ECLI:NL:GHDHA:2025:2758

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
22-003257-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van medeplegen en medeplichtigheid aan moord en wegmaken van een lijk in hoger beroep

Op 23 december 2025 heeft het Gerechtshof Den Haag uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van moord en het wegmaken van een lijk. De verdachte was eerder door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf. In hoger beroep heeft het hof de zaak opnieuw beoordeeld. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer, dat op 28 juli 2021 in Rotterdam om het leven was gebracht. Het hof kon echter niet vaststellen dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer of dat hij een wezenlijke bijdrage had geleverd aan de moord. De verdachte had verklaard dat hij enkel betrokken was bij een afpersing en niet op de hoogte was van de moordplannen. Het hof oordeelde dat de afpersing onvoldoende verband hield met de moord om de verdachte als medeplichtige aan te merken. Ook het schoonmaken van de woning na de moord werd niet als voldoende bijdrage gezien om de verdachte te veroordelen voor het wegmaken van het lijk. Het hof sprak de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten en verklaarde de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003257-23
Parketnummer: 10-241804-21
Datum uitspraak: 23 december 2025
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
ten tijde van de inhoudelijke behandeling gedetineerd in [verblijfplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, impliciet primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 28 juli 2021 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een of meer messen, althans een of meer scherpe en puntige voorwerpen in het lichaam te steken en/of te prikken en/of te snijden;
subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een strafoplegging mocht of zou kunnen leiden:
[hoofdverdachte] op of omstreeks 28 juli 2021 te Rotterdam, tezamen en in verenging met een ander of anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een of meer messen, althans een of meer scherpe en puntige voorwerpen in het lichaam te steken en/of te prikken en/of te snijden,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 27 tot en met 28 juli 2021 te Rotterdam en/of Zwijndrecht en/of Dordrecht, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door
- de woning aan de [adres] te bezichtigen en te huren,
- een sleutel van de woning aan de [adres] op te halen en/of
- die [hoofdverdachte] en/of zijn mededaders te helpen één of meer koffers (met daarin goederen die bestemd waren voor het begaan van voornoemd feit) vanuit een kelderbox aan de [adres] naar een auto en/of naar de woning aan de [adres] te brengen, althans te verplaatsen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2021 tot en met 3 augustus 2021 te Rotterdam en/of Zwijndrecht en/of Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in verenging met een ander of anderen, opzettelijk het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, zulks met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, impliciet primair (medeplegen moord) en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
De verdachte wordt – kort samengevat – verdacht van betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) en het wegvoeren en wegmaken van diens lichaam. Vaststaat dat het slachtoffer op 28 juli 2021 om het leven is gekomen doordat hij meermalen met een mes is gestoken. Zijn lichaam is daarna in stukken gezaagd. Dit alles vond plaats in een woning aan de [adres] in Rotterdam (hierna: de woning in Rotterdam, of de woning).
De verdachte heeft bij de raadsheer-commissaris een verklaring afgelegd die er in de kern op neerkomt dat hij samen met de medeverdachten een afpersing zou gaan plegen en dat zijn rol daarbij beperkt was tot het oppassen op het slachtoffer zodra medeverdachte [hoofdverdachte] het te verkrijgen geld zou gaan ophalen. In die veronderstelling is hij samen met die medeverdachten naar de woning in Rotterdam gegaan. Aldaar is hem door [hoofdverdachte] te verstaan gegeven dat hij samen met de medeverdachte [medeverdachte] boven in de woning moest wachten totdat [hoofdverdachte] met het slachtoffer weer terugkwam. [hoofdverdachte] is toen vertrokken. Toen [hoofdverdachte] in gezelschap van het slachtoffer terugkwam in de woning bevond de verdachte zich met [medeverdachte] nog steeds in een kamer boven in de woning. Hij hoorde vervolgens [hoofdverdachte] met het slachtoffer praten en na een tijdje hoorde hij veel kabaal. Hij is toen naar beneden gegaan waar hij het inmiddels overleden slachtoffer op de grond zag liggen. Hij zag scheuren in diens kleding en hij lag in zijn eigen bloed. Hij heeft vervolgens in opdracht van [hoofdverdachte] de woning schoongemaakt en heeft gezien dat [hoofdverdachte] het lichaam van het slachtoffer in stukken heeft gezaagd.
Deze verklaring heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep herhaald. [medeverdachte] heeft een verklaring met dezelfde strekking bij de raadsheer-commissaris afgelegd, zij het met enkele verschillen op onderdelen.
De verdediging heeft onder andere betoogd dat het opzet op het doden van het slachtoffer bij de verdachte heeft ontbroken. Hij heeft niet geweten van enig plan tot het om het leven brengen van het slachtoffer, noch heeft hij daaraan enige bijdrage geleverd.
Met de advocaat-generaal vraagt het hof zich af in hoeverre voormelde verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, nu deze in een zeer laat stadium van de procedure zijn afgelegd en de resultaten van het politieonderzoek en van het leeuwendeel van het forensisch onderzoek bij het afleggen van de verklaringen al geruime tijd bij de verdachten bekend waren. Zij konden dus hun verklaringen op die resultaten afstemmen.
Wat daarvan echter ook zij, het hof kan op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet vaststellen dat de verdachte het opzet heeft gehad op en een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de dood van het slachtoffer. De feiten en omstandigheden die de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht dwingen - ook wanneer deze in onderlinge samenhang worden beschouwd - niet tot die conclusie.
Daartoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, valt uit het forensisch onderzoek niet noodzakelijkerwijs de conclusie te trekken dat het slachtoffer door meer dan één persoon om het leven moet zijn gebracht. [hoofdverdachte] heeft erkend het slachtoffer vele malen te hebben gestoken en heeft aangegeven dat hij alleen heeft gehandeld. De stelling van de advocaat-generaal dat voor het knevelen van het slachtoffer meerdere personen nodig waren volgt het hof niet, nu het slachtoffer door [hoofdverdachte] – zo heeft deze erkend – met een alarmpistool werd bedreigd en geslagen en op de grond moest gaan liggen. Onder die omstandigheden is het zeker niet uitgesloten dat [hoofdverdachte] wel degelijk handboeien bij het slachtoffer kon aanleggen. Bovendien past het knevelen ook in een scenario waar de verdachte naar zijn zeggen van uitging, namelijk dat het slachtoffer zou worden afgeperst. Dat de verdachte in de woning in Rotterdam aanwezig was toen het slachtoffer om het leven werd gebracht, betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat hij daarbij als medepleger betrokken was. De omstandigheid dat er een DNA-spoor dat matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer aan de binnenkant van de kleding die de verdachte in de woning droeg is aangetroffen is evenmin redengevend voor betrokkenheid van de verdachte, als wordt bedacht dat die kleding samen met andere bebloede kledingstukken en schoenen van het slachtoffer in een vuilniszak of koffer is aangetroffen. De kans op een secundaire sporenoverdracht acht het hof onder deze omstandigheden substantieel.
Ook de verklaring van de bedreigde getuige waar de advocaat-generaal op heeft gewezen kan niet bijdragen aan de conclusie dat het slachtoffer door meer dan één persoon om het leven moet zijn gebracht. Het hof overweegt in dit verband dat de getuige over wat zich in de woning zou hebben afgespeeld slechts in algemene zin heeft verklaard, terwijl de getuige zijn/haar informatie naar eigen zeggen heeft gekregen van iemand die het ook weer van een ander gehoord heeft. Deze dubbele
de audituverklaring heeft te weinig bewijswaarde om tot enig (steun)bewijs te dienen.
De advocaat-generaal heeft voorts gewezen op de omstandigheid dat de koffers waarin de goederen zaten die op het zogenaamde ‘boodschappenlijstje’ van [hoofdverdachte] stonden door [hoofdverdachte], de verdachte en [medeverdachte] vanuit de kelderbox aan de [adres] in Zwijndrecht zijn meegenomen toen zij naar de woning in Rotterdam vertrokken. In die koffers bevonden zich goederen die later zijn gebruikt bij het om het leven brengen en het in stukken zagen en verbergen van het lichaam van het slachtoffer, zoals een alarmpistool, zagen, messen, strijkzakken, een strijkijzer en een opblaaszwembadje. De verdachte heeft verklaard dat die koffers dicht waren toen hij in de kelderbox kwam en hij heeft ontkend die goederen toen te hebben gezien en te hebben geweten dat die goederen zich in de koffers bevonden. De overweging van de rechtbank dat de verklaring van de verdachte dat hij de inhoud van de koffers niet heeft gezien niet aannemelijk is acht het hof speculatief; zij wordt niet ondersteund door onderzoeksbevindingen. De enkele omstandigheid dat de verdachte een half uur in en in de omgeving van de kelderbox heeft doorgebracht rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat de verdachte toen de inhoud van de koffers moet hebben gezien.
Tot slot overweegt het hof dat ook uit de omstandigheid dat de verdachte in opdracht van [hoofdverdachte] een extra set kleding heeft meegenomen, niet kan volgen dat de verdachte wist wat er stond te gebeuren met het slachtoffer. Die extra set kleding kan immers ook worden verklaard vanuit het scenario waar de verdachte naar zijn zeggen van uitging, namelijk dat het slachtoffer zou worden afgeperst.
Dit betekent dat de verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid geldt het volgende. Reeds hiervoor heeft het hof overwogen dat niet is komen vast te staan dat de verdachte het opzet heeft gehad om het slachtoffer te doden. Wel kan worden aangenomen dat het opzet van de verdachte was gericht op afpersing van het slachtoffer. Uit artikel 47, 48 en 49 van het Wetboek van Strafrecht, gelezen in onderling verband en samenhang, volgt dat enerzijds ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader (in dit geval [hoofdverdachte]) verrichte handelingen, ook als het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan, en dat anderzijds het maximum van de aan de medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan het maximum van de straf, gesteld op het misdrijf dat de medeplichtige voor ogen stond. Als het opzet van de medeplichtige niet (volledig) was gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van zo’n voldoende verband sprake is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Een algemene regel daarover laat zich lastig formuleren. In de regel zal echter kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat als het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, bijvoorbeeld bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van voldoende verband met het gronddelict. Daarbij zijn de aard van het gronddelict, de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang (zie ECLI:NL:HR:2011:BO4471 en ECLI:NL:HR:2024:78).
Het hof is van oordeel dat in dit geval het misdrijf dat de verdachte naar eigen zeggen voor ogen stond (afpersing, een vermogensdelict) in onvoldoende mate verband houdt met het gronddelict (moord dan wel doodslag, een levensdelict). Hierbij zij aangetekend dat zowel afpersing als moord/doodslag een geweldscomponent hebben, maar de verdachte heeft niet verklaard op welke wijze volgens hem [hoofdverdachte] het slachtoffer zou gaan afpersen en ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wist dat [hoofdverdachte] (steek)wapens had meegenomen naar de woning. Ook valt over de aard van de gedragingen van de verdachte voorafgaand en ten tijde van de moord niet méér vast te stellen, dan dat hij heeft meegeholpen een van de koffers te dragen en in dezelfde woning heeft verbleven als waar het slachtoffer om het leven is gebracht. Ook hieruit valt naar oordeel van het hof onvoldoende het vereiste verband te leggen. Dat brengt mee dat de verdachte ook van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof dat noch uit het sporenonderzoek noch uit het politieonderzoek naar voren komt dat de verdachte enige bemoeienis heeft gehad met het in het stukken zagen en het later wegvoeren van het lijk van het slachtoffer. Wel staat vast dat de verdachte samen met anderen de woning in Rotterdam heeft schoongemaakt nadat het slachtoffer daar om het leven was gebracht. De vraag is of dit schoonmaken maakt dat de verdachte als medepleger van het wegvoeren en wegmaken van het lijk kan worden aangemerkt. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Weliswaar kan het schoonmaken van sporen van een misdrijf eraan bijdragen dat de dader van dat misdrijf straffeloos blijft, maar het draagt niet bij aan het wegvoeren en het wegmaken van het lijk als zodanig. Eventueel kan dit schoonmaken aanleiding geven voor een vervolging ter zake van het bepaalde in artikel 189, lid 1 aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (het wegmaken van sporen), maar dit is niet tenlastegelegd. Het voorgaande brengt mee dat de verdachte ook van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Vorderingen tot schadevergoeding
In dit strafproces hebben elf personen, allen nabestaanden van het slachtoffer, zich gesteld als benadeelde partij en een vordering ingediend die strekt tot vergoeding van door hen geleden schade. Alle benadeelde partijen hebben hun vordering, voor zover deze niet was toegewezen door de rechtbank, gehandhaafd in hoger beroep. Schematisch weergegeven gaat het om de volgende personen en vorderingen:
Benadeelde
Relatie tot slachtoffer
Schadepost
Gevorderd bedrag
[benadeelde 1]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 2]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 3]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 4]
Partner
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 20.000,-
€ 60.000,-
€ 14.912,54
[benadeelde 5]
Moeder
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 60.000,-
[benadeelde 6]
Vader
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 17.500,-
€ 60.000,-
€ 370,67
[benadeelde 7]
Broer
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 8]
Zus
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 9]
Partner moeder
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
€ 3.627,17
[benadeelde 10]
Halfzus
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 11]
Schoonzus
Schokschade
€ 40.000,-
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, met dien verstande dat zij zich met betrekking tot de hoogte van de toe te kennen schokschade heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ook heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Nu de verdachte wordt vrijgesproken, dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen.
Dat brengt mee dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart
niet bewezendat de verdachte
het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 tenlastegelegdeheeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10] en [benadeelde 11] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partijen in de door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakte kosten, begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. W.J. van Boven en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 december 2025.