ECLI:NL:GHDHA:2025:406

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2025
Publicatiedatum
18 maart 2025
Zaaknummer
200.332.144/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 6:234 BWArt. 7.2 algemene voorwaardenArt. 29a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis kantonrechter inzake onbetaalde facturen en algemene voorwaarden

Appellant heeft met Renewi een overeenkomst gesloten voor de afname van restafval en de huur van een rolcontainer. Renewi stuurde facturen die appellant niet betaalde, waarna Renewi bij de kantonrechter betaling vorderde. De kantonrechter veroordeelde appellant tot betaling van de facturen, rente en incassokosten.

In hoger beroep betwist appellant de juistheid van vier facturen op inhoudelijke gronden. Renewi beroept zich op artikel 7.2 van haar algemene voorwaarden, waarin staat dat betwisting van facturen binnen veertien dagen schriftelijk en aangetekend moet gebeuren, bij gebreke waarvan rechten vervallen.

Appellant voert aan dat de algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld en dat artikel 7.2 onredelijk bezwarend is. Het hof oordeelt dat appellant door ondertekening van de overeenkomst kennis heeft genomen van de algemene voorwaarden en dat het beroep op vernietigbaarheid faalt. Ook is appellant niet gelijk te stellen met een consument, zodat de bepaling niet onredelijk bezwarend is.

Appellant heeft de betwisting van de facturen niet binnen veertien dagen schriftelijk en met redenen onderbouwd ingediend. Klachten zijn te laat en onvoldoende gemotiveerd. Hierdoor is het recht op betwisting vervallen en komt het hof niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de bezwaren.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op € 2.677,-, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens worden kosten van betekening en extra nakosten opgelegd bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en veroordeelt appellant tot betaling van de facturen en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.332.144/01
Zaaknummer rechtbank : 10412998 \ RL EXPL 23-4944
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op grond van artikel 29a lid 1 Rv op de zitting van 13 maart 2025
in de zaak van
[appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. A. Dogan, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
Renewi Nederland B.V.,
gevestigd in Eindhoven,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.K. Tuithof, kantoorhoudend in Haarlem.
Het hof noemt partijen hierna [appellant] en Renewi.
[appellant] heeft met Renewi een overeenkomst gesloten voor de afname van restafval en de huur van een rolcontainer. In het kader van die overeenkomst heeft Renewi aan [appellant] facturen gestuurd die [appellant] niet heeft betaald. Renewi heeft bij de kantonrechter betaling gevorderd van het totaal aan onbetaalde facturen, vermeerderd met contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] heeft tijdens de procedure bij de kantonrechter geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een conclusie van antwoord te nemen. De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van die factuurbedragen, rente en (gematigde) buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling in de proceskosten. In hoger beroep betwist [appellant] op de hierna kort vermelde, inhoudelijke gronden de juistheid van de volgende facturen:
- 1004901674: afgifte van bouw- en sloopafval voor bijna 2.000 kg, terwijl het in feite om huisraad van een student ging, voor een veel lager gewicht;
- 1004934211: factuur voor twee keer de lediging van een rolcontainer, terwijl [appellant] maar één rolcontainer heeft gehuurd;
- 1004956283: afgifte van 900 kg, terwijl het ging om de afvoer van kantoorspullen die zijn gedeponeerd met een bedrijfswagen waarmee niet meer dan 500 kg kan worden vervoerd;
- 1004969335: afgifte van 5.250 kg, terwijl het ging om de afvoer van de inrichting van een nagelstudio die handmatig door twee personen is geladen in en vervoerd met hetzelfde type bedrijfswagen.
Alle partijen zijn op de mondelinge behandeling verschenen. Zij hebben tijdens die mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht, gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van het hof beantwoord. Daarna heeft het hof de zitting geschorst om de zaak te beoordelen, de zitting hervat en met toepassing van artikel 29a lid 1 Rv de hierna volgende mondelinge uitspraak gedaan.

1.Beoordeling in hoger beroep

1.1
Het hof heeft de zaak beoordeeld en de uitkomst daarvan is dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellant] in de proceskosten zal veroordelen.
1.2
Renewi doet met betrekking tot de vier betwiste facturen een beroep op artikel 7.2 van haar op de overeenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden. Dat artikel schrijft voor dat de afnemer van de diensten van Renewi een beroep op de onjuistheid van een factuur schriftelijk binnen veertien dagen na de factuurdatum bij aangetekend schrijven en onder opgave van redenen moet doen, bij gebreke waarvan al zijn rechten vervallen.
1.3
[appellant] doet een beroep op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden op de grond dat Renewi die hem niet ter hand heeft gesteld (artikel 6:233 aanhef Pro en onder b BW, gelezen in samenhang met artikel 6:234 BW Pro). Dat beroep slaagt niet, omdat Renewi er terecht op wijst dat de tussen partijen gesloten overeenkomst bepaalt dat de opdrachtgever – dat is hier [appellant] – door ondertekening van die overeenkomst verklaart kennis te hebben genomen van de algemene voorwaarden en daarmee akkoord te gaan. Renewi heeft een ondertekende versie van die overeenkomst in het geding gebracht en gesteld dat de betrokken handtekening hetzij van [appellant] zelf is, hetzij van iemand die gemachtigd was om die overeenkomst namens hem te ondertekenen. [appellant] heeft dat niet tijdens de procedure betwist. (Later, na de sluiting van de mondelinge behandeling, toen het hof bij partijen heeft verkend of zij bereid zouden zijn om een minnelijke regeling te treffen, heeft [appellant] weliswaar aangevoerd dat de betrokken handtekening niet van hem is, maar dat is te laat; [appellant] had de echtheid van de handtekening al in de memorie van grieven moeten betwisten, en in ieder geval niet na de mondelinge behandeling.) Daarmee levert de overeenkomst ten aanzien van [appellant] dwingend bewijs op dat hij voorafgaand aan het aangaan daarvan kennis heeft genomen van de algemene voorwaarden.
1.4
[appellant] doet ook een beroep op vernietigbaarheid van artikel 7.2 van de algemene voorwaarden op de grond dat die bepaling voor hem onredelijk bezwarend is (artikel 6:233 aanhef Pro en onder a BW). Hij voert aan dat zijn bedrijf dermate klein is dat hij wat de algemene voorwaarden betreft moet worden gelijkgesteld met een consument, en dat niet van hem kan worden gevergd dat hij op straffe van verval van recht elke factuur die volgens hem onjuist is, binnen twee weken met een aangetekend schrijven betwist. Ook dat beroep slaagt niet. Tussen partijen staat vast dat [appellant] de betrokken overeenkomst met Renewi heeft gesloten in het kader van de exploitatie van de eenmanszaak Flex Student Services. [appellant] heeft geen gegevens in het geding gebracht op grond waarvan het hof zou kunnen oordelen dat die eenmanszaak bij het aangaan van de overeenkomst dermate bescheiden in omvang was, dat [appellant] in zoverre met een consument moet worden gelijkgesteld. Met dat uitgangspunt acht het hof de betrokken bepaling niet onredelijk bezwarend: Renewi heeft toegelicht dat het voor de herleidbaarheid van de betrokken gegevens belangrijk is dat facturen zo snel mogelijk schriftelijk worden betwist, en [appellant] heeft niet toegelicht waarom dat voor zijn eenmanszaak onoverkomelijk is. Het hof laat buiten beschouwing dat de betwisting per aangetekend schrijven moet worden gedaan, omdat dat niet doorslaggevend is voor het oordeel van het hof.
1.5
Dit betekent dat het hof toekomt aan toepassing van artikel 7.2 van de algemene voorwaarden. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] met betrekking tot de vier door hem betwiste facturen niet voldaan aan de eisen van die bepaling.
1.5.1
[appellant] heeft in het geding gebracht een e-mailbericht van de klantenservice van Renewi van 21 januari 2022 met klachtnummer CS3207765. Daarin is de betrokken klacht van [appellant] geplakt, die volgens de klantenservice is ontvangen op 24 december 2021 en betrekking heeft op (onder andere) de vier betwiste facturen. [appellant] heeft zijn eigen klacht niet in het geding gebracht, maar heeft niet aangevoerd dat de datum en inhoud van zijn klacht niet juist zijn weergegeven in de mail van de klantenservice van 21 januari 2022. Die klacht is daarmee verstuurd meer dan veertien dagen na de laatste betwiste factuur, namelijk factuur 1004969335 van 16 november 2021. Daarnaast bevat deze klacht geen redenen voor de betwisting: [appellant] verwijst op dat punt naar een eerder telefonisch gesprek met een medewerker van Renewi en vervolgt als volgt:

De bedragen en hoeveel gestort komen niet overeen met de werkelijkheid. De facturen kloppen niet. Wij zullen dit uitzoeken. Tot die tijd vragen wij geen verdere stappen te ondernemen. Wij zullen bij u terugkomen en vragen dan ook tot 15-01-2022 ons de tijd te geven om dit inhoudelijk uit te zoeken”.
Daaruit mocht de klantenservice afleiden dat [appellant] nog met een nadere onderbouwing zou komen. Uit het bericht van de klantenservice van 21 januari 2022 volgt dat hij die toen nog niet had ontvangen en dat hij [appellant] uitnodigde die alsnog te geven. [appellant] heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij dat daarna heeft gedaan.
1.5.2
[appellant] heeft ook in het geding gebracht een e-mailbericht van de klantenservice van Renewi van 15 maart 2022 met klachtnummer CS3296774. Daarin schrijft Renewi kort gezegd dat [appellant] heeft geklaagd over (onder andere) de vier betwiste facturen en de daarmee in rekening gebrachte gewichten en dat Renewi de klacht heeft onderzocht, maar dat is gebleken dat zij helaas over onvoldoende informatie beschikt. Ook met betrekking tot deze e-mail heeft [appellant] geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij zijn klacht heeft onderbouwd.
1.6
Dit betekent dat het recht van [appellant] om de vier betwiste facturen te betwisten is vervallen. Het hof komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren van [appellant] tegen die facturen. Om die reden zal het hof [appellant] ook niet toelaten tot het leveren van het door hem aangeboden bewijs.
1.7
Het hoger beroep van [appellant] slaagt niet en het hof zal daarom het bestreden vonnis bekrachtigen en [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof begroot die kosten op:
griffierecht € 783,-
salaris advocaat € 1.716,- (2 punten × tarief I)
nakosten € 178,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.677,-
Renewi heeft de wettelijke handelsrente over deze proceskosten gevorderd. Omdat de proceskosten niet voortvloeien uit een handelsovereenkomst is die wettelijke handelsrente niet toewijsbaar, maar het hof kan wel de gewone wettelijke rente toewijzen.

2.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 1 juni 2023;
  • veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Renewi begroot op € 2.677,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na vandaag heeft voldaan;
  • bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [appellant] deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft voldaan;
  • verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is op 13 maart 2025 gedaan door mrs. H.M.H. Speyart van Woerden, P. Glazener en B.R. ter Haar, in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal van deze uitspraak is op 18 maart 2025 ondertekend door de voorzitter.