarin [account 3] aangeeft dat hij “ [verwijzing 1] ” is en dat dit zijn “nieuwe” is. Het account [account 3] is door het tegenaccount [account 5] wederom opgeslagen als “ [verwijzing 2] ” en door het tegenaccount [account 8] als “ [verwijzing 8] ” en door het tegenaccount [account 7] als “ [verwijzing 9] ”, waarbij van belang is dat het account [account 3] sinds mei “nieuw” is.
7. Op 28 mei 2020 heeft de gebruiker van het account [account 3] in een gesprek met de gebruiker van het account [account 9] , welke laatste vroeg “what happened to you”, aangegeven dat hij “een jaar en zeven maanden” in Frankrijk in de gevangenis heeft gezeten voor handel in verdovende middelen en witwassen en dat hij “30k” (het hof begrijpt: € 30.000,-) bij zich had en in juli 2019 weer op vrije voeten kwam. Uit informatie van Europol blijkt dat de verdachte op 7 februari 2018 is aangehouden in Frankrijk in een voertuig met cannabis en € 32.000,- aan contant geld.
8. Het account [account 4] is op zijn beurt een voortzetting van de accounts [account 2] en [account 3] . In dit verband is allereerst van belang dat het wachtwoord dat werd gebruikt voor het account [account 4] ( [wachtwoord] ) overeenkomt met één van de wachtwoorden voor het account [account 2] . De gebruiker van het account [account 4] bericht voorts op 8 juni 2020 aan het account [account 9] “its new one [verwijzing 10] ”. Het tegenaccount “ [account 10] ” heeft het account [account 4] ook opgeslagen als “ [verwijzing 10] ”. Daarnaast geldt dat de gebruiker van een reeds bekend tegenaccount ( [account 7] ) het account [account 4] heeft opgeslagen onder de eerder door die gebruiker voor het account [account 3] gebezigde naam “ [verwijzing 9] ”. Verder is het account [account 4] wederom door een tegenaccount als “ [verwijzing 1] ” opgeslagen.
9. De accounts [account 2] , [account 3] en [account 4] werden opeenvolgend in gebruik genomen en kenden tot op zekere hoogte dezelfde tegenaccounts. Ook dit is een aanwijzing dat genoemde drie accounts bij één en dezelfde persoon in gebruik waren.
Overigens geldt dat bovenstaande feiten en omstandigheden terug te voeren zijn op een drietal processen-verbaal van bevindingen, zodat het verweer van de raadsman dat, zo begrijpt het hof, enkel een zogeheten relaasproces-verbaal deze feiten en omstandigheden zou bevatten, hetgeen voor het bewijs niet toereikend zou zijn, reeds faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Conclusie
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de gebruiker was van de accounts [account 2] , [account 3] en [account 4] . De berichten door die accounts verzonden, zullen daarom aan de verdachte worden toegeschreven.
II. Wettelijk bewijsminimum
De verdediging heeft met betrekking tot de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 onder meer als verweer gevoerd dat – ook als de verdachte door het hof geïdentificeerd wordt als de gebruiker van de EncroChat-accounts [account 2] , [account 3] en [account 4] - het wettig bewijs ontbreekt. Daartoe is aangevoerd dat er slechts bewijs is uit één bron, te weten de onderschepte EncroChat-berichten, waarbij steunbewijs ontbreekt, en derhalve niet aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt voorop dat de EncroChat-berichten in het dossier (telkens) een schriftelijk bescheid zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5o Sv. Uit dat artikel volgt dat dergelijke ‘andere geschriften’ (dan de in het eerste lid onder 1o tot en met 4o genoemde geschriften) ‘alleen kunnen gelden in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen’. Aan bedoeld verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen worden echter geen zware eisen gesteld. Eén (ander) bewijsmiddel kan volstaan en dat bewijsmiddel mag ook weer ‘een ander geschrift’ zijn, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het hof is van oordeel dat de verschillende transcripties van de EncroChat-gesprekken telkens ‘andere geschriften’ in de zin van artikel 344, eerste lid, onder 5o, Sv vormen en daarmee meerdere bewijsmiddelen opleveren die elkaar steunen. Het gaat immers om meerdere gesprekken op verschillende momenten in de tijd en bovendien om gesprekken tussen meerdere gebruikers - zo wisselt de verdachte zelf berichten uit met verschillende gebruikers en bevinden zich in het dossier ook gesprekken tussen andere gebruikers dan de verdachte, welke verschillende gesprekken, voor zover relevant, voor het bewijs gebezigd worden. Daarmee is reeds aan het bewijsminimum voldaan. Daarbij komt dat voor zowel feit 1 en 2 geldt dat ook van ander (steun-)bewijs dan EncroChat-berichten sprake is, waaronder andere geschriften zoals DHL-factuuroverzichten en het resultaat van forensisch onderzoek in Engeland, en processen-verbaal van bevindingen, onder meer met betrekking tot de identificatie van de verdachte, een en ander met verwijzing naar de bewijsmiddelenbijlage.
Het verweer wordt verworpen.
III. Verklaringen [slachtoffer]
Nu het hof de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen niet tot het bewijs zal bezigen, behoeft het door de raadsman gevoerde betrouwbaarheidsverweer geen bespreking. Om diezelfde reden komt het hof evenmin toe aan een beslissing op het verzoek van de verdediging om de recent door [slachtoffer] in Slowakije afgelegde verklaring – die zou bijdragen aan de stelling dat deze getuige onbetrouwbaar is - aan het dossier te doen toevoegen, zoals door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep in voorwaardelijke zin – te weten voor zover het hof de verklaring van [slachtoffer] voor het bewijs zal bezigen - is gedaan.
Feiten 1 en 2: uitvoer/vervoer van cocaïne en criminele organisatie
Aanname cocaïne
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 2 is tenlastegelegd omdat niet kan worden vastgesteld dat hetgeen is uitgevoerd naar Engeland cocaïne heeft bevat. Daartoe heeft de raadsman met betrekking tot het in Engeland deels onderschepte transport aangevoerd dat het Engelse forensische rapport waaruit zou blijken dat het om blokken bevattende “cocaïne-hydrochloride” ging, slechts een schriftelijk bescheid is dat blijkens zijn inhoud niet is bedoeld als wettig bewijsmiddel. Voor de overige twee transporten die volgens het openbaar ministerie zijn geslaagd, geldt dat deze niet zijn onderschept en derhalve niet aan een test zijn onderworpen. Ander bewijs voor het feit dat het om cocaïne zou gaan, is er niet. Daarbij moet ook de Kokosnoot-jurisprudentie worden betrokken. In de Kokosnoot-zaak heeft de Hoge Raad de bewezenverklaring (erop neerkomend dat cocaïne werd ingevoerd) vernietigd.
Inleiding
De verdachte wordt verweten dat hij, verdeeld over drie zendingen, een totaal van 882,5 kilogram cocaïne met anderen naar Engeland heeft uitgevoerd. Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting komt het hof tot de conclusies dat er een transportlijn heeft bestaan vanuit Nederland naar Engeland, dat via die transportlijn in april 2020 twee dummyzendingen naar Engeland zijn verstuurd, dat vervolgens drie zendingen met cocaïne naar Engeland zijn verstuurd en dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij die drie zendingen.
Daartoe overweegt het hof het volgende.
In mei 2020 werd door de politie in Den Haag een strafrechtelijk onderzoek onder de naam Kiwi gestart.
Uit EncroChat-gesprekken die geanalyseerd zijn binnen het onderzoek Kiwi bleek dat op 29 mei 2020 een partij cocaïne in beslag was genomen in Engeland. Op 22 januari 2021 werd naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel door de Engelse politie het onderzoeksdossier
Operation Belshazzarverstrekt.
Onderzoek Operation Belshazzar
Uit dit onderzoeksdossier komt naar voren dat de Engelse politie op 29 mei 2020 informatie had gekregen dat in [plaats 4] een partij verdovende middelen zou worden overgedragen. In [plaats 4] hebben de politieagenten op straat twee voertuigen aangetroffen (een Audi en een Vauxhall Combo) waarin kartonnen dozen zaten. Tevens is een verdachte, genaamd [medeverdachte 8] , aangehouden. In zijn broekzak werd een mobiele telefoon aangetroffen met een SIM-nummer dat overeenkwam met het SIM-nummer van het EncroChat-account [account 11] .
Bij het bedrijf [bedrijf 1] in [plaats 4] werden op dezelfde dag in een unit in het bedrijfsgebouw dozen met toner cartridges, meerdere papieren van DHL, meerdere labels, barcodes en vrachtlabels aangetroffen. Op de labels stond als verzendadres vermeld: [bedrijf 2] , [medeverdachte 3] , [adres 1] , [plaats 5] , Netherlands.
Op 29 mei 2020 is daarnaast een Citroën bestelauto met kenteken [kenteken] doorzocht bij [adres 2] , [plaats 6] . In een geheime ruimte werden dozen met blokken gevonden.
De dozen in de drie voertuigen zijn door de Engelse politie onderzocht. Daaruit kwam naar voren dat er zogenoemde ‘blokken’ in de dozen zaten. Deze waren in de volgende hoeveelheden aangetroffen:
  • 88 blokken in de Vauxhall Combo, gelabeld met ‘P1’;
  • 74 blokken in de Audi, gelabeld met ‘DA’;
  • 49 blokken in de Citroën, gelabeld met ‘W’.
Deze aantallen met de bijbehorende letters komen overeen met de aantallen die genoemd worden in het EncroChat-bericht dat de verdachte op 26 mei 2020 heeft gestuurd aan [medeverdachte 2] en met het chatbericht tussen EncroChat-accounts [account 11] en [account 12] op 28 mei 2020.
Alle 211 blokken bleken volgens het rapport van de forensisch onderzoeker [forensisch onderzoeker] cocaïne-hydrochloride te bevatten.
In dit verband overweegt het hof dat het de stelling van de verdediging, te weten dat uit de in de pleitnota aangehaalde citaten uit het Engelse rapport van de forensisch onderzoeker [forensisch onderzoeker] zou volgen dat de testresultaten niet voor het bewijs in een strafzaak gebruikt zouden mogen worden, niet deelt. De citaten nopen niet tot die conclusie en ook overigens bevat het rapport geen passages die daartoe nopen. Voorts geldt dat dit rapport als schriftelijk bescheid ook naar zijn aard tot het bewijs kan worden gebezigd, als verslag van een deskundige, of als een ander geschrift mits verband houdend met de inhoud van andere bewijsmiddelen, aan welke voorwaarde in de onderhavige zaak is voldaan, met verwijzing naar artikel 344 lid 1 Sv.
Tenslotte overweegt het hof dat het feit dat slechts een deel van de substantie is getest - hetgeen overigens gebruikelijk is – niet in de weg staat aan de bewezenverklaring van uitvoer van genoemd aantal kilo’s van een materiaal bevattende cocaïne.
Op 13 april 2021 hebben vervolgens in het onderzoek Kiwi verschillende doorzoekingen plaatsgevonden. Op het adres van [bedrijf 2] aan de [adres 3] in Den Haag zijn DHL-facturen van de volgende zendingen door [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] [plaats 4] aangetroffen:
  • Factuurnummer [factuurnummer 1] , met datum verzending 20/04/20;
  • Factuurnummer [factuurnummer 2] , met datum verzending 28/04/20;
  • Factuurnummer [factuurnummer 3] , met datum verzending 04/05/20;
  • Factuurnummer [factuurnummer 4] , met datum verzending 18/05/20;
  • Factuurnummer [factuurnummer 5] , met datum verzending 25/05/20.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en EncroChat-account [account 13] op 6 april 2020 via EncroChat hebben gesproken over een transportlijn ('tp system'), waarbij, naast de verdachte, meerdere personen betrokken zijn geweest. De verdachte stelde voor deze transportlijn te delen met [account 13] en een ander en de kosten te delen. Verder werd gesproken over het regelen (‘handle’) en het inpakken (‘pack it’) aan de ene zijde (‘here’: het hof begrijpt uit de context van de berichten: de Nederlandse zijde) en het distribueren door [account 13] en die ander in Engeland. [account 13] stelde daarbij een verdeling van de winst voor.
Op basis van een EncroChat-gesprek tussen [account 2] en [account 11] trekt het hof de conclusie dat er, onder andere door de verdachte, via DHL vanuit [bedrijf 2] aan de [adres 1] in Den Haag, twee dummyzendingen naar [plaats 4] , Engeland zijn verstuurd: één dummyzending op 20 april 2020 en een andere dummyzending op 28 april 2020. Daarbij werd ook gesproken over het regelen van stashauto’s. Op de dag van de tweede dummyzending heeft de verdachte bericht dat er ‘volgende week’ ‘voor het echt’ wordt gegaan. Deze gang van zaken duidt op de voorbereiding van een transportlijn van illegale goederen, bijvoorbeeld verdovende middelen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat vervolgens op 4, 18 en 25 mei 2020 op dezelfde wijze transporten zijn verzonden: pallets met lading die via DHL vanuit Nederland werden verzonden en enkele dagen later in [plaats 4] werden afgeleverd (respectievelijk op 12, 22 en 29 mei 2020):
  • Op 4 mei 2020 is een transport waarbij het, zo leidt het hof uit de bewijsmiddelen af, wat de hoeveelheid betreft om 192,5 kg ging, naar [plaats 4] verzonden.
  • Op 18 mei 2020 werd een tweede transport verzonden, dat op 22 mei 2020 aankwam in [plaats 4] . Dit transport had, zo volgt uit de bewijsmiddelen, een inhoud van 343 kg.
  • Op 25 mei 2020 werd een derde transport met, zo volgt eveneens uit de bewijsmiddelen, 345 kg verzonden, welk transport deels – zoals hierboven beschreven - door de Engelse politie op 29 mei 2020 werd onderschept en waarvan werd vastgesteld dat het daarbij om cocaïne ging.
Het hof ziet aanleiding om aan te nemen dat het bij de twee niet onderschepte transporten in mei 2020 eveneens als bij het onderschepte transport om cocaïne ging. Daartoe overweegt het hof in het bijzonder het navolgende.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de handelwijze van de drie transporten in mei 2020 telkens overeenkomt, dat de EncroChat-gesprekken op elkaar aansluiten, dat van de drie transporten vergelijkbare bescheiden zijn aangetroffen bij [bedrijf 2] , dat na het eerste niet onderschepte transport van 4 mei 2020 werd gecommuniceerd over (verdeling van) grote geldbedragen en dat foto’s van grote geldbedragen werden gestuurd.
Verder blijkt uit het dossier dat de verdachte op
16 april 2020 een foto van een blok cocaïne met de opdruk ‘BSB’ heeft doorgestuurd aan [account 13] , waarbij hij de opmerking schreef “We pay for this piecea 25750”. [account 13] antwoordde hierop met “We should start sending soon” en “The tp will go Monday? Dummies obviously”, waarop de verdachte reageerde met “Yes. And i think the week after max 2 weeks we start real one”. Het hof begrijpt hieruit, in samenhang met de bewijsmiddelen die zien op het onderschepte transport, dat het bij “real one”, juist in tegenstelling tot “dummy’s”, om cocaïne gaat.
Ook komen de afkortingen op de dozen die zijn aangetroffen in het onderschepte transport niet alleen terug in een EncroChat-bericht d.d. 26 mei 2020 van de verdachte over personen die ‘bits’ leveren en in een bericht van de ontvanger aan de Engelse kant van 28 mei 2020, maar ook in een bericht in het kader van een eerder transport, waarin de verdachte op 3 mei 2020 schrijft: "for the delivery and packing its important the bits are marked good so we will have p1 and p2 on boxes written so we know what is for who (…) Willy is W”. Dat met ‘bits’ overigens blokken cocaïne wordt bedoeld, volgt onder meer uit een EncroChat-bericht van 26 mei 2020 tussen de verdachte en [medeverdachte 2] waarin gesproken wordt over ‘50 bits (w on bits)’, ‘75 bits (da on bits)’ en ‘Prada – 117 bits (P1 – 88)’ in combinatie met het aantreffen van dozen met daarop de letters ‘W’, ‘DA’ en ‘P1’ op 29 mei 2020 in Engeland, in welke dozen nagenoeg de hoeveelheid cocaïne is aangetroffen die te herleiden is naar dit chatbericht en het EncroChat-bericht tussen [medeverdachte 8] en [account 12] .
Daarnaast bevat het dossier een EncroChat-gesprek van 31 mei 2020. In dit gesprek tussen [account 3] en EncroChat-account [account 1] ( [medeverdachte 2] ) werd gesproken over het onderschepte transport in Engeland. [account 3] schreef hier dat “dit word overgedragen aan de speciale dienst van de engelse”. [account 1] antwoordde: “ja ja en nee ze kunne nooit bewijzen dat in die andere zendingen wat heeft gezeten” en “Laten we wek voor de zekerheid allemaal andere telneme”.
Daar komt bij dat op camerabeelden van een [bedrijf 1] in [plaats 4] niet alleen op 29 mei 2020, maar ook op 5, 12 en 22 mei 2020 veel activiteiten bij een unit te zien waren, in het bijzonder een man, van wie wordt aangenomen dat het [medeverdachte 8] is, die dozen naar buiten bracht en in een stationwagen laadde. Het SIM-nummer van een bij hem aangetroffen telefoon komt overeen met het SIM-nummer van EncroChat-gebruiker [account 11] , met wie de verdachte meerdere gesprekken over bovengenoemde transporten heeft gevoerd. [medeverdachte 8] is op 29 mei 2020 als bestuurder van een van de genoemde voertuigen met daarin cocaïne aangehouden, terwijl hij kwam uit de richting van de genoemde unit.
Bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, duiden er naar het oordeel van het hof op dat ook op 4 en 18 mei 2020 transporten met blokken cocaïne zijn verzonden.
Het hof merkt in dit verband op dat een aantal medeverdachten bij onherroepelijke arresten van het hof van 20 november 2024 eveneens veroordeeld zijn voor de uitvoer van hiervoor genoemde partijen cocaïne, te weten [medeverdachte 1] (22-003085-22), [medeverdachte 3] (22-003116-22) en [medeverdachte 4] (22-002981-22).
Ten slotte overweegt het hof in dit verband dat de vergelijking met het Kokosnoot-arrest (HR 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1300), waarop door de verdediging een beroep is gedaan, naar het oordeel van het hof niet opgaat. De feiten in de zaak tegen de verdachte zijn met de feiten die speelden in het Kokosnoot-arrest niet te vergelijken.
Het verweer wordt verworpen.
Voorts met betrekking tot feit 1: uitvoer/vervoer van cocaïne
Medeplegen
Naar het oordeel van het hof kan de verdachte als medepleger worden aangemerkt. Daartoe overweegt het hof het volgende.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof met betrekking tot het medeplegen van de verdachte bij feit 1 het volgende af.
Er zijn in totaal twee dummyzendingen zonder en drie zendingen met cocaïne naar [plaats 4] verstuurd via de transportlijn in de tenlastegelegde periode. De verdachte heeft daarbij een initiërende en leidende rol gespeeld. Hij heeft bijvoorbeeld op 6 april 2020, na overleg met ‘T’ en ‘D’, contact met [account 13] opgenomen over het (her)starten van een transportlijn naar Engeland. In dat gesprek wordt een plan uiteengezet voor, wat later blijkt, het vervoeren van cocaïne. Ook wordt de verdachte bijvoorbeeld door [medeverdachte 9] gevraagd of anderen hun transportlijn mogen gebruiken, waarop hij instemmend reageert. Hij stemt met [medeverdachte 9] het gebruik van het e-mailadres van [bedrijf 2] af en hij stuurt [medeverdachte 4] aan in het gereedmaken van de eerste dummyzending. Uit gesprekken van 6 april 2020 en 3 mei 2020 blijkt dat [medeverdachte 7] (mede) door de verdachte wordt aangestuurd in zijn rol in de transporten, evenals [medeverdachte 6] , over wie [medeverdachte 2] en de verdachte op 16 mei 2020 bespreken dat hij (‘ [medeverdachte 6] ': [medeverdachte 6] dus) geld moet ophalen. De verdachte wordt ook steeds geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot het transport en is samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] betrokken bij de financiële afhandeling. Hij is de schakel tussen de Engelse kant en de Nederlandse kant. Als een transport onderweg is, is het in vier van de vijf gevallen de verdachte die van [medeverdachte 8] de DHL-code krijgt toegestuurd en het is geregeld de verdachte die (onder andere met de term 'happy days’) bij [medeverdachte 2] aankondigt dat de zending in Engeland is aangekomen. Het is ook de verdachte die als eerste aan de Nederlandse kant op de hoogte lijkt te zijn van het feit dat de derde zending met cocaïne in [plaats 4] (deels) is onderschept. Tekenend voor de positie van de verdachte bij het organiseren van de zendingen cocaïne acht het hof ook de verdeling van de winst. Uit het gesprek van 6 april 2020 tussen de verdachte en [account 13] volgt dat vier van de vijf betrokkenen die meedelen in de winst ieder één zesde deel krijgen. De verdachte heeft als enige recht op het dubbele, één derde, omdat hij kennelijk een belangrijke positie inneemt aan zowel de Nederlandse kant als de Engelse kant van de lijn.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De verdachte gold met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als het brein achter de transporten en was betrokken bij de (her)start van de lijn, het nemen van belangrijke beslissingen, het aansturen van anderen, het onderhouden van contact met de Engelse tak van de transportlijn en het regelen van de financiële afhandeling van de zendingen. De verdachte heeft daarmee een intellectuele bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Het tenlastegelegde medeplegen is daarmee bewezen. Voor het vaststellen van de pleegperiode volgt het hof de tenlastelegging. De EncroChat-berichten die gaan over de transportlijn dateren immers van die periode.
Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de uitvoer van in totaal 880,5 kilogram cocaïne naar Engeland en, in het verlengde daarvan, het medeplegen van het vervoeren van deze hoeveelheid cocaïne.
Voorts met betrekking tot feit 2: criminele organisatie
Door de verdediging is voorts verzocht de verdachte vrij te spreken van feit 2 omdat niet gesproken kan worden van een samenwerkingsverband met enige duurzaamheid en structuur, er geen sprake is van het oogmerk om misdrijven te plegen en evenmin blijkt van een leidinggevende rol van de verdachte.
Onder feit 2 is bewezenverklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie - waaraan ook anderen (in het onderzoek Kiwi) hebben deelgenomen - die tot doel had om strafbare feiten te plegen zoals bedoeld in artikel 10 van de Opiumwet (hierna: OW). Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 11b OW, welk artikel een zogenoemde lex specialis vormt van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie met betrekking tot de vereisten voor bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie, overweegt het hof het volgende.
Duurzaam samenwerkingsverband en oogmerk
Zoals in het voorgaande onder feit 1 is overwogen acht het hof bewezen dat de verdachte, samen met diverse anderen in het onderzoek Kiwi, zich schuldig heeft gemaakt aan het meermalen uitvoeren van cocaïne vanuit Nederland naar Engeland en in dat kader ook aan het vervoeren van die cocaïne.
Hieruit kan reeds worden afgeleid dat sprake was van een samenwerking tussen de verdachte en anderen. Deze samenwerking was ook intensief. Uit de EncroChat-berichten blijkt dat veelvuldig overleg plaatsvond tussen de verdachte en andere personen, waarbij de verdachte deze anderen aanstuurde en een bepalende rol had. Er was sprake van een duidelijke onderlinge taakverdeling, waarbij de verdachte, samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , de opdrachten gaf en anderen deze uitvoerden.
De samenwerking was ook duurzaam en bestendig. De bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden gedurende twee maanden, te weten van 27 maart 2020 tot en met 29 mei
2020, waarbij sprake was van nauwe afstemming van de planmatige activiteiten, binnen (nagenoeg) steeds dezelfde verdachtengroep. Er was ook sprake van een structuur en een bepaalde hiërarchie en rolverdeling binnen de organisatie, waarover hierna meer.
Wanneer deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden bezien is het hof, mede in het licht van de overige bewijsmiddelen, van oordeel dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, met als oogmerk het plegen van misdrijven strafbaar gesteld in artikel 10 jo artikel 2 OW.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat van de criminele organisatie - in elk geval - deel hebben uitgemaakt: de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] . Het hof wijst in dit verband ook op de onherroepelijke veroordelingen voor deelname aan deze criminele organisatie in de zaken van een aantal medeverdachten, te weten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] .
Leidende rol
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , een leidende en coördinerende rol had binnen de criminele organisatie. Het hof verwijst in dit verband allereerst naar de overwegingen in dit arrest terzake medeplegen. In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende. In het EncroChat-bericht van de verdachte aan [account 13] van 6 april 2020 geeft de verdachte aan dat hij met ‘T and D’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) een ‘tp system’ (het hof begrijpt: een transport system) heeft dat hij al 7 jaar in gebruik heeft. Voorts bespreken de verdachte en [medeverdachte 2] de financiële afhandeling van de eerste twee echte transporten, waarbij wordt vermeld wie hoeveel moet betalen, hoeveel pallets ze willen transporteren, wat de prijzen voor het transport zijn, wat ze betalen aan de overige leden van de organisatie voor hun werkzaamheden en hoe de uiteindelijke winst verdeeld wordt.
Hieruit volgt dat de verdachte mede de beslissingen nam en bepaalde wie wat in de organisatie moest regelen.
De verdachte was daarnaast degene die contact had met de Engelse tak van de transportlijn. Hij heeft met hen het delen van de transportlijn besproken en onderhandeld over de kosten en de winst. Daarnaast werd hij steeds op de hoogte gehouden van het verloop van het transport (door middel van het ontvangen van een DHL-code) en de aankomst van de drugstransporten. Verder deelde de verdachte als enige Nederlander ook mee in de winst aan Engelse zijde: hiervoor ontving hij ook l/3de van de aan de Engelse kant vallende winst. De drie Nederlandse leiders kregen ieder l/3de deel van de winst aan Nederlandse zijde. De verdachte had dus het grootste aandeel in de totale winst, zijnde 1/3de deel.
De verdachte was óók degene die – aan de Nederlandse zijde - als eerste ervan op de hoogte raakte dat in Engeland een deel van het transport was onderschept. Hij informeerde daarop meteen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en ondernam actie. De verdachte hield zich daarnaast, samen met [medeverdachte 2] , bezig met het regelen van cryptotelefoons en stashauto’s. De verdachte maakte, net als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , gebruik van PGP-telefoons en EncroChat om met leden van de organisatie te communiceren.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte, qua hiërarchie in de criminele organisatie, een essentiële, leidende rol vervulde.
De verweren van de verdediging met betrekking tot het bewezenverklaarde onder 2 - deelname aan een criminele organisatie - worden verworpen.
Feit 3 subsidiair: voorbereiding moord
Uit de zich in het dossier bevindende EncroChat-berichten, in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte [slachtoffer] verantwoordelijk hield voor het onderscheppen van het cocaïnetransport in Engeland. In de berichten wordt, samengevat, besproken dat [slachtoffer] ‘geregeld’ moest worden, dat ‘iemand hem komt doen’, dat hiervoor een vuurwapen en een mes nodig waren en dat hij dan ‘
gone’zou zijn en ‘niet meer komt’. Gelet op met name deze bewoordingen staat naar het oordeel van het hof vast dat het de bedoeling was om [slachtoffer] om het leven te brengen. De verdachte zou hiervoor een gestolen motorscooter of elektrische mountainbike, een vuurwapen en een mes regelen. Daarnaast heeft de verdachte aan [account 14] gevraagd om een foto van [slachtoffer] en zijn adres- en contactgegevens. Na ontvangst hiervan heeft de verdachte deze foto en gegevens alsmede het type auto van [slachtoffer] naar een onbekend gebleven persoon ( [account 13] ) doorgestuurd, die het vervolgens zou delen met de uitvoerder van de moord ( [alias persoon 1] of [alias persoon 2] ). In de berichten komt verder naar voren dat [account 13] aan [alias persoon 1] “5k” zou geven voor de uit te voeren moord. Het is een feit van algemene bekendheid dat “k” voor het getal 1.000 staat. Gezien de context van de hierop betrekking hebbende EncroChat-berichten is het hof – anders dan de raadsman – van oordeel dat het niet anders kan dan dat het hier om een geldbedrag van € 5.000,- gaat.
Gelet op de inhoud van genoemde berichten en het veelvuldige contact tussen de verdachte en [account 13] was naar het oordeel van het hof sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen beiden. [slachtoffer] is uiteindelijk niet om het leven gebracht, waardoor het enkel bij voorbereidende handelingen is gebleven.
Voor zover de raadsman heeft bepleit dat bedoelde voorbereiding niet uit de bewijsmiddelen volgt, wordt dat verweer, met verwijzing naar bovenstaande in samenhang met de bewijsmiddelenbijlage, in al zijn onderdelen verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet.
Kwalificatie- en strafuitsluitingsgrond
Feiten 1 en 2
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is voor genoemde feiten dus strafbaar.
Feit 3
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde heeft de raadsman subsidiair een beroep gedaan op vrijwillige terugtred als bedoeld in artikel 46b Sr, zodat de verdachte ter zake van dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Artikel 46b Sr luidt dat voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.
Zoals hiervoor reeds is overwogen acht het hof bewezen dat de verdachte in de periode van 7 juni 2020 tot en met 12 juni 2020 samen met anderen een moordaanslag op [slachtoffer] heeft voorbereid in feitelijke zin. Vast staat dat het grondmisdrijf (moord) niet is voltooid. Uit het dossier – dat ten aanzien van dit feit uitsluitend bestaat uit verschillende EncroChat-berichten - volgt niet op grond van welke omstandighe(i)d(en) het initiële plan is afgeblazen. In het dossier bevinden zich immers geen EncroChat-berichten van na 12 juni 2020, de datum waarop het bedrijf EncroChat middels een pushbericht aan alle gebruikers kenbaar heeft gemaakt dat de servers mogelijk gehackt waren, met het advies om het toestel zo spoedig mogelijk uit te zetten en weg te gooien, terwijl de moord nadien, als reeds vastgesteld, niet is volbracht. De verdachte en zijn mededaders communiceerden - zoals blijkt uit de EncroChat-berichten - ook op andere wijze via Sky en/of Wickr. Blijkens het dossier is geen onderzoek verricht naar (de inhoud van) die berichtgeving. Nu niet is gebleken dat het grondmisdrijf uitsluitend wegens externe, van de wil van de verdachte onafhankelijke, omstandigheden niet is voltooid en niet kan worden uitgesloten dat de verdachte vrijwillig is teruggetreden, is het hof van oordeel dat het feit niet als strafbaar feit kan worden gekwalificeerd en de verdachte om die reden in zoverre straffeloos dient te blijven. De verdachte zal ten aanzien van feit 3 subsidiair dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het driemaal op grote schaal exporteren van cocaïne naar Engeland, met een totaal gewicht van 880,5 kilo. Dit deed hij samen met anderen, binnen een georganiseerd crimineel verband.
De verdachte behoorde samen met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] tot de bovenlaag van de criminele organisatie. De verdachte had, samen met hen, een leidende en coördinerende rol. Zo nam hij mede belangrijke beslissingen betreffende de organisatie, beheerde hij mede de financiën met betrekking tot de transporten en onderhield hij contact met de Engelse tak van de transportlijn. De verdachte regelde daarnaast, samen met [medeverdachte 2] , cryptotelefoons en stashauto’s. Voorts heeft de verdachte samen met anderen voorbereidingen getroffen om [slachtoffer] , die verantwoordelijk werd gehouden voor het onderscheppen van het cocaïnetransport in Engeland, om het leven te laten brengen. Hoewel die voorbereidingshandelingen als zodanig niet strafbaar zijn en deze de verdachte niet worden aangerekend, met verwijzing naar het hiervoor overwogene ten aanzien van feit 3, komt uit de bewijsmiddelen een “hard” beeld naar voren van de verdachte en diens wijze van opereren binnen het criminele samenwerkingsverband.
De verdachte heeft voorts met zijn handelen een belangrijke bijdrage geleverd aan de (instandhouding van) de handel in cocaïne, een verslavende en voor de gezondheid schadelijke stof. Er gaat buitengewoon veel geld om in de drugshandel, waardoor de (financiële) belangen van daders vaak groot zijn. Boven- en onderwereld raken zo ook steeds meer met elkaar vermengd. Daarnaast gaat de drugshandel veelal gepaard met aanpalende, soms gewelddadige, criminaliteit. Handelingen die mede tot doel hebben harddrugs op de markt te brengen, dienen daarom streng te worden bestraft.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
29 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten.
De op te leggen straf
In het bijzonder gelet op de ernst van de feiten en de hiervoor genoemde omstandigheden kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Enerzijds dient dit als vergelding. Anderzijds heeft het opleggen van zware straffen tot doel om de verdachte zelf en ook anderen ervan te weerhouden zich met de georganiseerde drugscriminaliteit in te laten.
Het hof heeft gelet op de straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Het hof houdt in strafverzwarende zin rekening met de leidinggevende rol die de verdachte binnen de criminele organisatie en bij de uitvoer van de cocaïne had.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormt.
Het hof zal in strafmatigende zin rekening houden met de detentieomstandigheden van de verdachte gedurende de tijd die hij in Dubai in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof is – met de rechtbank - van oordeel dat van het openbaar ministerie in deze zaak meer had kunnen worden verwacht om de uitlevering van de verdachte naar Nederland, met welke uitlevering hij van meet af aan had ingestemd, te bespoedigen. De verdachte heeft in eerste aanleg en in hoger beroep uitvoerig toegelicht hoe erbarmelijk de detentieomstandigheden in Dubai waren. In die detentieomstandigheden ziet het hof aanleiding om de in beginsel passend en geboden geachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf te verminderen met vier maanden.
Het hof stelt voorts vast dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de als redelijk te beoordelen termijn van 16 maanden. De termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden, nu tussen de datum van aanhouding van de verdachte op
11 oktober 2021 en de datum van het eindvonnis op 12 juni 2023 meer dan 16 maanden zijn verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt vier maanden.
De termijn van berechting in hoger beroep is eveneens overschreden, nu tussen de datum van het instellen van het hoger beroep op 17 juni 2024 en de datum van dit eindarrest meer dan 16 maanden zijn verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt ruim één maand.
In de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn ziet het hof, tegen de achtergrond van de duur van de procedure als geheel, aanleiding om de in beginsel passend en geboden geachte onvoorwaardelijke gevangenisstraf te verminderen met twee maanden.
Het voorgaande maakt dat het hof in plaats van de overwogen gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest, een gevangenisstraf van de duur van acht jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest, zal opleggen.
Bij de uitvoering van de op te leggen gevangenisstraf dient de tijd die de verdachte in Dubai in uitleveringsdetentie en in Nederland in detentie heeft doorgebracht geheel in mindering te worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat ten aanzien van de inbeslaggenomen telefoon de bewaring ten behoeve van de rechthebbende zal worden gelast.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven telefoon zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu onvoldoende kan worden vastgesteld aan wie dit voorwerp toebehoort.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder
3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Verklaart het onder
3 subsidiair bewezenverklaarde niet strafbaar, en
ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest, waaronder begrepen de tijd die door de verdachte in Dubai in uitleveringsdetentie, is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: [omschrijving telefoontoestel] , [nummer 2] , Zwart, merk: Apple).
Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Plugge, als voorzitter, mr. W.A.G.J.W. Ferenschild en mr. C.H.M. Royakkers, leden, in bijzijn van de griffier mr. M. Bazuin.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 november 2025.