Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 24 januari 2025 met bijlage, ingekomen op 13 februari 2025;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 1 april 2025 met bijlage, ingekomen op 2 april 2025;
- een journaalbericht van de zijde van de man van 10 september 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door een tolk in de taal Turks, [tolk] ;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
- uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man aan de vrouw in het kader van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap € 196,42 moet betalen;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
principaal hoger beroepde bestreden beschikking te vernietigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en opnieuw rechtdoende:
principaal hoger beroep:
incidenteel hoger beroep:
primair:
subsidiair:
incidenteel hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het incidenteel hoger beroep van de man integraal af te wijzen.
5.De motivering van de beslissing
b. voorzieningen met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap of bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekening van inkomsten of van vermogen;”) en voldoen in dit geval evenmin aan het in artikel 827 lid 1 sub g Rv Pro vermelde criterium (“
g. een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met f, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.”). Het hof overweegt daartoe dat inmiddels is gebleken dat, naast de uittreding van de vrouw als medevennoot van [de onderneming] per 1 april 2023 en de toetreding van de schoonzus van de man als medevennoot van [de onderneming] per 1 januari 2023, [de onderneming] per 2 augustus 2023 is ontbonden en opgehouden te bestaan. Die uittreding, toetreding en ontbinding alsmede de fiscale en financiële consequenties daarvan liggen niet aan het hof voor en zijn ook niet in de processtukken naar voren gebracht. Het hof acht de verzoeken van partijen strekkende tot de vaststelling van de hoogte en de verdeling van het vennootschappelijk vermogen van [de onderneming] , althans de vaststelling van het aandeel van de vrouw in dat vennootschappelijk vermogen, daarmee onvoldoende onderbouwd en dermate complex en dus niet van eenvoudige aard, dat de behandeling van die verzoeken de procedure aanzienlijk zullen vertragen. Het hof is dan ook van oordeel dat de onderhavige echtscheidingsprocedure zich er niet toe leent om die verzoeken te behandelen. Daarbij komt dat het hof, evenals de rechtbank, over onvoldoende stukken en/of gegevens beschikt om de hoogte van het vennootschappelijk vermogen van [de onderneming] en de aandelen van de man, althans partijen, daarin te kunnen vaststellen. Partijen hebben nagelaten alle voor die vaststelling relevante (financiële) stukken te overleggen, waaronder de vof-overeenkomst, de uittredingsovereenkomst, de ontbindingsovereenkomst en alle (financiële) stukken die daarop betrekking hebben.