ECLI:NL:GHDHA:2025:2834

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
18 januari 2026
Zaaknummer
22-000351-25
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens diefstallen uit woonzorgcentra met DNA-bewijs

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere veroordeling van de verdachte voor twee diefstallen uit woonzorgcentra. De verdachte, geboren in 1987, werd beschuldigd van het stelen van een portemonnee en geld uit een verzorgingshuis en van een iPad en geld uit een andere woning. Het hof heeft vastgesteld dat er voldoende bewijs was voor de diefstallen, met name door de aanwezigheid van DNA van de verdachte op een zaklamp die op de plaats delict was aangetroffen. De verdachte ontkende de feiten en gaf geen aannemelijke verklaring voor het DNA-bewijs. Het hof oordeelde dat de verdachte als recidivist moet worden beschouwd, gezien eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. De opgelegde straf was een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Daarnaast werd een vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarbij het hof oordeelde dat een deel van de schade al door de verzekering was vergoed. De vordering tot schadevergoeding werd voor het overige afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000351-25
Parketnummer: 09-327765-24
Datum uitspraak: 31 december 2025
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 3 februari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
BRP-adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Tevens is er een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 24 mei 2024 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg een portemonnee en/of geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;
2.
hij op of omstreeks 7 april 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg een ipad en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. In het bijzonder neemt het hof andere beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en zal het hof de bewijsvoering anders vormgeven.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks24 mei 2024 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg een portemonnee en
/ofgeld
, in elk geval enig goed,dat/die
geheel of ten deleaan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebrachtdoor middel van inklimming;
2.
hij op of omstreeks 7 april 2024 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg een
iPaden
/ofeen geldbedrag,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [slachtoffer 2],
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
en/of verbrekingen
/ofinklimming en
/ofdie weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van
braak en/ofverbreking
en/of inklimming.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Feit 1
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat op 24 mei 2024 bij een verzorgingshuis van [naam woonzorgcentra] (hierna: [naam woonzorgcentra]) is ingebroken waarbij een portemonnee en een geldbedrag is weggenomen, die toebehoorden aan [slachtoffer 1].
Uit het dossier blijkt dat rond 01.00 uur een verzorgende van het [naam woonzorgcentra] een controleronde langs de kamers liep. Bij het betreden van kamer 1.25 zag zij een man in de kamer staan. Het ging om een blanke man van 25-40 jaar oud. Deze man draaide zich om en rende vervolgens in de richting van het balkon, waarna hij van het balkon sprong. Naast het beademingsapparaat van het slachtoffer is op de grond een zwarte zaklamp aangetroffen die niet van de bewoonster was en ook niet van het verzorgingshuis. Het hof stelt dan ook vast dat de aangetroffen zaklamp delict-gerelateerd is, en kennelijk door de dader is achtergelaten. Uit het rapport forensisch DNA-onderzoek van Eurofins van 15 augustus 2024 volgt dat op zowel de buitenzijde van deze zaklamp als op het polsbandje daarvan DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen.
De verdachte ontkent het hem ten laste gelegde feit en heeft bij de politie verklaard dat hij niet weet hoe het mogelijk is dat zijn DNA op de zaklamp is aangetroffen. Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat mede gelet op de verklaring van de verdachte het aantreffen van het DNA van de verdachte onvoldoende is voor een bewezenverklaring en dat het volgens de aangeefster zou gaan om een dader van Poolse afkomst.
Naar het oordeel van het hof levert het aantreffen van de zaklamp met daarop op verschillende plaatsen DNA-materiaal van de verdachte in de gegeven omstandigheden wel degelijk voldoende redengevend bewijs op voor het daderschap van de verdachte in het geval de verdachte daarvoor geen (plausibele) verklaring geeft. De verdachte heeft in casu geen aannemelijke, hem ontlastende, verklaring gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA op de zaklamp, ook niet toen hij daar door de politie mee werd geconfronteerd. Hij verklaarde toen immers slechts “
Wat een verhaal. Ik vind het apart maar goed. Ik sta nergens meer van te kijken met wat ze allemaal aan komen.” Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is de verdachte vervolgens niet ter terechtzitting verschenen, zodat hij ook die gelegenheden niet heeft benut om een verklaring te geven voor het aangetroffen DNA-materiaal.
Daarbij overweegt het hof nog dat hetgeen door de verdediging is aangevoerd naar het oordeel van het hof niet in de weg staat aan een bewezenverklaring. Niet aannemelijk is geworden dat de zaklamp op een andere wijze in de kamer van het verzorgingshuis terecht is gekomen dan tijdens de diefstal door toedoen van de verdachte. Daarbij merkt het hof op dat de omstandigheid dat de aangeefster heeft verklaard dat de man die zij in de kamer zag vermoedelijk (gebrekkig) Pools sprak niet afdoet aan de op grond van de bewijsmiddelen verkregen overtuiging dat de verdachte degene is die de diefstal heeft gepleegd. Op grond waarvan de aangeefster heeft aangenomen dat de man Pools sprak is onvoldoende duidelijk, terwijl de aangifte ook blijk geeft van onzekerheid op dat vlak en de verdachte wel past in de hiervoor weergegeven omschrijving van het uiterlijk van de dader.
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden en het uitblijven van een aannemelijke, de redengevendheid ontzenuwende verklaring van de verdachte voor de DNA-match, acht het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee diefstallen, in beide gevallen uit een woonzorgcentrum. Bij een van de diefstallen was het woonzorgcentrum zelf slachtoffer van de diefstal, terwijl bij de meeste recente diefstal een hoogbejaarde vrouw die in dezelfde kamer aan de beademing lag het slachtoffer werd. De verdachte heeft daarbij kennelijk alleen oog gehad voor de geldelijke opbrengst. Bij de inbraak in het verzorgingshuis waarbij de inhoud van een kluis is weggenomen was sprake van forse schade als gevolg van de inbraak. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien
gevoelens van onveiligheid in de samenleving en met name bij de benadeelden of hun omgeving. Het hof heeft ook strafverzwarend meegewogen dat de verdachte heeft ingebroken in een instelling die zorg levert aan kwetsbare mensen en in de kamer van een persoon die in de laatste fase van haar leven verkeerde.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van (ook soortgelijke) strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Dat de eerdere veroordelingen wegens soortgelijke feiten van enige tijd gelden dateren, doet er niet aan af dat de verdachte als recidivist heeft te gelden.
Bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen straf heeft het hof acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die worden gehanteerd bij de straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf van vijf maanden voor inbraak in een woning en een gevangenisstraf van 10 weken voor inbraak in een bedrijfspand indien sprake is van recidive.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de door de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf zonder meer gerechtvaardigd is. Het hof ziet – mede gelet op de eis van de advocaat-generaal - geen aanleiding om in hoger beroep een gevangenisstraf van langere duur op te leggen.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 6.053,06.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot een bedrag van € 6.052,86, te weten het bedrag waarvoor de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.
De advocaat-generaal heeft bevestiging van het vonnis gevorderd, en daarmee impliciet geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 6.039,51, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte betwist.
Uit de e-mail van 16 december 2025 van de advocaat van de benadeelde partij blijkt dat een bedrag van € 3.718,55 door de verzekering reeds is vergoed, zodat de benadeelde partij in zoverre geen schade heeft geleden. Het hof zal de vordering van de benadeelde partij voor dit deel dan ook afwijzen.
Daarnaast is het hof van oordeel dat de vordering met betrekking tot de schade aan de kluis onvoldoende is onderbouwd. Niet alleen is niet duidelijk of de schade van dien aard is dat de kluis geheel vervangen dient te worden, maar ook de (vervangings-)waarde van de kluis is slechts zeer summier onderbouwd. Een nadere gelegenheid geven voor een onderbouwing hiervan zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij wel aangetoond dat tot een bedrag van € 500,00 materiële schade is geleden, te weten het niet door de verzekering uitgekeerde deel van het weggenomen geldbedrag. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toede vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst afde vordering van de benadeelde partij voor zover betrekking hebbend op het bedrag van € 3.718,55 dat reeds door de verzekering is vergoed.
Verklaart de benadeelde partij
voor het overige niet-ontvankelijkin de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
7 april 2024.
Dit arrest is gewezen door mr. B.P. de Boer, als voorzitter, mr. H.C. Plugge en mr. A.E. Harteveld, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.G. Ouwens.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 december 2025.
Mr. H.C. Plugge, mr. A.E. Harteveld en de griffier zijn buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.