ECLI:NL:GHDHA:2025:2761

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
22-003282-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van medeplegen moord en wegmaken van een lijk na onderzoek in hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam. De verdachte was eerder vrijgesproken van moord en veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden voor het wegmaken van een lijk. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van zowel het medeplegen van moord als het wegmaken van een lijk. Het hof kon niet vaststellen dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer of een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de dood. De verdachte was aanwezig in de woning waar het slachtoffer op 28 juli 2021 om het leven is gekomen, maar het hof oordeelde dat zijn aanwezigheid niet automatisch betekent dat hij als medepleger kan worden aangemerkt. De verklaringen van de verdachte waren inconsistent en de bewijsvoering was onvoldoende om tot een veroordeling te komen. De advocaat-generaal had gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zou worden vernietigd en dat de verdachte tot twintig jaar gevangenisstraf zou worden veroordeeld, maar het hof heeft deze vordering afgewezen. De benadeelde partijen, nabestaanden van het slachtoffer, zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, aangezien de verdachte is vrijgesproken.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003282-23
Parketnummer: 10-267973-21
Datum uitspraak: 23 december 2025
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 oktober 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1998,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 28 juli 2021 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een of meer messen, althans een of meer scherpe en puntige voorwerpen in het lichaam te steken en/of te prikken en/of te snijden;
2.
hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2021 tot en met 3 augustus 2021 te Rotterdam en/of Zwijndrecht en/of Dordrecht, althans in Nederland, tezamen en in verenging met een ander of anderen, opzettelijk het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, zulks met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhelen.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair (medeplegen moord) en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal de gevangenneming van de verdachte bij de einduitspraak gevorderd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Vrijspraak
De verdachte wordt – kort samengevat – verdacht van betrokkenheid bij de dood van het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) en het wegvoeren en wegmaken van diens lichaam. Vaststaat dat het slachtoffer op 28 juli 2021 om het leven is gekomen doordat hij meermalen met een mes is gestoken. Zijn lichaam is daarna in stukken gezaagd. Dit alles vond plaats in een woning aan de [adres] in Rotterdam (hierna: de woning in Rotterdam, of de woning).
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg een verklaring afgelegd die er in de kern op neerkomt dat hij op 28 juli 2021 met de medeverdachte [hoofdverdachte] is meegegaan naar de woning in Rotterdam. In die woning zou [hoofdverdachte] een hennepplantage opzetten die hij, de verdachte, moest verzorgen. De verdachte moest tegen het latere slachtoffer zeggen dat hij daar woonde en dat die woning voor een kweek gebruikt kon worden. Toen het slachtoffer de woning binnenkwam, heeft de verdachte hem een hand gegeven en tegen hem gezegd dat er in de woning gekweekt kon worden. Er is toen een woordenwisseling tussen [hoofdverdachte] en het slachtoffer ontstaan, waarna er geschreeuwd werd. Er werd gevochten en het slachtoffer werd gestoken. De verdachte is naar de keuken gegaan om iets te drinken te halen. Toen hij terugkwam leefde het slachtoffer niet meer. Hij is toen naar de wc gegaan waar hij heeft overgegeven. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte nog verklaard dat [hoofdverdachte] samen met het slachtoffer naar de woning kwam. Hij heeft ook verklaard dat hij op het moment dat hij uit de keuken kwam zag dat het slachtoffer met handboeien was gekneveld, dat het slachtoffer op de grond zat en dat hij met een wapen door [hoofdverdachte] werd bedreigd. Ten slotte heeft hij verklaard dat hij heeft geholpen met het schoonmaken van de woning.
De verdediging heeft onder andere betoogd dat het opzet op het doden van het slachtoffer bij de verdachte heeft ontbroken. De verdachte heeft niet geweten van enig plan tot het om het leven brengen van het slachtoffer, noch heeft hij daaraan enige bijdrage geleverd.
Met de advocaat-generaal vraagt het hof zich af in hoeverre voormelde verklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, nu deze in een laat tot zeer laat stadium van de procedure zijn afgelegd en de resultaten van het politieonderzoek en van het leeuwendeel van het forensisch onderzoek bij het afleggen van de verklaringen al geruime tijd bij de verdachte bekend waren. Hij kon dus zijn verklaringen op die resultaten afstemmen. Daar komt bij dat de verdachte bij de politie een geheel andere verklaring heeft afgelegd, namelijk dat hij niets afweet van het steekincident en dat het adres aan de [adres] hem niets zegt. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij weer zijn verklaring die hij in eerste aanleg heeft afgelegd op onderdelen gewijzigd. Ook dat draagt bepaald niet bij aan de betrouwbaarheid van de nadere verklaring(en) van de verdachte.
Wat daarvan echter ook zij, het hof kan – evenals de rechtbank - op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet vaststellen dat de verdachte het opzet heeft gehad op en een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de dood van het slachtoffer. De feiten en omstandigheden die de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht dwingen - ook wanneer deze in onderlinge samenhang worden beschouwd - niet tot die conclusie.
Daartoe overweegt het hof in het bijzonder het volgende.
Uit het forensisch onderzoek valt niet noodzakelijkerwijs de conclusie te trekken dat het slachtoffer door meer dan één persoon om het leven moet zijn gebracht. [hoofdverdachte] heeft erkend het slachtoffer vele malen te hebben gestoken en heeft aangegeven dat hij alleen heeft gehandeld. De stelling van de advocaat-generaal dat voor het knevelen van het slachtoffer meerdere personen nodig waren volgt het hof niet, nu het slachtoffer door [hoofdverdachte] – zo heeft deze erkend – met een alarmpistool werd bedreigd en geslagen en op de grond moest gaan liggen. Onder die omstandigheden is het zeker niet uitgesloten dat [hoofdverdachte] wel degelijk handboeien bij het slachtoffer kon aanleggen. Dat de verdachte in de woning in Rotterdam aanwezig was toen het slachtoffer om het leven werd gebracht, betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat hij daarbij als medepleger betrokken was. De omstandigheid dat er een DNA-spoor dat matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer aan de binnenkant van de kleding die de verdachte in de woning droeg is aangetroffen is evenmin redengevend voor betrokkenheid van de verdachte, als wordt bedacht dat die kleding samen met andere bebloede kledingstukken en schoenen van het slachtoffer in een vuilniszak of koffer is aangetroffen. De kans op een secundaire sporenoverdracht acht het hof onder deze omstandigheden substantieel.
Ook de verklaring van de bedreigde getuige waar de advocaat-generaal op heeft gewezen kan niet bijdragen aan de conclusie dat het slachtoffer door meer dan één persoon om het leven moet zijn gebracht. Het hof overweegt in dit verband dat de getuige over wat zich in de woning zou hebben afgespeeld slechts in algemene zin heeft verklaard, terwijl de getuige zijn/haar informatie naar eigen zeggen heeft gekregen van iemand die het ook weer van een ander gehoord heeft. Deze dubbele
de audituverklaring heeft te weinig bewijswaarde om tot enig (steun)bewijs te dienen.
Dit betekent dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde overweegt het hof dat noch uit het sporenonderzoek noch uit het politieonderzoek naar voren komt dat de verdachte enige bemoeienis heeft gehad met het in het stukken zagen en het later wegvoeren van het lijk van het slachtoffer. Wel staat vast dat de verdachte samen met anderen de woning in Rotterdam heeft schoongemaakt nadat het slachtoffer daar om het leven was gebracht en daarbij wellicht een vuilniszak heeft aangeraakt. De vraag is of dit schoonmaken maakt dat de verdachte als medepleger van het wegvoeren en wegmaken van het lijk kan worden aangemerkt. Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Weliswaar kan het schoonmaken van sporen van een misdrijf eraan bijdragen dat de dader van dat misdrijf straffeloos blijft, maar het draagt niet bij aan het wegvoeren en het wegmaken van het lijk als zodanig. Eventueel kan dit schoonmaken aanleiding geven voor een vervolging ter zake van het bepaalde in artikel 189, lid 1 aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht (het wegmaken van sporen), maar dit is niet tenlastegelegd. Het voorgaande brengt mee dat de verdachte ook van het onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Nu het hof de verdachte zal vrijspreken, zal het de vordering van de advocaat-generaal tot gevangenneming van de verdachte afwijzen.
Vorderingen tot schadevergoeding
In dit strafproces hebben elf personen, allen nabestaanden van het slachtoffer, zich gesteld als benadeelde partij en een vordering ingediend die strekt tot vergoeding van door hen geleden schade. Alle benadeelde partijen hebben hun vordering, voor zover deze niet was toegewezen door de rechtbank, gehandhaafd in hoger beroep. Schematisch weergegeven gaat het om de volgende personen en vorderingen:
Benadeelde
Relatie tot slachtoffer
Schadepost
Gevorderd bedrag
[benadeelde 1]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 2]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 3]
Minderjarig kind
Affectieschade
Persoonsaantasting
€ 20.000,-
€ 30.000,-
[benadeelde 4]
Partner
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 20.000,-
€ 60.000,-
€ 14.912,54
[benadeelde 5]
Moeder
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 60.000,-
[benadeelde 6]
Vader
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 17.500,-
€ 60.000,-
€ 370,67
[benadeelde 7]
Broer
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 8]
Zus
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 9]
Partner moeder
Affectieschade
Schokschade
Materiële schade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
€ 3.627,17
[benadeelde 10]
Halfzus
Affectieschade
Schokschade
€ 17.500,-
€ 50.000,-
[benadeelde 11]
Schoonzus
Schokschade
€ 40.000,-
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen, met dien verstande dat zij zich met betrekking tot de hoogte van de toe te kennen schokschade heeft gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ook heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Nu de verdachte wordt vrijgesproken, dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen.
Dat brengt mee dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart
niet bewezendat de verdachte het
onder 1 en 2 tenlastegelegdeheeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5], [benadeelde 6], [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9], [benadeelde 10] en [benadeelde 11] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partijen in de door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakte kosten, begroot op nihil.

Wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, mr. W.J. van Boven en mr. B.W. Mulder, leden, in bijzijn van de griffier mr. M.J.J. van den Broek.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 december 2025.