ECLI:NL:GHDHA:2025:2804

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
22-001128-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake opzettelijke brandstichting, poging tot moord en bedreiging met ernstige gevolgen voor de bewoners

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 19 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam. De verdachte is beschuldigd van opzettelijke brandstichting, poging tot moord en bedreiging. De feiten zijn als volgt: de verdachte heeft in de nacht van 30 juni 2023 brand gesticht bij de voordeur van de woning van zijn ex-partner, terwijl zij en haar vier kinderen zich in de woning bevonden. De verdachte had voorwaardelijk opzet op de dood van de bewoners, aangezien hij er rekening mee hield dat zij thuis waren. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf, maar het hof heeft deze straf verhoogd naar negen jaar en negen maanden, met de toevoeging van tbs met dwangverpleging. Het hof oordeelde dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, gezien zijn eerdere bedreigingen aan het adres van de aangeefster en de omstandigheden waaronder de brandstichting plaatsvond. De verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar verklaard, maar zijn daden zijn als zeer ernstig beoordeeld, gezien het levensgevaar dat hij heeft veroorzaakt. Daarnaast zijn er vorderingen tot schadevergoeding ingediend door de slachtoffers, die gedeeltelijk zijn toegewezen. Het hof heeft de verdachte ook verplicht om schadevergoeding te betalen aan de slachtoffers, waaronder materiële en immateriële schade.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001128-24
Parketnummers: 10-160803-23, 10-182582-22 (TUL)
Datum uitspraak: 19 december 2025
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2024 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1989,
thans gedetineerd in [verblijfplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte en namens de benadeelde partijen naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, onder 2 subsidiair en onder 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de vordering tot tenuitvoerlegging, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Rotterdam
opzettelijk
brand heeft gesticht in een woning aan de [adres] door een brandende sigaret in aanraking te brengen met motorbenzine, zijnde een brandbare vloeistof, die hij op de voordeur van de woning had gegoten/gegooid,
ten gevolge waarvan brand is ontstaan in genoemde woning (waarbij (een) goed(eren) in genoemde woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand),
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor genoemde woning en/of omliggende woningen, in elk geval
gemeen gevaar voor goederen in genoemde woning en/of omliggende woningen
en/of
- levensgevaar voor de bewoner(s) van die woning, zijnde [slachtoffer 1] en/of (haar kinderen zijnde) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]
te duchten was;
2.
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] opzettelijk en
met voorbedachten rade van het leven te beroven,
opzettelijk brand heeft gesticht in [slachtoffer 1] haar woning aan de [adres] terwijl [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] zich op dat moment in de woning bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2023 te Rotterdam
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] opzettelijk
van het leven te beroven, opzettelijk brand heeft gesticht in [slachtoffer 1] haar woning aan de [adres] terwijl [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] zich op dat moment in de woning bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij in of omstreeks de periode van 29 juni tot en met 30 juni 2023 te Rotterdam (meermalen) (telkens) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met
brandstichting, door die [slachtoffer 1] (meermalen) dreigend de woorden toe te voegen
- " Vandaag verbrand ik jouw huis (steek ik jouw huis in brand)" en/of
- " Vandaag verlies jij jouw huis" en/of
- " Vandaag neem ik je te grazen" en/of
- " Raak je alles kwijt" en/of
- " Je gaat zien wat ik met jou ga doen, jij blijft de lul (de klootzak)" en/of
- " Zie je, ik ben voor jouw deur. Als ik zo dadelijk voor een tweede keer kom, dan kom ik alles hiervoor exploderen. Als ik zo dadelijk terugkom, [slachtoffer 1] . verbrand ik jouw huis. Beter ga je nu komen! Voordat ik heel jouw huis in brand steek" en/of
- " Jij wilt grappen maken ik maak jou dood"
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, onder 2 subsidiair en onder 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest, en dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks30 juni 2023 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres] door een brandende sigaret in aanraking te brengen met motorbenzine, zijnde een brandbare vloeistof, die hij op de voordeur van de woning had gegoten/gegooid, ten gevolge waarvan brand is ontstaan in genoemde woning (waarbij
(een)goed
(eren
)in genoemde woning geheel of gedeeltelijk
is/zijn verbrand), terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor genoemde woning en
/ofomliggende woningen
, in elk geval gemeen gevaar voor goederen in genoemde woning en/of omliggende woningen
en
/of
- levensgevaar voor de bewoner
(s
)van die woning, zijnde [slachtoffer 1] en
/of (haar kinderen zijnde
)[slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3] en
/of[slachtoffer 4] en
/of[slachtoffer 5] te duchten was;
2.
hij op
of omstreeks30 juni 2023 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3] en
/of[slachtoffer 4] en
/of[slachtoffer 5] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk brand heeft gesticht in [slachtoffer 1] haar woning aan de [adres] terwijl [slachtoffer 1] en
/of[slachtoffer 2] en
/of[slachtoffer 3] en
/of[slachtoffer 4] en
/of[slachtoffer 5] zich op dat moment in de woning bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij in
of omstreeksde periode van 29 juni tot en met 30 juni 2023 te Rotterdam
(meermalen
) (telkens)[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandelingen
/ofmet brandstichting, door die [slachtoffer 1]
(meermalen)dreigend de woorden toe te voegen
- " Vandaag verbrand ik jouw huis (steek ik jouw huis in brand)" en
/of
- " Vandaag verlies jij jouw huis" en
/of
- " Vandaag neem ik je te grazen" en
/of
- " Raak je alles kwijt" en
/of
- " Je gaat zien wat ik met jou ga doen, jij blijft de lul (de klootzak)" en
/of
- " Zie je, ik ben voor jouw deur. Als ik zo dadelijk voor een tweede keer kom, dan kom ik alles hiervoor exploderen. Als ik zo dadelijk terugkom, [slachtoffer 1]
,verbrand ik jouw huis. Beter ga je nu komen! Voordat ik heel jouw huis in brand steek" en
/of
- " Jij wilt grappen maken ik maak jou dood"
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging feit 2
Vaststelling van feiten
In de nacht van 30 juni 2023, tussen 05.00 en 06.00 uur, heeft er een hevige brand gewoed in de woning van de aangeefster [slachtoffer 1] aan de [adres] te Rotterdam. Op het moment van de brand waren er vijf personen in de woning aanwezig: de aangeefster en haar vier kinderen. Twee kinderen is het gelukt om uit de woning te vluchten. Een ander kind is door de brandweer uit zijn slaapkamer aan de voorzijde van het huis gered. De aangeefster en haar jongste zoon zijn in een slaapkamer aan de achterzijde van de woning ingesloten geraakt door het vuur. Zij hebben beiden ernstige brandwonden opgelopen en zijn ternauwernood door de brandweer met een ladder uit de woning gered.
Brandonderzoek heeft uitgewezen dat de brand is ontstaan door brandstichting, waarbij gebruik is gemaakt van motorbenzine, die over de voorzijde van de voordeur en/of door de brievenbus was gegoten. Door de brand is ook grote schade aan de woning ontstaan.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij heel boos was en dat hij in zijn woede de voordeur van de woning van de aangeefster in brand heeft gestoken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij benzine had meegenomen naar het huis van de aangeefster om daar brand te stichten, dat hij voordat hij de brand aanstak ongeveer een uur rond het huis van de aangeefster heeft rondgelopen, dat hij toen uit de schuur van de aangeefster nog spiritus heeft gepakt en dat hij vervolgens de benzine samen met de spiritus in een bekertje heeft gedaan en dat mengsel samen met een brandende sigaret tegen de voordeur van de aangeefster heeft gegooid.
De verdachte heeft op 29 en 30 juni 2023 via Whatsapp tekst- en spraakberichten naar de aangeefster verstuurd. Op 29 juni 2023, om 16:55 uur, stuurt de verdachte naar de aangeefster “Vandaag verbrand ik jouw huis (steek ik jouw huis in brand)”. Om 16:56 uur stuurt de verdachte “Vandaag verlies jij jouw huis”. Verder stuurt de verdachte “Vandaag ben je verneukt (vandaag neem ik je te grazen)” en “Raak je alles kwijt”. Om 19:23 uur stuurt de verdachte “Zie je, ik ben voor jouw deur. Als ik zo dadelijk voor een tweede keer kom, dan kom ik alles hiervoor exploderen (..) Als ik zo dadelijk terugkom, [slachtoffer 1] , verbrand ik jouw huis. Beter ga je nu komen! Voordat ik heel jouw huis in brand steek.”
Tussen 19:28 uur en 05:45 uur stuurt de verdachte onder meer nog de volgende berichten naar de aangeefster:
19:28 ik zag [naam] iedereen
19:28 begin te komen
19:28 ik ben bij park
19:35 ik meen dit echt
19:35 ik ga dit niet pikken
19:35 kom gewoon naar buiten [slachtoffer 1]
19:41 ga niet liegen
(...)
23:50 ik ben bij hertenkamp
23:50 begin hier naar toe te komen
(...)
00:09 [slachtoffer 1] , kom nu naar buiten
00:09 ik heb je al gezien binnen
(...)
05:45 Zogenaamd vakantie in je ass
Opzet op de dood?
De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of de verdachte opzet had op de dood van de aangeefster en haar kinderen.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval de dood van de aangeefster en haar kinderen – aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Hiervoor is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij dacht dat aangeefster en haar kinderen op het moment van de brandstichting niet in de woning aanwezig waren, maar dat zij op vakantie waren. Die verklaring schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde. Uit de berichten die de verdachte naar de aangeefster heeft verstuurd voorafgaand aan en na de brandstichting komt niet het beeld naar voren dat de verdachte dacht dat aangeefster en haar kinderen
nietin de woning waren. Integendeel, uit die berichten leidt het hof af dat de verdachte er terdege rekening mee hield dat de aangeefster wél thuis was. Kort na middernacht schrijft de verdachte haar immers dat zij naar buiten moet komen en dat hij haar heeft gezien. De verdachte heeft verklaard dat dit ‘bluf’ was en dat hij toen niet bij de woning aanwezig was, maar dat acht het hof onaannemelijk. Niet valt immers in te zien waarom de verdachte de aangeefster maant naar buiten te komen, als hij op dat moment zelf niet in de buurt is. Ook heeft de verdachte de aangeefster eerder die avond geschreven dat zij niet moet liegen en na de brandstichting heeft hij het over een ‘zogenaamde’ vakantie, wat er eveneens op duidt dat de verdachte niet geloofde dat de aangeefster op vakantie was. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de vier kinderen van de aangeefster bij haar woonden. Nu de verdachte er kennelijk rekening mee hield dat de aangeefster thuis was en niet op vakantie, geldt datzelfde voor haar kinderen, zeker gelet op het nachtelijke tijdstip.
Bij een dergelijke wijze van brandstichten, met motorbenzine en spiritus bij de voordeur van een woning, bestaat naar algemene ervaringsregels een reële, niet onwaarschijnlijke kans dat de brandstichting leidt tot een woningbrand met een dodelijke afloop voor de personen die op dat moment in die woning aanwezig zijn. Het is immers algemeen bekend dat bij een brand vuur en rook zich razendsnel, onvoorspelbaar en vaak oncontroleerbaar kunnen uitbreiden. Door als brandhaard de voordeur te kiezen, wordt bovendien een potentiële vluchtroute afgesloten.
Nu dit van algemene bekendheid is, moet de verdachte dit ook hebben geweten. Door desondanks brand te steken, terwijl de verdachte er rekening mee hield dat de bewoners thuis waren en op een tijdstip waarop het voor de hand lag dat de bewoners lagen te slapen, heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan die aanmerkelijke kans. De gedragingen van de verdachte moeten naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan de bewoners van de woning, dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan het hof niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.
Voorbedachte raad?
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Voor bewezenverklaring van voorbedachte raad is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Zoals blijkt uit de hiervoor vastgestelde feiten, heeft de verdachte al in de (voor)avond van 29 juni 2023 herhaaldelijk gewag gemaakt van het in brand steken van de woning van de aangeefster. De verdachte is vervolgens - met een fles benzine - naar de woning van de aangeefster gereden, alwaar hij nog ongeveer een uur voor de brandstichting heeft rondgelopen. In de schuur van de aangeefster heeft hij nog spiritus gepakt en uiteindelijk heeft hij met een mengsel van spiritus en benzine brand gesticht. Deze gang van zaken duidt naar het oordeel van het hof niet op handelen vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Integendeel, uit deze gang van zaken leidt het hof af dat de verdachte zich op meerdere momenten heeft kunnen beraden op het door hem genomen besluit om brand te stichten, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan algemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot moord, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

en

bedreiging met brandstichting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering van straf en maatregel
De straf
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft midden in de nacht opzettelijk brand gesticht bij de woning van zijn ex-vriendin en haar vier kinderen, door benzine en spiritus tegen de voordeur te gooien en dit met een sigaret tot ontbranding te brengen. Hierdoor is er een verwoestende brand in de woning ontstaan. De bewoners zijn hierdoor in hun slaap overvallen en zijn ternauwernood aan de dood ontsnapt. De aangeefster en haar jongste zoon waren door het vuur ingesloten en hebben zo lang in het raamkozijn van hun slaapkamer moeten wachten op hun redding, dat zij ernstige brandwonden hebben opgelopen. Het handelen van de verdachte lijkt te zijn ingegeven door woede op zijn ex-partner, met wie hij de dag daarvoor de relatie had verbroken omdat hij dacht dat zij was vreemdgegaan. Vanuit diezelfde woede heeft hij haar de dag voor de brandstichting meerdere bedreigende berichten gestuurd.
De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan poging tot moord op vijf personen, opzettelijke brandstichting en bedreigingen. Met zijn handelen heeft de verdachte de slachtoffers in levensgevaar gebracht. De brand moet voor hen een traumatische gebeurtenis zijn geweest. Dat zij het hebben overleefd is te danken aan het tijdig optreden van de brandweer, maar een andere, dodelijke afloop was zeer wel denkbaar geweest. Er is ook veel materiële schade aangericht waardoor de slachtoffers hebben moeten verhuizen naar een tijdelijke woning. Dergelijke feiten veroorzaken in hun algemeenheid een schok in de samenleving en zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid. Niet in de laatste plaats bij de bewoners van de omliggende woningen, die door de brand ook in gevaar zijn geweest. Door zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor het leven van een ander.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van de volgende over de verdachte uitgebrachte gedragskundige rapportages:
  • een aanvullende rapportage pro Justitia van 19 december 2024, opgemaakt en ondertekend door Y. Berends (psychiater);
  • een aanvullende rapportage pro Justitia van 16 december 2024, opgemaakt en ondertekend door M.M.E.W. van Dijk (GZ-psycholoog);
  • een rapportage pro Justitia van 17 november 2023, opgemaakt en ondertekend door Y. Berends (psychiater);
  • een rapportage pro Justitia van 16 november 2023, opgemaakt en ondertekend door M.M.E.W. van Dijk (GZ-psycholoog).
Berends en Van Dijk zijn ter terechtzitting in hoger beroep als deskundigen gehoord en hebben hun rapportages nader toegelicht.
Uit de rapportages komt – samengevat en voor zover in het kader van de straftoemeting van belang - het volgende naar voren.
De rapporteurs hebben geconcludeerd dat bij de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, zwakbegaafdheid en een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol. Er lijkt bij de verdachte een patroon te zijn waarbij hij zich gekwetst voelt door het (vermeend) vreemdgaan van zijn partner, waarbij hij opwellende boosheid ervaart en daarbij agressief kan reageren. De combinatie van een problematische situatie en beperkte copingmechanismen zorgt ervoor dat het angst- en stressniveau snel op kan lopen. Het vermogen tot controle over zijn gedrag en gevoel raakt dan overvraagd en er is sprake van een instabiele affectregulatie. Vanuit zijn persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid is de verdachte minder dan een gemiddeld persoon in staat zijn gevoelens te reguleren en op een adequate manier te kanaliseren. Gezien deze beperkte copingstrategieën gebruikt hij middelen om zijn gevoelens te dempen. Echter, verdachte weet ook dat het gebruik van middelen een ontremmend effect op zijn gedrag kan hebben.
Ook bij de tenlastegelegde feiten heeft dit volgens de rapporteurs een rol gespeeld. Zij beschrijven dat de verdachte zich in zijn relatie met de aangeefster meermaals afgewezen heeft gevoeld, wat krenking en boosheid met zich heeft gebracht maar ook angst voor verlating. Op de dag voorafgaand van het tenlastegelegde wordt de relatie verbroken vanwege vermeend vreemdgaan van de aangeefster. Vervolgens wil de verdachte geld van haar; geld dat hij de afgelopen jaren aan haar had gegeven om haar gezin te onderhouden. Op dreigende en antisociale wijze eist hij dit op, waarbij een duidelijke opbouw in boosheid te beschouwen is: eerst appen en daarna het sturen van een video waarbij hij door de straat rijdt. Hij uit doodsbedreigingen en dreigt haar woning in brand te steken. Hij eist een fysieke confrontatie. Als de aangeefster niet komt om het geld te geven en zelfs meldt dat zij op vakantie is, wordt de verdachte nog bozer. De verstoorde balans tussen controle van de boosheid en onmacht zorgt ervoor dat hij uiteindelijk acting-outgedrag vertoont. Dit keer anders dan het aangaan van de confrontatie met de aangeefster omdat zij niet komt. Hij wordt wanhopig. Hij nuttigt een grote hoeveelheid alcohol naast zijn dagelijkse hoeveelheid cannabis terwijl hij weet dat hij ontremd gedrag hiermee in de hand werkt. Daarnaast neemt hij een xtc-pil, waarvan het effect niet duidelijk is. Uiteindelijk gaat de verdachte naar de woning van aangeefster om daad bij zijn woord te voegen en steekt benzine aan bij de voordeur.
Vanuit gedragskundig oogpunt adviseren de rapporteurs de onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten bij bewezenverklaring in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Wegens de ontkennende houding van de verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde wordt hierover geen uitspraak gedaan.
Nu de conclusies van de rapporteurs met betrekking tot de toerekenbaarheid van de tenlastegelegde feiten gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen het hof ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt het hof die conclusies over en maakt die tot de zijne.
Dat betekent dat het hof de bewezenverklaarde feiten de verdachte in verminderde mate toerekent. Dat geldt ook het onder 2 bewezenverklaarde, nu de hiervoor weergegeven bevindingen van de rapporteurs daarop evenzeer van toepassing zijn. De verminderde toerekening heeft een matigende werking op de op te leggen straf.
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan daarop naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaren in beginsel een passende en geboden reactie. Die straf is hoger dan de door de rechtbank opgelegde straf en de door de advocaat-generaal geëiste straf, met name omdat het hof komt tot bewezenverklaring van voorbedachte raad en het hof de verdachte dus een zwaarder verwijt maakt.
Het hof constateert echter dat de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Die termijn bedroeg zestien maanden en is aangevangen op 26 maart 2024, terwijl eindarrest wordt gewezen op 19 december 2025. De redelijke termijn is derhalve met ruim vier maanden overschreden.
Het hof zal die overschrijding verdisconteren in de strafmaat, in die zin dat het hof op de op te leggen gevangenisstraf drie maanden in mindering zal brengen. Dat betekent dat het hof aan de verdacht een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar en negen maanden zal opleggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.
De maatregel
Het hof ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke. Dienaangaande overweegt het hof als volgt.
Uit voormelde pro-Justitiarapportages blijkt dat het recidiverisico door de rapporteurs – zonder nadere interventies – als hoog wordt ingeschat. Ter reductie van recidiverisico achten de rapporteurs het noodzakelijk dat de verdachte intensieve begeleiding en behandeling ontvangt waarbij het primaire doel zal moeten zijn om de externe stressfactoren die risicoverhogend werken zoveel mogelijk te beperken, een vertrouwensband met de verdachte op te bouwen zodat hij in staat is om alternatieve copingstrategieën te ontplooien, en toezicht op het naleven van de behandeling en middelengebruik. Het risicomanagement van de verdachte zal zich vooral moeten richten op externe factoren. Gezien zijn zwakbegaafdheid zijn de te verwachten resultaten van (cognitief gerichte) therapeutische interventies beperkt. Een (lange) klinische behandeling gericht op interne risicofactoren is, gezien de problematiek van de verdachte, waarschijnlijk maar beperkt effectief in het reduceren van het recidiverisico. De nadruk van een behandeling zou dan ook voornamelijk op de resocialisatiefase moeten liggen. Vanuit gedragskundig oogpunt zien de rapporteurs mogelijkheden om de verdachte binnen het kader van een terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden te behandelen, mits dat juridisch haalbaar zou zijn (het hof begrijpt: mits de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf bij een bewezenverklaring dit zou toelaten).
Mocht een tbs met voorwaarden niet haalbaar zijn, dan adviseren de rapporteurs tbs met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging). Gezien de problematiek, het hoge recidiverisico en de beperkte maatschappelijke inbedding bestaat er een noodzaak tot behandeling en begeleiding. Tbs met dwangverpleging voorziet in een langdurig behandeltraject en na jaren opname in een kliniek een resocialisatietraject. Daarmee biedt die maatregel in zijn algemeenheid de meeste garantie op een zorgvuldige en gestructureerde resocialisatie, aldus de rapporteurs. Bij een eventuele oplegging van tbs met dwangverpleging benadrukken de rapporteurs dat kan worden volstaan met een lager beveiligingsniveau (beveiligingsniveau 3 in een Forensisch Psychiatrische Kliniek), van waaruit sneller naar de resocialisatiefase kan worden toegewerkt.
Het vormgeven van een behandel- en resocialisatietraject kan ook binnen een voorwaardelijke invrijheidstelling na jaren detentie, mits de verdachte hier tegen die tijd op vrijwillige basis aan mee werkt. De duur van dat traject is echter naar verwachting van de rapporteurs niet voldoende om tot een compleet afgerond traject te komen. Indien zou blijken dat het risicomanagement bij de verdachte (door onvermogen of onwil) onvoldoende tot stand komt en/of niet haalbaar is binnen de gestelde termijn dan ontbreekt een verplichtend kader en (reclasserings)toezicht na afloop van de oplegde straf, wat in de situatie van de verdachte volgens de rapporteurs onwenselijk is. Indien de verdachte überhaupt niet start aan een dergelijk traject dan zal de noodzakelijke geachte behandeling en begeleiding niet plaatsvinden. Een voorspelling over de mate van motivatie en inzet van de verdachte in beide scenario’s is niet te geven, evenmin als de verwachte uitkomst.
Dit voert het hof tot de volgende conclusies.
Het hof stelt vast dat alle bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn waarvoor tbs kan worden opgelegd; hetzij omdat daarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, hetzij omdat het delict is vermeld in artikel 37a, lid 1, onder 2º, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof stelt voorts vast dat bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, als bedoeld in artikel 37a, lid 1, onder 1º, bestond. Het hof is voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. De persoonlijkheidsproblematiek en het daaruit voortkomende recidiverisico zijn – bezien in het licht van de ernst van de begane feiten – naar het oordeel van het hof van zodanige aard dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om de verdachte onbehandeld te laten terugkeren in de maatschappij. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan die behandeling naar het oordeel van het hof niet afdoende plaatsvinden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het hof verwijst naar hetgeen de pro-Justitiarapporteurs daarover hebben bevonden.
Gelet op de hoogte van de op te leggen straf is tbs met voorwaarden niet mogelijk. Immers kan op grond van artikel 38, lid 3, van het Wetboek van Strafrecht tbs met voorwaarden slechts worden opgelegd indien de op te leggen vrijheidsstraf ten hoogste vijf jaar bedraagt. Het hof is van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de dwangverpleging van de verdachte eist. Zoals hiervoor is uiteengezet acht het hof het immers noodzakelijk dat de verdachte wordt behandeld, terwijl die behandeling niet afdoende in een ander kader kan plaatsvinden. Dat tbs met dwangverpleging ‘niet aangewezen’ zou zijn, zoals de rechtbank heeft overwogen, volgt het hof dus niet. Tbs met dwangverpleging is in de eerste plaats een maatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen. Die bescherming vindt deels plaats door vrijheidsbeneming (een recidivegevaarlijk geacht persoon wordt van de maatschappij weggehouden) en deels door behandeling (de behandeling vermindert het recidiverisico, niet zelden tot een zodanig niveau dat invrijheidstelling verantwoord is). Hoewel de pro-Justitiarapporteurs vanuit gedragskundig oogpunt tbs met voorwaarden het meest aangewezen kader achten, is daarmee niet gezegd dat behandeling in het kader van tbs met dwangverpleging zinloos zou zijn. Dit hebben de rapporteurs ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd. Een langdurige klinische behandeling is voor de verdachte geen verloren tijd. Het hof merkt daarbij op – in navolging van de pro-Justitiarapporteurs – dat de verdachte – indien geïndiceerd – kan worden geplaatst met beveiligingsniveau 3 op een Forensisch Psychiatrische Kliniek, van waaruit sneller naar de resocialisatiefase toegewerkt kan worden.
Het hof stelt tot slot vast dat de tbs met dwangverpleging onder meer wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht waren tegen of gevaar veroorzaakten voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen (het onder 1 en het onder 2 primair bewezenverklaarde). De totale duur van de tbs met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan (artikel 38e, lid 1, van het Wetboek van Strafrecht).
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 74.466,22, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep is deze vordering verlaagd tot een bedrag van € 69.466,22. Dit bedrag bestaat uit € 9.466,22 aan materiële schade en € 60.000,00 aan immateriële schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade is namens de verdachte niet betwist tot een bedrag van € 35.000,00 en voor het overige wel betwist. De vordering ten aanzien van de materiële schade is door de verdediging niet betwist.
Materiële schade
Vaststaat dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden, nu deze is gesteld en niet betwist
.Deze schade is het rechtstreekse gevolg van de onder 1 en onder 2 primair bewezenverklaarde feiten. Deze schade ziet op de kosten die zijn gemaakt in verband met de opname in het ziekenhuis (daggeld), het eigen risico van de zorgverzekering over de jaren 2023 en 2024 en de kosten in verband met de aan de woning en de inboedel ontstane schade (verhuiskosten e.d.). De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, waarbij het hof de volgende aanvangsdata hanteert. Voor het ziekenhuisdaggeld: 10 juli 2023, zijnde de laatste dag van de opname. Voor het eigen risico over 2023: 14 februari 2024, zijnde de factuurdatum. Voor het eigen risico over 2024: 14 februari 2025, zijnde bij benadering de factuurdatum. Voor de woningschade: 31 januari 2024, zijnde de datum die in het midden ligt van de periode waarin deze schadeposten zijn ontstaan (afgaande op de factuurdata).
Immateriële schade
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1 en onder 2 primair bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten tweede- en derdegraads brandwonden op negen procent van de lichaamsoppervlakte. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De vordering is niet betwist tot een bedrag van € 35.000,00. Het hof zal de vordering toewijzen tot dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige acht het hof de vordering onvoldoende onderbouwd. Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Proceskosten
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 44.466,22 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals hiervoor omschreven..
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 60.420,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag. Dit bedrag bestaat uit € 420,00 uit materiële schade en € 60.000,00 aan immateriële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 50.420.00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade is namens de verdachte niet betwist tot een bedrag van € 25.000,00 en voor het overige wel betwist. De vordering ten aanzien van de materiële schade is door de verdediging niet betwist.
Materiële schade
Vaststaat dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden, nu deze is gesteld en niet betwist. Deze schade is het rechtstreekse gevolg van de onder 1 en onder 2 primair bewezenverklaarde feiten. Deze schade ziet op de kosten die zijn gemaakt in verband met de opname in het ziekenhuis (daggeld). De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 juli 2023, zijnde de laatste dag van de opname, tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 1 en onder 2 primair bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten brandwonden met een gemengd karakter, variërend van oppervlakkig tot diep, die tien procent van de lichaamsoppervlakte beslaan. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, als bedoeld in artikel 6:106 BW. De vordering is niet betwist tot een bedrag van € 25.000,00. Het hof zal de vordering toewijzen tot dat bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige acht het hof de vordering onvoldoende onderbouwd. Het hof zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Proceskosten
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 25.420,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals hiervoor omschreven.
Vorderingen tot schadevergoeding [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4]
In het onderhavige strafproces hebben [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] zich als benadeelde partijen gevoegd en vorderingen ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde, telkens tot een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag.
In hoger beroep zijn deze vorderingen aan de orde tot deze in eerste aanleg toegewezen en in hoger beroep gehandhaafde bedragen.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vorderingen zijn door de verdediging niet betwist.
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partijen als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon zijn aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Weliswaar hebben de benadeelde partijen dat niet met concrete gegevens onderbouwd, maar het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschendingen meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het hof overweegt daartoe dat de benadeelde partijen het slachtoffer zijn geworden van poging tot moord en brandstichting. Zij hebben in acuut levensgevaar verkeerd en hebben in het holst van de nacht hun woning moeten ontvluchten, waar op dat moment een felle brand woedde. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De hoogte van de schade is door of namens de verdachte niet betwist. De gevorderde bedragen van telkens € 10.000,00 zullen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen vanaf 30 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4]
Nu vaststaat dat de verdachte telkens tot een bedrag van € 10.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen telkens dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers [slachtoffer 5] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] , te vermeerderen met de wettelijke rente, zoals hiervoor omschreven.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2022 onder parketnummer 10-182582-22 is de verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van drie weken met een proeftijd van twee jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep - in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf -gevorderd dat die vordering wordt afgewezen.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. Niettemin, zal het hof, overeenkomstig het standpunt van de advocaat-generaal, de vordering afwijzen. Gezien de op te leggen straf en maatregel acht het hof tenuitvoerlegging thans niet opportuun.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 157, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) jaren en 9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van
overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 44.466,22 (vierenveertigduizend vierhonderdzesenzestig euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 9.466,22 (negenduizend vierhonderdzesenzestig euro en tweeëntwintig cent) materiële schade en € 35.000,00 (vijfendertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 44.466,22 (vierenveertigduizend vierhonderdzesenzestig euro en tweeëntwintig cent) bestaande uit € 9.466,22 (negenduizend vierhonderdzesenzestig euro en tweeëntwintig cent) materiële schade en € 35.000,00 (vijfendertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 160 (honderdzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op de volgende aanvangsdata.
Voor het ziekenhuisdaggeld: 10 juli 2023, zijnde de laatste dag van de opname. Voor het eigen risico over 2023: 14 februari 2024, zijnde de factuurdatum. Voor het eigen risico over 2024: 14 februari 2025, zijnde bij benadering de factuurdatum. Voor de woningschade: 31 januari 2024, zijnde de datum die in het midden ligt van de periode waarin deze schadeposten zijn ontstaan (afgaande op de factuurdata).
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 juni 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 25.420,00 (vijfentwintigduizend vierhonderdtwintig euro) bestaande uit € 420,00 (vierhonderdtwintig euro) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 25.420,00 (vijfentwintigduizend vierhonderdtwintig euro) bestaande uit € 420,00 (vierhonderdtwintig euro) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 92 (tweeënnegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 juli 2023 en de immateriële schade op 30 juni 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 36 (zesendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 juni 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 36 (zesendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 juni 2023.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 36 (zesendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 juni 2023.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 24 januari 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2022, parketnummer 10-182582-22, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Dit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar, mr. B.W. Mulder en mr. A. de Lange, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 december 2025.
mr. B.W. Mulder is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.