Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2025:507

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 maart 2025
Publicatiedatum
28 maart 2025
Zaaknummer
22-000227-20
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in ontnemingsvordering wegens overlijden betrokkene

In deze ontnemingszaak tegen betrokkene is het hoger beroep behandeld door het Gerechtshof Den Haag. Betrokkene is geboren in 1992 en woonde laatstelijk in Nederland. Tijdens de procedure over de ontnemingsvordering is door het Openbaar Ministerie informatie aangeleverd waaruit blijkt dat betrokkene op 2025 in Mexico is overleden ten gevolge van schotverwondingen.

Deze vaststelling is onderbouwd met officiële documenten van de Mexicaanse autoriteiten, waaronder een akte van overlijden en een apostille, alsmede een vingerafdrukvergelijking die bevestigt dat het lichaam inderdaad van betrokkene is. Het hof heeft deze stukken en informatie zorgvuldig beoordeeld.

Op grond van de wetsgeschiedenis en jurisprudentie is het hof van oordeel dat het overlijden van betrokkene vóórdat de ontnemingsvordering onherroepelijk is beslist, betekent dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Daarom heeft het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering. Dit arrest is uitgesproken op 28 maart 2025 door een meervoudige kamer van het Gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens het overlijden van betrokkene.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000227-20 PO
Parketnummer: 10-750108-14
Datum uitspraak: 28 maart 2025
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 januari 2020 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
laatst opgegeven woon- of verblijfplaats: [woonadres], [woonplaats].
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Door de advocaat-generaal zijn, via het ministerie van Buitenlandse Zaken, kopieën aan het hof overgelegd van documenten van de Mexicaanse autoriteiten omtrent een lichaam dat op 13 februari 2025 in [plaats van overlijden], in de staat Mexico is aangetroffen. Onder deze stukken bevindt zich een apostille die de authenticiteit van de overige stukken bevestigt. Tevens bevindt zich onder deze stukken een akte van overlijden van de Mexicaanse autoriteiten, gedateerd 24 februari 2025, waarin wordt bevestigd dat de betrokkene op [overlijdensdatum] 2025 in genoemde plaats in Mexico is overleden.
Voorts heeft het hof per e-mail informatie van de advocaat-generaal ontvangen (welke informatie eveneens met de raadsman is gedeeld) waaruit volgt dat de vingerafdrukken van het aangetroffen lichaam overeenkomen met de vingerafdrukken van [verdachte] die in de opsporingssystemen zijn geregistreerd.
Op basis van genoemde stukken en informatie concludeert het hof dat de betrokkene in deze ontnemingsprocedure, [verdachte], op [overlijdensdatum] 2025 is overleden ten gevolge van schotverwondingen.
Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat het overlijden van betrokkene vóórdat onherroepelijk op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel is beslist, meebrengt dat het openbaar ministerie in die vordering tot ontneming niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Derhalve zal het hof openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in haar vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit arrest is gewezen door mr. R. van der Hoeven, als voorzitter, A.L. Frenkel en mr. M.S. Lamboo, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.R.J. Heuvelman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 maart 2025.