ECLI:NL:GHDHA:2025:2757

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
22-003236-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van medeplegen moord en wegmaken van een lijk na onderzoek in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam. De verdachte, geboren in 2003 en ten tijde van de behandeling gedetineerd, was beschuldigd van medeplegen van moord en het wegmaken van een lijk. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar. Het hof heeft echter vastgesteld dat er onvoldoende bewijs was voor het opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer, dat op 28 juli 2021 om het leven was gekomen. De verdachte had verklaard dat hij slechts een beperkte rol had in een afpersingsplan en dat hij niet op de hoogte was van de fatale gebeurtenissen. Het hof oordeelde dat de verklaringen van de verdachte en de medeverdachten niet betrouwbaar genoeg waren om tot een veroordeling te komen. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van beide tenlastegelegde feiten, omdat het niet kon vaststellen dat hij een wezenlijke bijdrage had geleverd aan de dood van het slachtoffer of het wegmaken van het lijk. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard, aangezien de verdachte werd vrijgesproken. Het hof heeft de kosten van de verdediging van de benadeelde partijen op nihil begroot.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003236-23
Parketnummer: 10-009583-22
Datum uitspraak: 23 december 2025
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
ten tijde van de inhoudelijke behandeling gedetineerd in [verblijfplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 28 juli 2021 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een of meer messen, althans een of meer scherpe en puntige voorwerpen in het lichaam te steken en/of te prikken en/of te snijden;
2.
hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2021 tot en met 3 augustus 2021 te Rotterdam en/of Zwijndrecht en/of Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in verenging met een ander of anderen, opzettelijk het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, zulks met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair (medeplegen moord) en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
De verdachte wordt – kort samengevat – verdacht van betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer [slachtoffer](hierna: het slachtoffer) en het wegvoeren en wegmaken van diens lichaam. Vaststaat dat het slachtoffer op 28 juli 2021 om het leven is gekomen doordat hij meermalen met een mes is gestoken. Zijn lichaam is daarna in stukken gezaagd. Dit alles vond plaats in een woning aan de [adres] in Rotterdam (hierna: de woning in Rotterdam, of de woning).
De verdachte heeft bij de raadsheer-commissaris een verklaring afgelegd die er in de kern op neerkomt dat hij samen met de medeverdachten een afpersing zou gaan plegen en dat zijn rol daarbij beperkt was tot het oppassen op het slachtoffer zodra medeverdachte [hoofdverdachte] het te verkrijgen geld zou gaan ophalen. In die veronderstelling is hij samen met de medeverdachten naar de woning in Rotterdam gereden. Aldaar is hem door [hoofdverdachte] te verstaan gegeven dat hij samen met de medeverdachte [medeverdachte] boven in de woning moest wachten totdat [hoofdverdachte] met het slachtoffer weer terugkwam. [hoofdverdachte] is toen vertrokken. Toen [hoofdverdachte] in gezelschap van het slachtoffer terugkwam in de woning bevond de verdachte zich met [medeverdachte] nog steeds boven in de woning. Hij hoorde vervolgens lawaai en stemverheffing en is toen naar beneden gegaan waar hij het inmiddels overleden slachtoffer op de grond zag liggen. Hij heeft vervolgens in opdracht van [hoofdverdachte] de woning schoongemaakt en heeft gezien dat [hoofdverdachte] het lichaam van het slachtoffer in stukken heeft gezaagd.
Deze verklaring heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. [medeverdachte] heeft een verklaring met dezelfde strekking bij de raadsheer-commissaris afgelegd, zij het met enkele verschillen op onderdelen.
De verdediging heeft onder andere betoogd dat het opzet op het doden van het slachtoffer bij de verdachte heeft ontbroken. Hij heeft niet geweten van enig plan tot het om het leven brengen van het slachtoffer, noch heeft hij daaraan enige bijdrage geleverd.
Met de advocaat-generaal vraagt het hof zich af in hoeverre voormelde verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, nu deze in een zeer laat stadium van de procedure zijn afgelegd en de resultaten van het politieonderzoek en van het leeuwendeel van het forensisch onderzoek bij het afleggen van de verklaringen al geruime tijd bij de verdachten bekend waren. Zij konden dus hun verklaringen op die resultaten afstemmen. Daar komt bij dat de verdachte in eerste aanleg een andere verklaring heeft afgelegd, namelijk dat hij op het moment van het steekincident in het geheel niet in de woning aanwezig was. Ook dat draagt bepaald niet bij aan de betrouwbaarheid van de nadere verklaring van de verdachte.
Wat daarvan echter ook zij, het hof kan op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet vaststellen dat de verdachte het opzet heeft gehad op en een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de dood van het slachtoffer. De feiten en omstandigheden die de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht dwingen - ook wanneer deze in onderlinge samenhang worden beschouwd - niet tot die conclusie.
Daartoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, valt uit het forensisch onderzoek niet noodzakelijkerwijs de conclusie te trekken dat het slachtoffer door meer dan één persoon om het leven moet zijn gebracht. [hoofdverdachte] heeft erkend het slachtoffer vele malen te hebben gestoken en heeft aangegeven dat hij alleen heeft gehandeld. De stelling van de advocaat-generaal dat voor het knevelen van het slachtoffer meerdere personen nodig waren volgt het hof niet, nu het slachtoffer door [hoofdverdachte] – zo heeft deze erkend – met een alarmpistool werd bedreigd en geslagen en op de grond moest gaan liggen. Onder die omstandigheden is het zeker niet uitgesloten dat [hoofdverdachte] wel degelijk handboeien bij het slachtoffer kon aanleggen. Bovendien past het knevelen ook in een scenario waar de verdachte naar zijn zeggen van uitging, namelijk dat het slachtoffer zou worden afgeperst. Dat de verdachte in de woning in Rotterdam aanwezig was toen het slachtoffer om het leven werd gebracht, betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat hij daarbij als medepleger betrokken was. De omstandigheid dat er een DNA-spoor dat matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer aan de binnenkant van de kleding die de verdachte in de woning droeg is aangetroffen is evenmin redengevend voor betrokkenheid van de verdachte, als wordt bedacht dat die kleding samen met andere bebloede kledingstukken en schoenen van het slachtoffer in een vuilniszak of koffer is aangetroffen. De kans op een secundaire sporenoverdracht acht het hof onder deze omstandigheden substantieel.
Ook de verklaring van de bedreigde getuige waar de advocaat-generaal op heeft gewezen kan niet bijdragen aan de conclusie dat het slachtoffer door meer dan één persoon om het leven moet zijn gebracht. Het hof overweegt in dit verband dat de getuige over wat zich in de woning zou hebben afgespeeld slechts in algemene zin heeft verklaard, terwijl de getuige zijn/haar informatie naar eigen zeggen heeft gekregen van iemand die het ook weer van een ander gehoord heeft. Deze dubbele
de audituverklaring heeft te weinig bewijswaarde om tot enig (steun)bewijs te dienen.
De advocaat-generaal heeft voorts gewezen op de omstandigheid dat de koffers waarin de goederen zaten die op het zogenaamde ‘boodschappenlijstje’ van [hoofdverdachte] stonden door [hoofdverdachte], de verdachte en [medeverdachte] vanuit de kelderbox aan de [adres] in Zwijndrecht zijn meegenomen toen zij naar de woning in Rotterdam vertrokken. In die koffers bevonden zich goederen die later zijn gebruikt bij het om het leven brengen en het in stukken zagen en verbergen van het lichaam van het slachtoffer, zoals een alarmpistool, zagen, messen, strijkzakken, een strijkijzer en een opblaaszwembadje. De verdachte heeft verklaard dat die koffers dicht waren toen hij in de kelderbox kwam en hij heeft ontkend die goederen toen te hebben gezien en te hebben geweten dat die goederen zich in de koffers bevonden. De overweging van de rechtbank dat de verklaring van de verdachte dat hij de inhoud van de koffers niet heeft gezien niet aannemelijk is acht het hof speculatief; zij wordt niet ondersteund door onderzoeksbevindingen. De enkele omstandigheid dat de verdachte een half uur in de kelderbox heeft doorgebracht rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat de verdachte toen de inhoud van de koffers moet hebben gezien.
Tot slot overweegt het hof dat ook uit de omstandigheid dat de verdachte in opdracht van [hoofdverdachte] een extra set kleding heeft meegenomen, niet kan volgen dat de verdachte wist wat er stond te gebeuren met het slachtoffer. Die extra set kleding kan immers ook worden verklaard vanuit het scenario waar de verdachte naar zijn zeggen van uitging, namelijk dat het slachtoffer zou worden afgeperst.
Dit betekent dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof dat noch uit het sporenonderzoek noch uit het politieonderzoek naar voren komt dat de verdachte enige bemoeienis heeft gehad met het in het stukken zagen en het later wegvoeren van het lijk van het slachtoffer. Wel staat vast dat de verdachte samen met anderen de woning in Rotterdam heeft schoongemaakt nadat het slachtoffer daar om het leven was gebracht. De vraag is of dit schoonmaken maakt dat de verdachte als medepleger van het wegvoeren en wegmaken van het lijk kan worden aangemerkt.
Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Weliswaar kan het schoonmaken van sporen van een misdrijf eraan bijdragen dat de dader van dat misdrijf straffeloos blijft, maar het draagt niet bij aan het wegvoeren en het wegmaken van het lijk als zodanig. Eventueel kan dit schoonmaken aanleiding geven voor een vervolging ter zake van het bepaalde in artikel 189, lid 1 aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (het wegmaken van sporen), maar dit is niet tenlastegelegd. Het voorgaande brengt mee dat de verdachte ook van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Vorderingen tot schadevergoeding
In dit strafproces hebben elf personen, allen nabestaanden van het slachtoffer, zich gesteld als benadeelde partij en een vordering ingediend die strekt tot vergoeding van door hen geleden schade. Alle benadeelde partijen hebben hun vordering, voor zover deze niet was toegewezen door de rechtbank, gehandhaafd in hoger beroep. Schematisch weergegeven gaat het om de volgende personen en vorderingen:
Benadeelde
Relatie tot slachtoffer
Schadepost
Gevorderd bedrag
[benadeelde 1]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 2]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 3]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 4]
Partner
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 20.000,-
€ 60.000,-
€ 14.912,54
[benadeelde 5]
Moeder
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 60.000,-
[benadeelde 6]
Vader
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 17.500,-
€ 60.000,-
€ 370,67
[benadeelde 7]
Broer
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 8]
Zus
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 9]
Partner moeder
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
€ 3.627,17
[benadeelde 10]
Halfzus
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 11]
Schoonzus
Schokschade
€ 40.000,-
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, met dien verstande dat zij zich met betrekking tot de hoogte van de toe te kennen schokschade heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ook heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Nu de verdachte wordt vrijgesproken, dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen.
Dat brengt mee dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart
niet bewezendat de verdachte
het onder 1 en 2 tenlastegelegdeheeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10] en [benadeelde 11] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partijen in de door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakte kosten, begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. W.J. van Boven en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 december 2025.