In deze zaak heeft verzoekster, gevestigd in Polen, het Gerechtshof Den Haag verzocht om een voorlopig getuigenverhoor. Dit verzoek is gedaan in het kader van een lopende procedure waarin verzoekster octrooien en octrooiaanvragen in mede-eigendom eist van verweerster, Napiferyn Biotech SP.Z.O.O., eveneens gevestigd in Polen. De Opeisingsprocedure is aanhangig gemaakt na een vonnis van de Rechtbank Den Haag van 15 mei 2024, waarin de vorderingen van verzoekster zijn afgewezen. Verzoekster wenst bewijs te verzamelen ter ondersteuning van haar standpunt in deze procedure.
Het hof heeft het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor beoordeeld en geconcludeerd dat verzoekster niet-ontvankelijk is. Dit is gebaseerd op artikel 196 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat bepaalt dat een voorlopig getuigenverhoor niet kan worden verzocht als de bodemprocedure al op de rol is ingeschreven. Aangezien de Opeisingsprocedure op 20 augustus 2024 op de rol is ingeschreven, is er geen wettelijke grondslag voor het verzoek van verzoekster. Het hof heeft verzoekster als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die zijn begroot op € 2.606,-.
De mondelinge uitspraak is gedaan op 12 december 2025 door de rechters in aanwezigheid van de griffier. Het hof heeft de beslissing om verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren en haar te veroordelen in de kosten van de procedure, met een duidelijke uitleg over de toepasselijkheid van het nieuwe bewijsrecht en de voorwaarden voor het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor.