ECLI:NL:GHDHA:2025:2792

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
200.346.123/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over dwangsommen en aandelenafname in echtscheidingsprocedure

In deze zaak gaat het om een executiegeschil tussen een man en een vrouw die in het verleden gehuwd zijn geweest. De man is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag, waarin hij werd veroordeeld tot betaling van dwangsommen wegens het niet tijdig afnemen van aandelen van de vrouw, het niet meewerken aan de afkoop van beleggingspolissen bij Allianz, en het niet aanwijzen van een deskundige pensioenadviseur. De rechtbank had de man veroordeeld tot betaling van € 86.000,- aan dwangsommen en € 2.537,64 aan executiekosten. De man stelde dat hij tijdig had voldaan aan zijn verplichtingen, met name door de koopprijs voor de aandelen binnen de gestelde termijn te betalen. Het hof oordeelde dat de man geen dwangsommen had verbeurd, omdat hij aan zijn verplichtingen had voldaan door de koopsom tijdig te betalen, en dat de formele levering van de aandelen later had plaatsgevonden. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de dwangsommen betrof en wees de vorderingen van de vrouw af. Tevens werd de vrouw veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van € 96.467,29 aan de man. Het hof compenseerde de proceskosten tussen partijen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummer hof : 200.346.123/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/651583 / HA ZA 23-683
Arrest van 30 december 2025
in de zaak van
[de man],
wonend in [woonplaats] ,
appellant in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.M.J. Bos, kantoorhoudend in Dordrecht,
tegen
[de vrouw],
wonend in [woonplaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellante in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. M.H.G. de Neef, kantoorhoudend in Oud-Beijerland.
Het hof noemt partijen hierna de man en de vrouw.

1.De zaak in het kort

In het onderhavige executiegeschil is aan de orde of de man dwangsommen heeft verbeurd inzake de afname van de aandelen van de vrouw, de afwikkeling van de op beider naam staande beleggingspolissen bij Allianz en het aanwijzen van een pensioendeskundige in het kader van de pensioenverevening tussen partijen.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • het exploit van 25 juni 2024, hersteld bij herstelexploit van 16 september 2024, waarmee de man in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2024, hierna: het bestreden vonnis;
  • de memorie van grieven van de man, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel van de vrouw, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van de man, met bijlagen;
  • de akte uitlaten producties van de zijde van de vrouw;
  • de antwoordakte van de zijde van de man.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Partijen zijn, na het maken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd geweest van [datum] 1996 tot 4 mei 2004.
3.2
Tijdens hun huwelijk hebben partijen ieder 50% van de aandelen in het kapitaal van [bedrijf] verworven.
3.3
In maart 2004 hebben partijen een echtscheidingsconvenant opgesteld. Aan dit convenant hebben zij geen uitvoering gegeven en op 20 oktober 2006 hebben zij een tweede convenant ondertekend waarin zij zijn overeengekomen dat, voor zover dit afwijkt van het eerste convenant, het eerste convenant tussen partijen als vervallen kan worden beschouwd. Ook aan het tweede convenant is, behalve voor wat betreft de levering van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw, geen uitvoering gegeven.
3.4
In 2019 heeft de vrouw een procedure bij de rechtbank Den Haag aanhangig gemaakt om te komen tot een definitieve afwikkeling van de huwelijksvermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding van partijen. De rechtbank heeft op 25 mei 2022 in die procedure een eindvonnis gewezen.
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang en uitvoerbaar bij voorraad, daarin:
  • de man veroordeeld tot: (alsnog) afname van alle aandelen van de vrouw in het kapitaal van [bedrijf] ;
  • de man veroordeeld tot medewerking aan de afkoop dan wel andere wijze van beëindiging van twee polissen bij Allianz;
  • de man veroordeeld tot medewerking aan de in het convenant van 20 oktober 2006 overeengekomen pensioenverevening, door het door de man aanwijzen van een deskundige pensioenadviseur.
Ten aanzien van deze drie veroordelingen is bepaald dat de man daaraan binnen veertien dagen na betekening van het vonnis dient te voldoen. Aan elke van de drie veroordelingen is een dwangsom verbonden van € 1.000,- per dag, met een maximum van respectievelijk € 150.000,-, geen maximum en € 50.000,-.
3.5
De vrouw heeft vervolgens executoriaal beslag gelegd op de woning van de man, onder zijn bankrekeningen, onder [bedrijf] en op twee personenauto’s wegens het verbeuren van dwangsommen door de man omdat hij volgens haar aan elk van de drie veroordelingen niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan.
3.6
De man heeft in kort geding gevorderd dat het de vrouw zal worden verboden het vonnis van 25 mei 2022 ten uitvoer te leggen, waaronder begrepen het leggen van beslag, en de vrouw te gebieden over te gaan tot opheffing van de gelegde beslagen, met veroordeling van de vrouw tot terugbetaling aan de man van alles wat eventueel voor de betekening van het vonnis (in kort geding) door of namens de vrouw op de man zal zijn verhaald.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 4 oktober 2022 - samengevat - geoordeeld dat de vrouw de executie van het vonnis ter zake van de aandelen mag voortzetten, maar dat de man ten aanzien van de beleggingsverzekeringen bij Allianz en de pensioenverevening geen dwangsommen heeft verbeurd.
3.7
De man is van voormeld kortgedingvonnis in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 13 juni 2023 heeft dit hof in kort geding geoordeeld dat de man geen dwangsommen heeft verbeurd.
Het hof heeft de vrouw verboden het vonnis van 25 mei 2022 van de rechtbank Den Haag (verder) ten uitvoer te leggen, waaronder begrepen het doen leggen van beslag ten laste van de man ter incasso van de dwangsommen. Verder heeft het hof de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van € 88.537,64 aan de man, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.8
De vrouw heeft vervolgens een procedure bij de bodemrechter aangespannen, hetgeen heeft geresulteerd in het in dit hoger beroep te beoordelen bestreden vonnis van 27 maart 2024.

4.Procedure bij de rechtbank (bodemzaak)

4.1
De vrouw heeft de man gedagvaard en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. voor recht te verklaren dat de man:
- de aandelen 86 dagen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ander aantal dagen, te laat heeft afgenomen en daarom op grond van het bestreden vonnis over deze periode een dwangsom van € 1.000,- per dag aan de vrouw verschuldigd is;
- 83 dagen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ander aantal dagen, te laat heeft meegewerkt aan de afkoop of andere wijze van beëindiging van de Allianz-beleggingsverzekeringen en daarom op grond van het bestreden vonnis over deze periode een dwangsom van € 1.000,- per dag aan de vrouw verschuldigd is;
- 83 dagen, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ander aantal dagen, te laat een pensioenadviseur van [advieskantoor] heeft ingeschakeld en daarom op grond van het bestreden vonnis over deze periode een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,- aan de vrouw verschuldigd is;
- op grond van het bestreden vonnis een bedrag aan executiekosten van € 2.537,64 aan de vrouw verschuldigd is;
B. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van:
- een bedrag van € 86.000,-, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, terzake de dwangsommen met betrekking tot de aandelenafname, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2022, tot aan de dag der algehele voldoening;
- een bedrag van € 83.000,-, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, terzake de dwangsommen met betrekking tot de Allianz-beleggingsverzekeringen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2022, tot aan de dag der algehele voldoening;
- een bedrag van € 50.000,-, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, terzake de dwangsommen met betrekking tot de pensioenverevening, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de door de vrouw terugbetaalde executiekosten van € 2.537,64;
- de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van de vrouw, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over de kosten van het geding indien voldoening van de proceskosten niet binnen de voornoemde termijn plaatsvindt;
- de nakosten conform het liquidatietarief van € 173,-, te vermeerderen met de betekeningskosten en de wettelijke (handels)rente over de totale nakosten indien de man niet binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis vrijwillig aan de inhoud hiervan heeft voldaan.
4.2
De rechtbank heeft:
- onder 5.1. van het dictum de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van
€ 86.000,- aan dwangsommen ter zake de afname van de aandelen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 10 september 2022 tot aan dag van volledige betaling;
- onder 5.2. van het dictum de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van
€ 2.537,64 aan executiekosten.
Voorts is de uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en zijn de proceskosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

5.Vorderingen in hoger beroep

5.1
De man vordert vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover het betreft de veroordeling van de man tot het betalen van dwangsommen ter zake de afname van de aandelen en de veroordeling van de man tot het betalen van wettelijke rente en executiekosten, en opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:
- ( naar het hof begrijpt:) de vorderingen van de vrouw in eerste aanleg alsnog integraal af te wijzen; en
- de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man van een bedrag ad € 96.467,29 binnen 48 uur na betekening van het door het hof in dezen te geven arrest, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het verhaal tot de dag van terugbetaling; en
- de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
5.2
De vrouw concludeert in principaal appel om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de man in zijn grieven en vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen, zo nodig onder verbetering of aanvulling der gronden en overwegingen van het bestreden vonnis.
De vrouw vordert in incidenteel hoger beroep om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 83.000,-, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, terzake de dwangsommen met betrekking tot de gezamenlijke Allianzbeleggingspolissen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2022, tot aan de dag der algehele voldoening;
B. de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 50.000,-, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, terzake de dwangsommen met betrekking tot het aanwijzen van een pensioendeskundige, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
7 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
De vrouw vordert in principaal en incidenteel appel om veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties, die van de advocaat van de vrouw daaronder begrepen.
5.3
De man concludeert in principaal appel om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen van de vrouw in het incidenteel appel af te wijzen en het bestreden vonnis te bekrachtigen, eventueel onder verbetering van de gronden, voor zover het vonnis betrekking heeft op de door de rechtbank afgewezen vorderingen van de vrouw, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

6.Beoordeling in hoger beroep

6.1
Tussen partijen is in geschil of de man dwangsommen heeft verbeurd omdat hij niet heeft voldaan aan de veroordelingen zoals geformuleerd in het voormelde vonnis van 25 mei 2022 (zie r.o. 3.4).
6.2
Het hof stelt evenals de rechtbank het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak heeft de executierechter bij de beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd omdat een bevel niet of onvoldoende is nageleefd, niet tot taak de door de bodemrechter (in 2022) besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar moet hij zich beperken de ter uitvoering van die veroordeling verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij moet de executierechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Als de bewoordingen van een uitgesproken veroordeling ruimte laten voor verschillende interpretaties, kan dit reden zijn om de draagwijdte van een veroordeling beperkt uit te leggen - ten gunste van de partij tegen wie de veroordeling is uitgesproken - en alleen een inbreuk op de veroordeling aan te nemen, indien een zodanige inbreuk in ernst niet kan worden betwijfeld. Het gaat derhalve niet enkel om de bewoordingen van de veroordeling maar ook de doel en strekking, ofwel de ratio van de veroordeling.
Dwangsommen verbeurd ter zake van de aandelen?
6.3
De man komt met zijn grief 1 op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij ter zake van de aandelen dwangsommen heeft verbeurd omdat met de woorden ‘afname van de aandelen’ in de desbetreffende veroordeling in het vonnis van 25 mei 2022 de juridische levering van de aandelen wordt bedoeld, welke juridische levering buiten de gestelde termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden.
6.4
Ten aanzien van de aandelen van de vrouw is naar het oordeel van het hof sprake van de uitvoering van een koopovereenkomst tussen de vrouw en de man betreffende die aandelen zoals bedoeld in artikel 7:1 BW. Partijen gaan daar in hun respectieve memories beiden ook vanuit, althans de vrouw heeft niet of onvoldoende weersproken dat zulks het geval is.
6.5
Koop is de overeenkomst waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen. Op de vrouw rustte de hoofdverplichting de aandelen aan de man te geven, in casu op grond van artikel 2:196 lid 1 BW door middel van levering bij notariële akte. Op de man rustte de hoofdverplichting de koopsom aan de vrouw te betalen.
6.6
Vast staat dat de man binnen de termijn van 14 dagen na de betekening van het vonnis van 25 mei 2022 heeft gedaan wat in ieder geval in zijn macht lag, namelijk het voldoen van de koopsom voor haar aandelen aan de vrouw. Hiermee heeft hij tijdig voldaan aan de op hem rustende hoofdverplichting met betrekking tot de koop van die aandelen. Het hof constateert verder dat weliswaar buiten voormelde termijn, maar wel binnen een naar het oordeel van het hof redelijke termijn na het voldoen van de koopsom door de man aan de vrouw de formele levering van de aandelen van de vrouw aan de man heeft plaatsgevonden.
6.7
Over het algemeen is het ongebruikelijk dat eerst betaling door de koper (de man) plaatsvindt alvorens de zaak in de terminologie van artikel 7:1 BW door de verkoper (de vrouw) aan de koper wordt gegeven. Het hof is dan ook van oordeel dat hier niet zonder meer kan worden aangenomen dat de veroordeling tot betaling van de dwangsommen ook ziet op de hiervoor geschetste gang van zaken. Bij de beantwoording van de vraag of de veroordeling waaraan de dwangsom is verbonden zo moet worden uitgelegd dat ook in de hiervoor geschetste situatie door de man dwangsommen worden verbeurd, moeten immers doel en strekking van de veroordeling tot richtsnoer worden genomen, in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Nu vaststaat dat de betaling van de koopsom binnen de daarvoor gestelde termijn heeft plaatsgevonden, moet vervolgens worden beoordeeld welk ander (redelijk) belang de vrouw heeft dan betaling van de koopsom. Het hof neemt in aanmerking dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld dat zij hier een ander, doorslaggevend belang had dan het spoedig verkrijgen van betaling van de koopsom voor haar aandelen of dat zij anderszins is benadeeld door deze situatie waarin de man tijdig aan haar heeft betaald, maar de formele levering enige tijd later heeft plaatsgevonden. Het hof komt daarmee tot de slotsom dat de veroordeling niet zo dient te worden uitgelegd dat de hiervoor geschetste situatie tot verbeuring van dwangsommen leidt.
6.8
De conclusie is dat grief 1 van de man slaagt. Zijn grieven 2 tot en met 6 die alle eveneens zien op de juridische levering van de aandelen, behoeven daarom geen bespreking meer.
6.9
Als gevolg van het slagen van grief 1 van de man, slagen ook zijn grieven 7 tot en met 9. In grief 7 (een voortbouwgrief) stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet tijdig heeft voldaan aan de veroordeling in het vonnis van 25 maart 2022 betreffende de aandelen. Grief 8 van de man richt zich tegen de door hem aan de vrouw te betalen vergoeding ad € 2.537,64 van de door haar gemaakte kosten ter executie van voormeld vonnis. Grief 9 van de man richt zich tegen de door hem aan de vrouw te betalen wettelijke rente die samenhangt met de door hem verbeurde dwangsommen betreffende de aandelen.
6.1
Dit alles brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd voor zover de man onder 5.1 van dat vonnis is veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 86.000,- aan dwangsommen ter zake de afname van aandelen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 10 september 2022 tot aan de dag van volledige betaling, alsmede voor zover de man onder 5.2 van dat vonnis is veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 2.357,64 aan executiekosten.
6.11
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de man op grond van het bestreden vonnis een bedrag van in totaal € 96.467,29 (inclusief rente en executiekosten) aan de vrouw heeft voldaan (zie randnummer 82 Memorie van antwoord tevens houdend incidenteel appel van de vrouw), zal het hof de vordering van de man om de vrouw te veroordelen dit bedrag aan hem terug te betalen, toewijzen. Voor de vergoeding van wettelijke rente door de vrouw over dit bedrag in de periode gelegen voordat het hof dit arrest, waarmee de terugbetalingsvordering ontstaat, wijst, is echter geen plaats.
Dwangsommen verbeurd ter zake van de afwikkeling van de beleggingspolissen bij Allianz?
6.12
Zoals hiervoor onder r.o. 3.4 reeds is weergegeven, heeft de rechtbank de man bij vonnis van 25 mei 2022 onder verbeurte van een dwangsom veroordeeld tot medewerking aan de afkoop dan wel andere wijze van beëindiging van twee beleggingspolissen bij Allianz. In het onderhavige bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de man ter zake geen dwangsommen is verschuldigd.
6.13
De vrouw is het daar niet mee eens. Volgens de vrouw heeft de man dwangsommen verbeurd wat de afwikkeling van de beleggingspolissen bij Allianz betreft, omdat hij niet tijdig heeft meegewerkt aan het op dit onderdeel definitief afwikkelen van de echtscheiding. Zij heeft ter zake de incidentele grieven 1 tot en met 3 geformuleerd. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
6.14
Het hof is van oordeel dat de rechtbank inzake de afwikkeling van de beleggingspolissen bij Allianz (ook: de polissen) terecht heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze na een eigen afweging tot de zijne. In hetgeen door de vrouw in hoger beroep is aangevoerd, ziet het hof geen reden voor een andere beslissing. Naar het oordeel van het hof voldoet de wijze waarop de man de polissen heeft willen afwikkelen redelijkerwijs aan de veroordeling in het vonnis van 25 mei 2022 waarin de man is veroordeeld tot medewerking aan de afkoop of andere wijze van beëindiging van de polissen. Daarbij komt dat de handelingen van de man om te komen tot een andere wijze van beëindiging van de polissen onweersproken binnen de voormelde termijn van 14 dagen door hem zijn geïnitieerd.
6.15
Gelet op het vorenstaande, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen voor zover daarin de vorderingen van de vrouw inzake de afwikkeling van de polissen bij Allianz zijn afgewezen.
Dwangsommen verbeurd ter zake van het aanwijzen van een deskundige pensioenadviseur?
6.16
Zoals hiervoor onder r.o. 3.4 reeds is weergegeven, heeft de rechtbank de man bij vonnis van 25 mei 2022 onder verbeurte van een dwangsom veroordeeld tot medewerking aan de in het convenant van 20 oktober 2006 overeengekomen pensioenverevening, door het door de man aanwijzen van een deskundige pensioenadviseur.
6.17
De incidentele grieven 4 tot en met 7 van de vrouw richten zich tegen het oordeel in het bestreden vonnis dat de man geen dwangsommen heeft verbeurd inzake de aanwijzing van een deskundige pensioenadviseur in het kader van de tussen partijen in het convenant van 20 oktober 2006 overeengekomen pensioenverevening.
6.18
Het hof is van oordeel dat de rechtbank inzake het aanwijzen door de man van een deskundige pensioenadviseur in het kader van de tussen partijen overeengekomen pensioenverevening terecht heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze na een eigen afweging tot de zijne. In hetgeen de vrouw in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet het hof geen reden voor een andere beslissing. De vrouw heeft - gelijk in eerste aanleg - in hoger beroep evenmin aangevoerd dat de door de man aangewezen pensioenadviseur niet deskundig zou zijn. Zij heeft enkel wederom de onafhankelijkheid van de pensioenadviseur aan de orde gesteld. Dat de eerste, tijdig door de man aangewezen pensioendeskundige [pensioenadviseur] niet onafhankelijk zou zijn, is in het kader van de beoordeling of dwangsommen zijn verbeurd niet van belang aangezien de eis van onafhankelijkheid niet in de desbetreffende veroordeling is opgenomen.
6.19
Gelet op het vorenstaande, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen voor zover daarin de vorderingen van de vrouw inzake de het aanwijzen door de man van een deskundig pensioenadviseur in het kader van de tussen partijen overeengekomen pensioenverevening zijn afgewezen.
Bewijsaanbod
6.2
Het hof gaat voorbij aan bewijsaanbod van de man, alleen al nu hij daar - gelet op de beslissing in het onderhavige arrest - geen belang meer bij heeft.
6.21
Het hof passeert eveneens het bewijsaanbod van de vrouw. De vrouw heeft aangeboden nadere schriftelijke stukken in het geding te brengen. Naar het oordeel van het hof had zij die stukken eerder in het geding kunnen brengen, zodat dit bewijsaanbod tardief is. Het overige door de vrouw aangeboden bewijs dat ziet op het horen van getuigen (de vrouw en haar partner, de financieel adviseur van de vrouw en de pensioenadviseur van de vrouw) acht het hof niet ter zake dienend.
Proceskosten
6.22
Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaak zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De andersluidende vorderingen van partijen zullen worden afgewezen.
6.23
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

7.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2024 voor zover de man onder 5.1 van dat vonnis is veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 86.000,- aan dwangsommen ter zake de afname van aandelen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 10 september 2022 tot aan de dag van volledige betaling, alsmede voor zover de man onder 5.2 van dat vonnis is veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 2.357,64 aan executiekosten en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst de inleidende vorderingen van de vrouw ter zake alsnog af;
veroordeelt de vrouw tot terugbetaling aan de man van een bedrag ad € 96.467,29 binnen 14 dagen na betekening van het door het hof in dezen te geven arrest, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf die datum tot de dag van terugbetaling;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. A.F. Mollema, mr. C.M. van der Kleijn en mr. L.C.A. Verstappen en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025 in aanwezigheid van de griffier.