ECLI:NL:GHDHA:2025:2850

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
22-002322-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zedenzaak met minderjarige slachtoffers en toepassing jeugdstrafrecht

In deze zedenzaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 3 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de verdachte, geboren in 1993, die zich schuldig heeft gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid en het plegen van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van twee minderjarige slachtoffers, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, maar het hof heeft de straf in hoger beroep verhoogd naar 20 maanden, met 10 maanden voorwaardelijk. De zaak betreft misbruik dat plaatsvond in de periode van 2009 tot 2016, waarbij de verdachte gebruik maakte van zijn positie als pleegbroer van de slachtoffers. Het hof heeft de verklaringen van de slachtoffers als betrouwbaar beoordeeld, ondanks de verdediging die twijfels uitte over de geloofwaardigheid van deze verklaringen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zijn slachtoffers ernstig heeft benadeeld en dat de gevolgen van zijn daden langdurig zijn. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn gedeeltelijk toegewezen, met een schadevergoeding van €12.625,00 voor [slachtoffer 1] en €16.709,82 voor [slachtoffer 2]. Het hof heeft de verdachte ook verplicht om deze bedragen aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002322-24
Parketnummer: 10-073610-23
Datum uitspraak: 3 december 2025
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 juni 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
BRP-adres: [woonadres], [woonplaats] ([land]),
ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven adres: [verblijfadres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde in de vorm van een meldplicht. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2016 tot 01 oktober 2016 te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee, in elk geval in Nederland,
door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en)
iemand, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- betasten van en/of wrijven over en/of knijpen in de al dan niet beklede benen en/of billen en/of borsten en/of vagina van die [slachtoffer]
het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het
- onverhoeds en/of onverwachts uitvoeren van die ontuchtige handelingen bij die [slachtoffer 1] (terwijl die [slachtoffer 1] lag te slapen en/of aan het ontwaken was) en/of - misbruik maken van het uit zijn leeftijd voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht en/of
- ( dwingend) tegen die [slachtoffer 1] zeggen dat ze het niet tegen haar papa en mama mocht zeggen omdat er anders iets zou gebeuren;
2.
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2009 tot 01 januari 2011 te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee, in elk geval in Nederland, met iemand die de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, te weten met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1999), handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], namelijk het, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
- brengen en/of (vervolgens) houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2] en/of
- brengen en/of houden en/of bewegen van zijn, verdachtes, tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 2].
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven reeds omdat het hof komt tot een enigszins andere bewezenverklaring. Ook zal het hof de bewijsvoering aanpassen en andere beslissingen nemen ten aanzien van de strafoplegging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
een of meertijdstip
(pen
)in
of omstreeksde periode van 01 april 2016 tot 01
septemberoktober2016 te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee,
in elk geval in Nederland,
door
geweld en/of (een) anderefeitelijkhe
(i)d
(en) en
/ofdoor bedreiging met geweld
en/of
door bedreigingmet (een) andere feitelijkhe(i)d(en)
,
iemand, te weten [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot het
plegen en/ofdulden van
een of meerontuchtige handeling
(en
), namelijk het meermalen
, althans eenmaal, (telkens)-betasten van en/of wrijven over en/of knijpen in de al dan niet beklede benen en/of billen en/of borsten en/of vagina van die [slachtoffer 1]
en welkehet geweld en/of een anderefeitelijkhe
(i)d
(en
) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het
- onverhoeds en
/ofonverwachts uitvoeren van die ontuchtige handelingen bij die [slachtoffer 1] (terwijl die [slachtoffer 1] lag te slapen en/of aan het ontwaken was) en
/of- misbruik maken van het uit zijn leeftijd voortvloeiend psychisch en
/offysiek en
/ofgeestelijk overwicht en
/of
- ( dwingend) tegen die [slachtoffer 1] zeggen dat ze het niet tegen haar papa en mama mocht zeggen omdat er anders iets zou gebeuren;
2.
hij op
een of meertijdstip
(pen
)in
of omstreeksde periode van 01 januari 2009 tot 01 januari 2011 te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee,
in elk geval in Nederland,met iemand die de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, te weten met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] 1999), handelingen heeft gepleegd die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], namelijk het
,meermalen
, althans eenmaal, (telkens)
- brengen en
/of(vervolgens) houden en
/ofbewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina
, althans tussen de schaamlippenvan die [slachtoffer 2] en
/of
- brengen en
/ofhouden en
/ofbewegen van zijn, verdachtes, tong in de vagina
, althans tussen de schaamlippenvan die [slachtoffer 2].
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte van deze feiten dient te worden vrijgesproken nu het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor een bewezenverklaring en een veroordeling. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters (hierna: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) onvoldoende betrouwbaar zijn en het dossier onvoldoende steunbewijs bevat. Een en ander heeft hij nader onderbouwd in zijn pleitnota.
De advocaat-generaal heeft in zijn requisitoir aangegeven waarom hij tot de conclusie komt dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Inleiding
Het hof stelt voorop dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om voor het bewijs te bezigen wat uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Indien ten aanzien van de betrouwbaarheid van het gebruikte bewijsmateriaal door of namens de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten worden ingenomen, brengt de motiveringsplicht in de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv mee dat de feitenrechter zijn beslissing nader motiveert.
Op ongeveer tienjarige leeftijd (rond 2003) is de verdachte in een pleeggezin in Oude-Tonge
terechtgekomen. In 2009 werd een ander pleegkind in hetzelfde gezin geplaatst: [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]). Zij heeft daar ongeveer twee jaar gewoond. In 2016 werd de woning van de pleegouders van de verdachte verbouwd en moesten zijn pleegouders en hij tijdelijk ergens anders wonen. De verdachte heeft toen van april tot en met augustus 2016 ingewoond bij de familie [familienaam slachtoffer 1]. Daar woonde ook [slachtoffer 1], de dochter van de familie [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben beiden verklaard dat zij door de verdachte seksueel zijn misbruikt.
Betrouwbaarheid verklaringen
Anders dan de verdediging ziet het hof – met de rechtbank - geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben afgelegd.
Het hof overweegt daartoe dat [slachtoffer 1] haar verhaal in mei 2022 eerst tegen een schoolvriendin heeft verteld en kort daarna tegen haar moeder. Haar ouders hebben contact opgenomen met de politie. [slachtoffer 1] heeft daar in bijzijn van haar vader een informatief gesprek gehad, daarna heeft haar moeder aangifte gedaan en is [slachtoffer 1] als getuige gehoord. Alle keren heeft zij hetzelfde verhaal verteld. Zij heeft consistent verklaard over de plaats, gelegenheid en de manier waarop het misbruik plaatsvond. De door [slachtoffer 1] afgelegde verklaringen zijn voorts onderzocht door twee deskundigen, die hebben geconcludeerd dat hun observaties beter passen bij het scenario dat de verklaringen van [slachtoffer 1] valide zijn dan bij het scenario dat die verklaringen invalide zijn.
Ook [slachtoffer 2] heeft consistent verklaard. Dat [slachtoffer 2] kwetsbaar is, zoals de verdediging heeft aangevoerd, is op zichzelf geen reden om aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen te twijfelen. Dat [slachtoffer 2] de verdachte op latere leeftijd (toen zij ongeveer 16 of 17 jaar was) nog een keer heeft opgezocht, is dat evenmin. Bij de rechter-commissaris heeft zij namelijk verklaard waarom zij dat destijds heeft gedaan: ze was weggelopen uit de instelling waar ze gesloten was geplaatst, was op zoek naar een familieband en dacht toen als eerste aan de verdachte. Ze zou zich op dat moment nog niet hebben gerealiseerd dat de gebeurtenissen van vroeger neerkwamen op seksueel misbruik. Die verklaring komt het hof niet onaannemelijk voor.
Het hof is dan ook van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Die verklaringen kunnen dus voor het bewijs worden gebruikt.
Steunbewijs
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er voldoende steunbewijs is voor de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en overweegt daartoe als volgt.
Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op elk onderdeel daarvan. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval.
Het hof stelt voorop dat het bij zedenzaken - waarin het vaak enkel betreft de verklaring van de verdachte tegenover de verklaring van het vermeende slachtoffer - veelal aankomt op de vraag in hoeverre de door het slachtoffer, in dit geval dus [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaarde gang van zaken steun vindt in andere bewijsmiddelen. Naar vaste rechtspraak hoeft het steunbewijs echter geen betrekking te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. Het is derhalve voldoende wanneer de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op bepaalde punten bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar staat tegenover dat tussen de verklaringen en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Steunbewijs verklaring [slachtoffer 1]
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] in voldoende mate steun vindt in de manier waarop de
disclosureplaatsvond. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij begin 2022 een boekje over seksuele voorlichting van haar moeder kreeg en dat ze bij het lezen daarvan tot het besef kwam dat wat de verdachte bij haar had gedaan helemaal niet goed was. In dat boekje stond dat als er iets is gebeurd, je dat moet zeggen tegen iemand die je vertrouwt. [slachtoffer 1] heeft vervolgens een schoolvriendinnetje in vertrouwen genomen.
Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat het feit dat deze
disclosurepas na ongeveer zes jaar plaatsvond, zich goed laat verklaren. In 2016 was [slachtoffer 1] immers nog maar zes jaar oud en had – naar het hof aanneemt – nog geen enkel besef van seksualiteit. Ze heeft zelf verklaard dat ze eerst niet echt wist wat er gebeurde en dat ze er lange tijd niet aan had gedacht. Dat [slachtoffer 1] niet al eerder iets aan haar ouders had verteld, past voorts ook bij haar verklaring dat de verdachte haar had opgedragen niets aan haar ouders te vertellen omdat er anders iets zou gebeuren. Zij had het daarom lange tijd niet durven vertellen.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] daarnaast worden ondersteund door de gedragsveranderingen van [slachtoffer 1] die zijn begonnen ten tijde van dan wel kort na de tenlastegelegde periode. Zo blijkt uit de schoolverslagen van [slachtoffer 1] dat zij half november 2016 “al een tijdje niet lekker in haar vel zat”, terwijl het half februari 2015 nog “prima” ging met [slachtoffer 1].
Voorts worden de verklaringen van [slachtoffer 1] ondersteund door de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1]. De moeder van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat haar dochter in groep 4 een schriftje van de juf had gekregen om te oefenen met het opschrijven van emoties. Dit laatste blijkt ook uit het schoolverslag van half november 2017.
De moeder had in dit schriftje gelezen dat ze (het hof begrijpt: [slachtoffer 1])
een geheimhad. Dit past in de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij wat er tussen haar en de verdachte was gebeurd niet tegen haar vader of moeder mocht zeggen.
Het hof is derhalve van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] voldoende worden ondersteund door overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.
Steunbewijs verklaring [slachtoffer 2]
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het dossier voldoende steunbewijs bevat voor de als geloofwaardig en betrouwbaar beoordeelde verklaringen van [slachtoffer 2].
[slachtoffer 2] heeft verklaard dat er een slot op haar deur werd geplaatst, nadat zij aan de getuige [getuige], destijds de pleegmoeder van [slachtoffer 2] en de verdachte, had verteld dat de verdachte aan haar had gezeten. Volgens [slachtoffer 2] ging de verdachte de sleutel dan zoeken en kwam hij alsnog binnen. Toen de pleegmoeder hier lucht van kreeg, is het ook gebeurd dat de verdachte het raam van de slaapkamer van [slachtoffer 2] openzette en via de boom alsnog haar kamer binnenklom. Dit deed hij ’s avonds als [slachtoffer 2] in bed lag.
De verklaringen van [slachtoffer 2] worden in dit geval ondersteund door de verklaring van de pleegmoeder.
Zij heeft bij de politie verklaard dat haar man wel eens had gezegd dat hij de verdachte naar de kamer van [slachtoffer 2] zag gaan en dat er vervolgens een slot op de deur van [slachtoffer 2] was gezet. Bij de raadsheer-commissaris heeft de pleegmoeder verklaard dat in de eerste weken dat [slachtoffer 2] in het gezin was, haar man wel eens tegen de pleegmoeder had gezegd dat hij de verdachte niet helemaal vertrouwde en dat zij toen gelijk een slot op de deur van [slachtoffer 2] had laten zetten.
Afgestemde verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]?
Anders dan de raadsman stelt, is niet gebleken dat de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op enigerlei wijze aan elkaar gelieerd zijn. Hetgeen de raadsman daartoe heeft aangevoerd, is niet onderbouwd en miskent dat [slachtoffer 2] haar
disclosureal veel eerder had gedaan, namelijk aan haar persoonlijk begeleider. Uit de getuigenverklaring van deze begeleider volgt namelijk dat zij in 2020 met [slachtoffer 2] mee was naar een afspraak met de gynaecoloog. De begeleidster van [slachtoffer 2] zag tijdens dit onderzoek dat [slachtoffer 2] lichamelijk heel heftig reageerde en vroeg haar na afloop of [slachtoffer 2] hier meer over wilde vertellen. [slachtoffer 2] vertelde haar toen dat zij door haar pleegbroer [verdachte] was misbruikt en dat hij ’s nachts haar slaapkamer binnenkwam, achter haar ging liggen, met zijn hand in haar broek ging en aan haar vagina zat. Uit de bij het proces-verbaal gevoegde rapportages blijkt dat dit bezoek aan de gynaecoloog heeft plaatsgevonden op 17 juni 2020. Het hof stelt vast dat dit ruim is voordat [slachtoffer 1] in 2022 met haar verhaal naar buiten kwam.
Naar het oordeel van het hof volgt uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onafhankelijk van elkaar met hun verhaal naar buiten zijn gekomen en blijkt uit de voornoemde gang van zaken niet dat er sprake is van beïnvloeding van [slachtoffer 2] door het appgesprek met de moeder van [slachtoffer 1], eind augustus 2022, en de daarop volgende aangifte van en namens [slachtoffer 1].
Verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] versterken elkaar
Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] elkaar ook nog eens versterken. Zo overweegt het hof dat in beide gevallen de verdachte zijn pleegzusjes in de naastgelegen slaapkamer opzocht, meestal ook op een moment waarop ze al sliepen, om vervolgens naast hen in bed te gaan liggen of zitten en hen te betasten. In dit opzicht en voor zover is sprake van schakelbewijs. Dat de seksuele handelingen bij [slachtoffer 2] – met wie de verdachte in leeftijd 4 jaar verschilde - verder gingen dan de handelingen bij de veel – namelijk ruim 16 jaar - jongere [slachtoffer 1], doet daar niet aan af.
Hier komt nog bij – zoals ook de rechtbank heeft overwogen - dat de verdachte steeds heeft verklaard dat hij met geen van beide meisjes ooit problemen heeft gehad. Zij gingen juist als familie met elkaar om. Dat er in dat licht niet één, maar twee vrouwen zijn die los van elkaar over seksueel overschrijdend handelen van de verdachte hebben verklaard, terwijl de verdachte daarvoor ook nu nog geen enkele verklaring heeft kunnen geven, versterkt naar het oordeel van het hof de verklaringen van beide meisjes over wat hen door de verdachte is aangedaan.
Conclusie
De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vinden – mede in onderling verband en in samenhang bezien - voldoende steun in andere bewijsmiddelen in het dossier, zodat voldaan is aan het bewijsminimum als bedoeld in artikel 342 Sv. Het hof acht de feiten 1 en 2 dan ook wettig en overtuigend bewezen en verwerpt het verweer van de verdediging op alle onderdelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich in de periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2011 en in de periode van 1 april 2016 tot 1 september 2016 op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan – kort gezegd - het plegen van ontuchtige handelingen met zijn twee minderjarige pleegzusjes. De verdachte kwam regelmatig naar de slaapkamers van de jonge slachtoffers met wie hij (tijdelijk) in hetzelfde huis woonde, om seksuele handelingen bij hen te verrichten. Soms sliepen de meisjes nog wanneer hij aan hen begon te zitten.
Het ene slachtoffer, [slachtoffer 2], was 9 jaar oud toen het misbruik begon, terwijl de verdachte op dat moment 15 jaar oud was. De verdachte is bij haar ook seksueel binnengedrongen met zijn vingers en tong. Het andere slachtoffer, [slachtoffer 1], was nog maar 6 jaar oud toen het misbruik plaatvond. De verdachte was op dat moment 22 jaar.
Het misbruik vond plaats in de gezinnen waarin de verdachte, al dan niet tijdelijk, als pleegkind werd opgevangen. Voor [slachtoffer 2] was dat ook het pleeggezin waar zij zelf een tijd werd opgevangen, en voor [slachtoffer 1] was dat in haar ouderlijk huis, waar de verdachte een tijd logeerde. De ontuchtige handelingen vonden dus plaats op een plek waar de kwetsbare, jonge slachtoffers zich bij uitstek veilig zouden moeten kunnen voelen. De verdachte heeft één van de slachtoffers dat gevoel van veiligheid gedurende lange periode ontnomen. Ook het andere slachtoffer was uiterst kwetsbaar, als 6-jarig kind ten overstaan van een 22-jarige volwassen man, die haar bovendien zei dat als zij het aan haar ouders zou vertellen, er iets ergs zou gebeuren.
Door aldus te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van de slachtoffers ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeften/verlangens en heeft daarbij bewust misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van de slachtoffer. Zo gebruikte hij zijn fysieke en psychische overwicht om de meisjes te doen dulden dat hij de ontuchtige handelingen bij hen pleegde. Het hof rekent dit de verdachte ernstig aan. Naar de ervaring leert hebben slachtoffers van dit soort delicten langdurig te lijden van de ten gevolge van deze delicten opgelopen trauma's en de daardoor veroorzaakte emotionele schade.
Uit de verschillende verhoren en de slachtofferverklaring ter zitting in hoger beroep van [slachtoffer 2], blijkt dat zij niet alleen destijds onder het misbruik heeft geleden, maar dat zij tot op heden in haar dagelijks leven lijdt onder de gevolgen van het misbruik.
De ouders van [slachtoffer 1] hebben eveneens op indringende wijze verklaard over de ernstige en langdurige gevolgen die het misbruik op haar leven heeft gehad en nog steeds heeft.
De verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen willen nemen en de verklaringen van beide slachtoffers afgedaan als onzinnig.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.
Voorts heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsadvies van 30 mei 2024 over de verdachte. Uit dit advies komt – kort weergegeven – naar voren dat de reclassering geen goed beeld van de verdachte heeft kunnen krijgen en dat het recidiverisico niet kan worden ingeschat wegens de ontkennende houding van de verdachte. Volgens de reclassering zijn er daardoor ook te weinig aanknopingspunten om bijzondere voorwaarden te kunnen formuleren.
Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat de verdachte nog steeds woont en werkt in België en dat hij een vast contract heeft.
Jeugdstrafrecht
De verdachte was ten tijde van het plegen van het onder 2 bewezenverklaarde feit 15 jaar oud, waardoor voor dat feit toepassing dient te worden gegeven aan het jeugdstrafrecht.
Het hof acht – alles afwegende – ten aanzien van feit 1 een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Het hof ziet geen noodzaak tot het verbinden van bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf.
Ten aanzien van feit 2 acht het hof – met name gelet op de minderjarigheid van de verdachte ten tijde van het plegen van dit feit - een jeugddetentie van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf en jeugddetentie zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 13.625,00, bestaande uit een bedrag van € 6.125,00 aan
materiële schade en een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gevorderde materiële schade is geleden.
Met de rechtbank acht het hof het causale verband tussen het bewezenverklaarde feit en het oplopen van een jaar studievertraging voldoende onderbouwd, en daarmee de
de vordering tot vergoeding van de materiële schade volledig toewijsbaar, ook gelet op het normbedrag van de Letselschade Richtlijn Studievertraging (voor het jaar 2019, zoals is gevorderd). De materiële vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot het gehele gevorderde bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de gevorderde datum, 9 juli 2019, tot aan de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Weliswaar heeft de benadeelde partij dat niet met concrete gegevens onderbouwd, maar het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding.
Om de omvang van de immateriële schade te kunnen bepalen, heeft het hof gekeken naar de in de
Rotterdamse schaalvoor dit soort feiten genoemde schadebedragen.
In de zeer jonge leeftijd van de benadeelde partij, die daardoor niet alleen als een kwetsbaar slachtoffer moet worden aangemerkt maar waardoor ook het leeftijdsverschil met de dader groot is, ziet het hof aanleiding om de schade te begroten op het maximum van deze schaal. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, waarbinnen dit bedrag eveneens past.
Het hof is van oordeel dat de vordering voor vergoeding van immateriële schade zich – gelet op het vorenstaande en naar maatstaven van billijkheid – leent voor toewijzing tot een bedrag van € 6.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 12.625,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 1].
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Het hof zal de vervangende gijzeling, die kan worden toegepast bij niet-volledige betaling, bepalen op 90 dagen.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 2]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 19.209,82, bestaande uit een bedrag van € 9.209.82 aan materiële schade - te weten de kosten van het (wettelijk) eigen risico van 2018 tot en met 2024 (€ 1.984,82) en de kosten van één jaar studievertraging (€ 7.225,00) -, een bedrag van € 7.500,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 2.500,00 aan toekomstige schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.
De advocaat-generaal heeft – in afwijking van zijn op schrift gestelde requisitoir – geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Met betrekking tot de post “eigen risico” is het hof van oordeel dat de benadeelde partij heeft aangetoond dat deze schade is geleden en dat de daarop betrekking hebbende medische zorg noodzakelijk is geweest als rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde.
Met betrekking tot de post “studievertraging” is het hof van oordeel dat de benadeelde partij meerdere jaren studievertraging heeft opgelopen en dat er meerdere potentiële oorzaken voor die studievertraging naar voren komen in het dossier. Echter, evenals de rechtbank acht het hof het aannemelijk dat ten minste één jaar studievertraging aan het bewezenverklaarde te wijten is. Anders dan de rechtbank zal het hof die schade begroten op € 7.225,00, conform de aanbevelingen en het normbedrag van de Letselschade Richtlijn Studievertraging voor het jaar 2024, het jaar waarin de procedure is gestart en de schadevergoeding is gevorderd. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Het hof stelt de ingangsdatum op de dag van indiening van het voegingsformulier, zijnde 29 mei 2024, tot aan de dag der algehele voldoening nu de schade – het eigen risico en de studievertraging - niet direct is ingetreden op de dag van het bewezenverklaarde feit en overigens niet per post duidelijk is wanneer de kosten precies zijn gemaakt.
Toekomstige schade
Voor het deel van de vordering dat ziet op “toekomstige schade” dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat dit bedrag niet nader is onderbouwd.
Immateriële schade
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Weliswaar heeft de benadeelde partij dat niet met concrete gegevens onderbouwd, maar het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding.
Om de omvang van de immateriële schade te kunnen bepalen, heeft het hof gekeken naar de in de Rotterdamse schaal voor dit soort feiten genoemde schadebedragen.
Nu sprake is van het binnendringen van het lichaam en gelet op de jonge leeftijd van de benadeelde partij, die nog lang met de gevolgen zal moeten leven, ziet het hof aanleiding om de schade te begroten op het bedrag dat gevorderd is, € 7.500,00. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, waarbinnen dit bedrag eveneens past.
Het hof is van oordeel dat de vordering voor vergoeding van immateriële schade zich – gelet op het vorenstaande en naar maatstaven van billijkheid – leent voor toewijzing van het volledige gevorderde bedrag van
€ 7.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 16.709,82 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2].
Het hof zal de vervangende gijzeling, die kan worden toegepast bij niet-volledige betaling, bepalen op 118 dagen. Het hof ziet geen aanleiding om rekening te houden met de landelijke afspraken die in jeugdzaken zijn gemaakt ten aanzien van het aantal te bepalen dagen gijzeling nu de verdachte inmiddels ruimschoots meerderjarig is.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 77a, 77g, 77i, 244 (oud) en 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte
ten aanzien van feit 1tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte
ten aanzien van feit 2tot jeugddetentie voor de duur van
6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 12.625,00 (twaalfduizend zeshonderdvijfentwintig euro) bestaande uit € 6.125,00 (zesduizend honderdvijfentwintig euro) materiële schade en € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 12.625,00 (twaalfduizend zeshonderdvijfentwintig euro) bestaande uit € 6.125,00 (zesduizend honderdvijfentwintig euro) materiële schade en € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de
gijzelingop ten hoogste
90 (negentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 9 juli 2019 en van de immateriële schade op 1 juli 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 16.709,82 (zestienduizend zevenhonderdnegen euro en tweeëntachtig cent) bestaande uit € 9.209,82 (negenduizend tweehonderdnegen euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 16.709,82 (zestienduizend zevenhonderdnegen euro en tweeëntachtig cent) bestaande uit € 9.209,82 (negenduizend tweehonderdnegen euro en tweeëntachtig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op 118 dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 mei 2024 en van de immateriële schade op 1 januari 2010.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, als voorzitter, en mr. A.C.J. van Dooijeweert en mr. J.A.M. Jansen, leden, in bijzijn van de griffier mr. R. van Eekeres.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 december 2025.
mr. R. van Eekeres en mr. J.A.M. Jansen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.