ECLI:NL:GHDHA:2025:2756

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
200.348.896/01 & 200.348.896/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de aandelen van de DGA

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 17 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen de man en de vrouw. De man had hoger beroep ingesteld tegen eerdere beschikkingen van de rechtbank Den Haag, waarin onder andere de verdeling van de aandelen in drie vennootschappen was geregeld. De rechtbank had bepaald dat de man de aandelen in deze vennootschappen, ter waarde van € 4.675.925,-, aan hem waren toegedeeld onder de verplichting om de helft van deze waarde aan de vrouw te voldoen. De man was het niet eens met deze waardering en stelde dat de aandelen geen waarde meer vertegenwoordigen, aangezien een van de vennootschappen failliet was verklaard en de andere vennootschappen geen activiteiten meer verrichtten. De vrouw voerde aan dat de man wanbeleid had gepleegd en dat de aandelen aan haar moesten worden toegedeeld zodat zij zelf onderzoek kon doen naar het bestuur van de vennootschappen. Het hof heeft geoordeeld dat de aandelen aan de vrouw moeten worden toegedeeld tegen de waarde nihil, omdat de man niet meer van plan is om activiteiten in de vennootschappen te ondernemen en de vrouw als enig aandeelhouder kan onderzoeken of er sprake is van onbehoorlijk bestuur. Het hof heeft ook de vorderingen van de man op andere vennootschappen in de huwelijksgemeenschap erkend en de overige verzoeken van partijen afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.348.896/01 en 200.348.896/02
rekestnummer rechtbank : FA RK 22-4727
zaaknummer rechtbank : C/09/632615
beschikking van de meervoudige kamer van 17 december 2025
[de man] ,
geschreven op de bestreden beschikking als: [de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. S. Smeets,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. C.G.A. van Stratum te Den Haag.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 26 april 2024 en van 12 september 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikkingen).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De man is op 9 december 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikkingen. Tevens heeft hij een verzoek in incident gedaan.
2.2
De vrouw heeft op 13 februari 2025 een verweerschrift tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep, tevens houdende een vermeerdering van haar verzoek ingediend.
2.3
De man heeft op 28 maart 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
  • een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlagen) van 9 april 2025, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlagen) van 3 november 2025, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de vrouw (met bijlagen) van 4 november 2025, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de man (met bijlagen) van 7 november 2025;
  • een e-mail van de zijde van de man (met bijlage) van 13 november 2025;
  • twee journaalberichten en een e-mail van de zijde van de man (met bijlagen) van 13 november 2025, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 13 november 2025;
  • een e-mail van de zijde van de vrouw van 14 november 2025;
  • een journaalbericht van de zijde van de man van 14 november 2025.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 14 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- mr. S. Smeets en mr. C.F.T. Hegger namens de man, die niet aanwezig was;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- mr. R.C. Post (advocaat-stagiair bij het kantoor van mr. Van Stratum) als toehoorder.
2.6
Mr. Smeets en mr. Van Stratum hebben beiden tijdens de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn op [huwelijksdatum] 2017 met elkaar getrouwd te [huwelijksplaats] , in de gemeente [gemeente] . Op het huwelijksvermogen van partijen is het regime van de wettelijke algehele gemeenschap van goederen van toepassing.
3.3
De huwelijksgemeenschap is ontbonden op 14 juli 2022, door indiening van het echtscheidingsverzoekschrift.
3.4
Bij beschikking van 25 juli 2023 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken, beslist op de nevenverzoeken waaronder de verdeling van het huwelijksvermogen, en onder meer de beslissing ten aanzien van de verdeling van de aandelen in [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] aangehouden.
3.5
De echtscheiding is op 20 november 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .
3.6
De man heeft principaal hoger beroep ingesteld tegen meerdere eindbeslissingen in de beschikking van 25 juli 2023 en de vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen meerdere eindbeslissingen in deze beschikking. De zaak heeft bij het hof de volgende zaaknummers gekregen: 200.334.532/01 en 200.334.532/02. Het hof Den Haag heeft op 29 januari 2025 beschikking gewezen. Daartegen is inmiddels beroep in cassatie ingesteld.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden tussenbeschikking van 26 april 2024 heeft de rechtbank een onderzoek door een deskundige bevolen ten aanzien van de reële waarde in het economisch verkeer van de aandelen van [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] De rechtbank heeft tevens bepaald dat de man binnen drie weken na ontvangst van de factuur het voorschot voor het deskundigenonderzoek ad € 15.600,- aan de deskundige moet betalen, bij gebreke waarvan de vrouw de rechtbank kan verzoeken een beschikking af te geven.
4.2
De man heeft het voorschot niet betaald. Vervolgens heeft de rechtbank op 12 september 2024 de bestreden (eind)beschikking gewezen.
4.3
Bij de bestreden (eind)beschikking heeft de rechtbank in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap voor het overige bepaald dat aan de man worden toegedeeld, de aandelen van de man in [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] (hierna gezamenlijk te noemen: de vennootschappen) ter waarde van € 4.675.925,- onder de verplichting de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen. De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte afgewezen.
4.4
De man richt in het incident een grief tegen de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring, en in het principaal hoger beroep richt hij grieven tegen het bevel tot deskundigenonderzoek naar de waarde in het economisch verkeer van de aandelen in de vennootschappen, tegen de beslissing dat de man het voorschot voor het deskundigenonderzoek moest betalen, tegen de aan de deskundigen te stellen vragen, tegen de waardering van de aandelen en tegen enkele overwegingen van de rechtbank. De man verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende in het incident te bepalen zoals hieronder weergegeven als verzoeken A, D, H, L en O en in het principaal hoger beroep te bepalen zoals hieronder weergegeven als verzoeken B, C, E, F, G, I, J, K, M, N, P en Q:
“Primair:
A. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 12 september 2024 te vernietigen en/of wijzigen, in die zin dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt geschorst voor de duur van[de]
procedure.
B. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 26 april 2024 te wijzigen voor wat betreft het bevolen deskundigenonderzoek naar de waarde van de vennootschappen, en te bepalen dat geen deskundigenonderzoek noodzakelijk is, nu de waarde van de vennootschappen reeds voldoende duidelijk is, zijnde nihil.
C. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 12 september 2024 te wijzigen, en te
bepalen dat aan de vrouw worden toegedeeld de aandelen in [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] ter waarde van € 0,00.
Subsidiair:
D. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 12 september 2024 te vernietigen en/of wijzigen, in die zin dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt geschorst voor de duur van[de]
procedure.
E. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 26 april 2024 te wijzigen voor wat betreft de betaling van de voorschotkosten van het deskundigenonderzoek, en te bepalen dat de vrouw de meest gerede partij is om gelden vrij te maken ten behoeve van de betaling van (het voorschot van) de deskundige.
F. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 26 april 2024 te wijzigen voor wat betreft de vraag, in welke mate de vennootschappen verhaal bieden voor de vorderingen die [crediteur] heeft op een of meerdere vennootschappen, en te bepalen dat deze vraag wel aan de deskundige wordt voorgelegd.
G. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 12 september 2024 te wijzigen, en te
bepalen dat aan de vrouw worden toegedeeld de aandelen in [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] voor de door de deskundige vastgestelde waarde.
Meer subsidiair:
H. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 12 september 2024 te vernietigen
en/of wijzigen, in die zin dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt geschorst voor de
duur van[de]
procedure.
I. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 26 april 2024 te wijzigen voor wat betreft de betaling van de voorschotkosten van het deskundigenonderzoek, en te bepalen dat partijen bij helfte de (voorschot)kosten van de deskundige dienen te voldoen.
J. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 26 april 2024 te wijzigen voor wat betreft de vraag, in welke mate de vennootschappen verhaal bieden voor de vorderingen die [crediteur] heeft op een of meerdere vennootschappen, en te bepalen dat deze vraag wel aan de deskundige wordt voorgelegd.
K. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 12 september 2024 te wijzigen, en te
bepalen dat aan de vrouw (of de man) worden toegedeeld de aandelen in [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] voor de door de deskundige vastgestelde waarde.
Nog meer subsidiair:
L. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 12 september 2024 te vernietigen en/of wijzigen, in die zin dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt geschorst voor de duur van[de]
procedure.
M. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 26 april 2024 te wijzigen voor wat betreft het bevolen deskundigenonderzoek naar de waarde van de vennootschappen, en te bepalen dat geen deskundigenonderzoek noodzakelijk is.
N. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 12 september 2024 te wijzigen, en te bepalen dat zowel aan de man als de vrouw wordt toegedeeld de helft van de aandelen in [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] .
Nog meer subsidiair:
O. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 12 september 2024 te vernietigen en/of wijzigen, in die zin dat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt geschorst voor de duur van[de]
procedure.
P. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 26 april 2024 te wijzigen voor wat betreft het bevolen deskundigenonderzoek naar de waarde van de vennootschappen, en te bepalen dat geen deskundigenonderzoek noodzakelijk is, nu de waarde van de vennootschappen reeds voldoende duidelijk is, zijnde nihil.
Q. De beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage d.d. 12 september 2024 te wijzigen, en te bepalen dat de aandelen in [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] onverdeeld blijven.”
4.5
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man in het incident en in het principaal hoger beroep. Zij vindt dat het incident en het principaal hoger beroep van de man moeten worden afgewezen.
4.6
De vrouw richt in het incidenteel hoger beroep voorwaardelijke grieven tegen de peildatum voor de waardering van de aandelen in de vennootschappen en tegen de aan de deskundige te stellen vragen, en daarnaast richt zij een grief tegen de gehele beslissing omdat zij haar verzoek vermeerdert. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen onder (in het incident) afwijzing van het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en verzoekt in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (tevens houdende vermeerdering verzoek) als volgt:
“1. De bestreden beschikking d.d. 26 april 2024 te vernietigen voor wat betreft de peildatum en de vraagstelling aan de deskundige, en opnieuw rechtdoende
• [deskundige] van [adviesbureau] te benoemen tot deskundige
• Een onderzoek te bevelen door deze deskundige, waarbij een oordeel gevraagd wordt
over het volgende:
1. Wat is per peildatum 14 juli 2022 de reële waarde in het economisch verkeer van de aandelen in de volgende vennootschappen (inclusief eventueel daarvan deel uitmakende deelneming(en)):
[vennootschap 1]
[vennootschap 2]
[vennootschap 3]
2. In welke mate bieden de vennootschappen verhaal per de peildatum voor de vordering die [crediteur] per de peildatum heeft op een of meerdere Vennootschappen;
3. Zijn de deskundige tijdens het onderzoek nog andere zaken gebleken die van belang kunnen zijn voor de beoordeling?
2. Te bepalen dat de man binnen twee weken na de in deze te wijzen tussenbeschikking een boedelbeschrijving in het geding dient te brengen met een beschrijving van het op zijn naam staande vermogen per peildatum, waaronder doch niet uitsluitend alle bankrekeningen op zijn naam alsook vorderingen op zijn ondernemingen.
3. Voor recht te verklaren dat de vordering van de man op [vennootschap 4] van € 4.048.204,00 in de huwelijksgoederengemeenschap valt waarin partijen gehuwd zijn.
4. Te bepalen dat de man zijn aandeel in de hiervoor genoemde vordering op de voet van artikel 3:194 lid 2 BW aan de vrouw heeft verbeurd en hem te veroordelen om aan te vrouw een bedrag te voldoen van € 4.048.2014,00, althans een zodanig bedrag als uw hof in goede justitie zal vermenen te behoren, althans te bepalen dat die vordering aan de man wordt toebedeeld onder de verplichting om aan de vrouw wegens overbedeling te voldoen een bedrag van € 2.204.102,00 althans een zodanig bedrag als uw hof in goede justitie zal vermenen te behoren, te voldoen, te betalen binnen twee weken na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking, bij gebreke waarvan de man de wettelijke rente verschuldigd is.
5. Voor recht te verklaren dat de vordering van de man op [vennootschap 5] van € € 12.000,00 in de huwelijksgoederengemeenschap valt waarin partijen gehuwd zijn.
6. Te bepalen dat de man zijn aandeel in de hiervoor genoemde vordering op de voet van artikel 3:194 lid 2 BW aan de vrouw heeft verbeurd en hem te veroordelen om aan te vrouw een bedrag te voldoen van € 12.000,00, althans een zodanig bedrag als uw hof in goede justitie zal vermenen te behoren, althans te bepalen dat die vordering aan de man wordt toebedeeld onder de verplichting om aan de vrouw wegens overbedeling te voldoen een bedrag van € 6.000,00 althans een zodanig bedrag als uw hof in goede justitie zal vermenen te behoren, te voldoen, te betalen binnen twee weken na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking, bij gebreke waarvan de man de wettelijke rente verschuldigd is.
7. Voor recht te verklaren dat alle vorderingen die de man zou blijken te hebben op één van zijn vennootschappen per peildatum, onderdeel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen gehuwd zijn, zodat de vrouw op grond daarvan gerechtigd is tot de helft van die vordering per peildatum en de man te veroordelen om, nadat hij opgaaf heeft gedaan van die vorderingen, de helft van de vorderingen per peildatum aan de vrouw te voldoen, te betalen binnen twee weken na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking, bij gebreke waarvan de man de wettelijke rente verschuldigd is.
8. Te bepalen dat de man binnen twee weken na de in deze te wijzen tussenbeschikking een
bankafschrift per peildatum van de op zijn naam staande spaarrekening in België met rekeningnummer [rekeningnummer] in het geding dient te brengen.
9. Voor recht te verklaren dat de man het saldo van die Belgisch bankrekening per peildatum aan de vrouw heeft verbeurd ex artikel 3:194 lid 2 BW, onder de verplichting om dat saldo per peildatum binnen twee weken na de in deze te wijzen beschikking aan de vrouw te voldoen, bij gebreke waarde de man de wettelijke rente verschuldigd is.
10. De man te veroordelen om binnen twee weken na de in deze te wijzen beschikking aan de vrouw te voldoen een bedrag groot € 19.750,00, wegens de verkoop van gemeenschappelijke inboedelbestanddelen, bij gebreke waarvan de man de wettelijke rente over dat bedrag verschuldigd is.
Kosten rechtens.”
4.7
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep. De man vindt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar voorwaardelijke verzoeken onder nummers 1, 2, 4, 6, 7, 8, 9 en 10, danwel dat deze verzoeken moeten worden afgewezen.

5.De motivering van de beslissing

Het incident
5.1
Nu het hof het incident gelijktijdig behandelt met het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep, en gelet op de beslissingen die het hof in deze beschikking neemt, heeft de man bij toewijzing van zijn verzoek in het incident geen belang, reden waarom het hof het verzoek in het incident zal afwijzen.
Het principaal hoger beroep
5.2
Gezien de onderlinge samenhang van de grieven van de man zal het hof de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken. Voorts gaat het hof uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, tenzij daar expliciet een grief tegen is gericht.
5.3
Uit de bestreden beschikking van 12 september 2024 volgt dat de rechtbank de aandelen van de man in [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] , ter waarde van € 4.675.925,- aan de man (conform artikel 3:185 BW) heeft toegedeeld onder de verplichting de helft van deze waarde aan de vrouw te voldoen. Uit het betoog van de man volgt dat hij het niet eens is met de door de rechtbank vastgestelde waarde van de aandelen. Met betrekking tot de aandelen [vennootschap 1] (hierna te noemen: [vennootschap 1] ) is de man van mening dat aan deze aandelen geen enkele waarde kan worden toegekend aangezien de vennootschap op 18 maart 2024 in staat van faillissement is verklaard met benoeming van [curator] tot curator. Het hof begrijpt uit de toelichting van de man dat de waarde van [vennootschap 1] gebaseerd was op de waarde van de immateriële activa en wel voor een bedrag van € 8.131.444,42. Het hof verwijst in deze naar randnummer 24 van het beroepschrift van de man. Voorts volgt uit randnummer 24 van het beroepschrift dat deze immateriële activa in de visie van de man geen waarde meer hebben. In randnummer 25 stelt de man dat de financiële activa niets meer waard zijn.
5.4
In randnummer 12 tot en met randnummer 17 van zijn beroepschrift gaat de man nader in op de waarde van de aandelen in [vennootschap 2] en [vennootschap 3] Door de man is onder meer gesteld dat in beide besloten vennootschappen gedurende enkele jaren al geen activiteiten meer worden verricht en dat hij mede bezien zijn leeftijd ook niet voornemens is om nog enige activiteiten in de vennootschappen te gaan opstarten. In randnummer 15 stelt de man dat [vennootschap 3] een negatief eigen vermogen heeft van € 5.105.324,- en met betrekking tot [vennootschap 2] stelt hij dat er een negatief vermogen is van € 4.302.690,-. Door de man is in het geding gebracht een accountantsrapport inzake de jaarrekening 2022 met betrekking tot [vennootschap 3] Deze jaarrekening is opgesteld conform een samenstelverklaring van de accountant en conform de standaard 4410 met betrekking tot samenstelopdrachten. De stelling van de man wordt bevestigd door deze jaarrekening. Door de man is ook in het geding gebracht de conceptjaarrekening van [vennootschap 2] met betrekking tot het jaar 2022. Dit concept is eveneens opgesteld door de accountant conform de standaard 4410 met betrekking tot samenstelopdrachten. Uit dit concept vloeit eveneens voort dat er sprake is van het door de man gestelde negatief eigen vermogen van € 4.302.690,-. Door de man is op 7 november 2025 nog een e-mailbericht van zijn accountant, [accountant] in het geding gebracht. In deze e-mail is onder meer gesteld “
Vanaf het boekjaar 2021 boeken wij de administratie, dienen de aangiften omzetbelasting en aangiften vennootschapsbelasting in, stellen wij de jaarrekeningen samen en deponeren de jaarrekeningen bij de kamer van koophandel van de besloten vennootschappen van [vennootschap 2] en [vennootschap 3]
Op basis van de aangeleverde administratie en de bij ons bekende gegevens vinden er in beiden vennootschappen géén activiteiten meer plaats sinds wij de administratie voeren. Daarnaast vermelden wij dat er in die jaren, zover wij weten, geen (belaste) omzet is gerealiseerd in beide entiteiten.”
5.5
Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. In randnummer 3.12 van haar verweerschrift erkent de vrouw dat [vennootschap 1] in staat van faillissement is verklaard. Door de vrouw wordt eveneens gesteld dat de curator aan haar geen informatie verstrekt omdat zij niet als aandeelhouder in het handelsregister staat ingeschreven. In randnummer 3.17 stelt de vrouw dat de man er in het kader van de bedrijfsvoering inzake de vennootschappen een enorm zooitje van heeft gemaakt. Er worden miljoenen aan geld rondgepompt tussen verschillende vennootschappen zonder dat hier tegenover een gedegen bedrijfsvoering staat. De man heeft in de periode tussen juli 2022 tot en met november 2023 een totaalbedrag van € 790.000,- onttrokken aan de vennootschappen en overgeboekt op zijn privérekening. In randnummer 3.18 gaat de vrouw nader in op de geldleningen die de [crediteur] aan de vennootschappen heeft verstrekt ten bedrage van ruim € 8 miljoen. Zij acht het niet aannemelijk dat de [crediteur] zonder een gedegen businessplan een bedrag van ruim € 8 miljoen zou lenen aan de vennootschappen. In randnummer 3.21 stelt de vrouw dat uit niets blijkt dat de dochtermaatschappijen inmiddels inactief zijn en niet in staat zijn om hun leningen aan de holding terug te betalen. Uit het verdere betoog van de vrouw volgt dat zij nog steeds van mening is dat de waarde van de vennootschappen door een deskundige, zijnde een register valuator, moet worden vastgesteld. In haar visie kan alleen een register valuator een oordeel vellen met betrekking tot de waarde van de vennootschappen.
5.6
In randnummer 3.54 stelt de vrouw dat de aandelen zoals hiervoor genoemd aan de man moeten worden toegedeeld tegen de waarde die de aandelen vertegenwoordigen. Er bestaat geen aanleiding om de aandelen aan de vrouw toe te delen. De aandelen zijn zodanig nauw en onlosmakelijk verbonden met de persoon van de man dat alleen hij inzicht heeft in de complexe structuur.
5.7
In het primaire verzoek onder C heeft de man verzocht om de aandelen [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] aan de vrouw toe te delen tegen de waarde € 0,-. Het hof verwijst eveneens naar randnummer 57 van zijn beroepschrift.
5.8
Het hof begrijpt uit het verzoek van de man dat het hof de verdeling conform artikel 3:185 BW moet vaststellen, hetgeen de rechtbank in de bestreden beschikking eveneens heeft gedaan. Als de rechter conform artikel 3:185 BW de verdeling dient vast te stellen heeft de rechter een grote discretionaire bevoegdheid. De rechter dient slechts rekening te houden met de belangen van beide partijen, alsmede het algemene belang. De man is inmiddels 78 jaar oud en heeft duidelijk te kennen gegeven dat hij niet meer voornemens is om activiteiten op te starten in de vennootschappen. Gezien zijn leeftijd is dit niet onbegrijpelijk en onaanvaardbaar. Op basis van de stellingen van partijen kan het hof niet vaststellen dat de man er met betrekking tot de bedrijfsvoering een zooitje van heeft gemaakt. De vraag of de man in het kader van de bedrijfsvoering niet heeft gehandeld als van een goed bestuurder mag worden verlangd dient beantwoord te worden vanuit het vennootschappelijk kader. Het is aan de vennootschappen om te stellen dat de man niet als goed bestuurder heeft gehandeld en uiteindelijk is het de rechter die zulks beoordeelt. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de curator in Luxemburg met betrekking tot [vennootschap 1] een procedure jegens de man is opgestart wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. De vrouw heeft zelf aangegeven in haar betoog dat zij geen informatie van de curator krijgt omdat zij geen aandeelhouder is. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw er derhalve belang bij dat zij de aandelen in [vennootschap 1] maar ook in [vennootschap 2] en [vennootschap 3] toegedeeld krijgt aangezien zij dan als enig aandeelhouder kan onderzoeken of er sprake is (geweest) van onbehoorlijk bestuur aan de zijde van de man en daar al dan niet actie tegen kan (laten) ondernemen. Gezien het belang van de vrouw acht het hof het redelijk en billijk om de aandelen aan de vrouw toe te delen tegen de waarde nihil, ook al wenst zij (naar eigen zeggen) de rommel niet te verkrijgen. Het hof is van oordeel mede bezien de door de man in het geding gebrachte financiële gegevens alsmede de toelichting die de accountant [accountant] heeft gegeven en het faillissement van [vennootschap 1] dat de aandelen, zoals de man zelf ook aangeeft, geen waarde vertegenwoordigen.
5.9
Nu de aandelen aan de vrouw worden toegedeeld, is rechtens niet meer relevant wat de peildatum voor de waardering moet zijn en is het ook niet meer rechtens relevant een deskundige te benoemen. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen hoeft het overige wat partijen naar voren hebben gebracht met betrekking tot de aandelen geen verdere bespreking.
Het incidenteel hoger beroep
5.1
In incidenteel hoger beroep heeft de vrouw een tiental verzoeken geformuleerd. Hetgeen de vrouw verzoekt onder punt 1 (uitgezonderd de tweede geformuleerde vraag) hoeft geen verdere bespreking aangezien het hof dat reeds heeft besproken in het kader van het principale hoger beroep. Onder punt 2 van haar verzoeken wenst de vrouw dat er een boedelbeschrijving door de man wordt gemaakt. Onder punt 3 vraagt de vrouw een verklaring voor recht dat de man een vordering heeft op [vennootschap 4] van € 4.048.204,-. Onder punt 4 vraagt zij een verklaring voor recht dat de man die vordering aan de vrouw heeft verbeurd op basis van artikel 3:194 lid 2 BW. Onder punt 5 vraagt zij een verklaring voor recht dat de man een vordering heeft op [vennootschap 5] van € 12.000,- en onder punt 6 vraagt zij wederom een verklaring voor recht dat de man die vordering aan de vrouw heeft verbeurd conform artikel 3:194 lid 2 BW. Onder punt 7 verzoekt zij een verklaring voor recht dat alle vorderingen die de man heeft op de vennootschappen in de huwelijksgemeenschap vallen. In punt 8 verzoekt de vrouw dat de man een bankafschrift in het geding brengt van zijn Belgische spaarrekening op de peildatum. In punt 9 verzoekt de vrouw een verklaring voor recht dat de man het saldo op de Belgische spaarrekening aan haar heeft verbeurd ex artikel 3:194 lid 2 BW. En in punt 10 verzoekt de vrouw te bepalen dat de man € 19.750,- (de helft van € 39.500) wegens verkoop van de gemeenschappelijke inboedel aan haar dient te voldoen.
5.11
Door de man is gemotiveerd verweer gevoerd. Hij heeft aangevoerd dat het niet noodzakelijk is dat een deskundige gaat vaststellen of de vennootschappen verhaal bieden voor de gelden die de vennootschappen van [crediteur] hebben geleend. Met betrekking tot de boedelbeschrijving heeft de man in randnummer 13 van zijn verweerschrift op het incidenteel hoger beroep gesteld dat een boedelbeschrijving niet meer informatie zal bevatten dan tot op heden reeds is verstrekt. In randnummer 15 van zijn verweerschrift stelt hij dat hij formeel gezien een vordering heeft van € 4.048.204,- op [vennootschap 2] en een vordering van € 12.000,- op [vennootschap 5] De man heeft deze vorderingen nimmer verzwegen. Deze blijken eveneens uit de jaarstukken die reeds eerder in de procedure door hem zijn overgelegd. In randnummer 17 stelt de man dat hij akkoord is dat voornoemde vorderingen in de huwelijksgemeenschap vallen. In randnummer 18 stelt de man dat hij naast voorgenoemde vorderingen op de vennootschappen geen andere vorderingen heeft op een van de overige vennootschappen. In randnummer 20 stelt de man dat per abuis de Belgische bankrekening niet is meegenomen in de verdeling van de huwelijksgemeenschap. In de visie van de man is er geen sprake van verduistering in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW. De man heeft inmiddels een bankafschrift in het geding gebracht en verwijst naar productie 44 HB. De man is van mening dat het saldo op de rekening dient te worden verrekend bij de totale afwikkeling van de verdeling. In randnummer 24 stelt de man dat het hof niet bevoegd is om een beslissing te geven met betrekking tot de opbrengst van de door de man verkochte inboedel ten bedrage van € 39.500,-. In randnummer 25 stelt hij dat hij inboedelgoederen heeft verkocht om het onderhoud van het chateau te kunnen betalen. Ook de vrouw heeft juwelen en inboedel verkocht.
5.12
Het hof overweegt als volgt. Reeds uit het oordeel met betrekking tot het principaal hoger beroep volgt dat het hof het niet noodzakelijk acht om een deskundige te benoemen onder andere om te onderzoeken of de vennootschappen in staat zijn om de geldleningen aan de [crediteur] terug te terugbetalen. Daar komt bij dat de aandelen aan de vrouw worden toegedeeld zodat zij zelf kan (laten) onderzoeken wat de financiële positie is van alle vennootschappen. Voorts merkt het hof op dat nu de aandelen aan de vrouw worden toegedeeld zij zelf ook kan (laten) onderzoeken of de vennootschappen in staat zijn de leningen aan [crediteur] terug te betalen. Met betrekking tot de vordering van de man van € 4.048.204,- op [vennootschap 2] en de vordering van de man van € 12.000,- op [vennootschap 5] is het hof van oordeel dat deze vorderingen in de huwelijksgemeenschap vallen. Het hof is voorts van oordeel dat er geen sprake is van verduistering van de betreffende vorderingen aangezien de vorderingen voortvloeien uit de jaarrekeningen en dus ook voor de vrouw kenbaar waren. Hetgeen de vrouw onder punt 3 verzoekt is naar het oordeel van het hof te onbepaald. De vrouw dient concreet aan te geven om welke vorderingen het gaat. Gezien de enorme omvang van de boedel betreft het saldo op de bankrekening van BNP Paribas van slechts € 117,15 een beperkt boedelbestanddeel. Het hof acht het niet aannemelijk dat de man dit beperkte saldo van de bankrekening voor de vrouw heeft willen verduisteren. Het saldo dient wel in de verdeling te worden betrokken. Voorts acht het hof het redelijk en billijk dat dit beperkte saldo verrekend wordt op het moment dat er een totale financiële afwikkeling plaatsvindt tussen partijen. Met betrekking tot de verkoop van de inboedel ten bedrage van € 39.500,- merkt het hof op dat de man hiertoe niet bevoegd was. Er was sprake van een nog onverdeelde gemeenschap in het kader van boek 3 BW en dat brengt met zich mede dat bestanddelen van die onverdeelde gemeenschap slechts met medewerking van beide partijen kunnen worden geleverd. Het vorenstaande geldt derhalve ook voor de vrouw, waarvan eveneens vaststaat dat zij bestanddelen van bedoelde onverdeelde gemeenschap heeft geleverd aan degene die die zaken van haar had gekocht. Het hof acht het redelijk en billijk dat het bedrag van € 39.500,- wordt verrekend bij de financiële eindafrekening van de totale verdeling van de gemeenschap waaronder de verkoopopbrengst van het chateau in [land].
5.13
Gezien het hof hiervoor heeft overwogen zal het hof voor recht verklaren dat de vordering van de man van € 4.048.204,- op [vennootschap 2] en de vordering van de man van € 12.000,- op [vennootschap 5] in de huwelijksgemeenschap vallen, het saldo van € 117,15 op de bankrekening bij BNP Paribas ook in de huwelijksgemeenschap valt en zal het hof de overige verzoeken van de vrouw in het incidenteel hoger beroep afwijzen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in het incident, het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden tussenbeschikking van 26 april 2024 en vernietigt de bestreden beschikking van 12 september 2024 voor zover het betreft de beslissing dat de aandelen [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] voor een bedrag van € 4.675.925,- aan de man zijn toegedeeld onder de verplichting de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen, en bepaalt opnieuw rechtdoende als volgt:
deelt aan de vrouw toe de aandelen [vennootschap 1] , [vennootschap 2] en [vennootschap 3] tegen de waarde nihil;
verklaart voor recht dat de volgende vermogensbestanddelen onderdeel uitmaken van de huwelijksgemeenschap:
- de vordering van de man van € 4.048.204,- op [vennootschap 2] ;
- de vordering van de man van € 12.000,- op [vennootschap 5] ;
- het saldo van € 117,15 op de bankrekening bij BNP Paribas met rekeningnummer [rekeningnummer] ;
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de overige verzoeken van partijen over en weer af;
compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten betaalt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, M.L.C.C. Lückers en R.L.M.C. Janssen, bijgestaan door mr. S. Richtersz als griffier en is op 17 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.