Belanghebbende, bestuurder en enig aandeelhouder van een BV, had voor 2019 een gebruikelijk loon van nihil opgevoerd in haar aangifte inkomstenbelasting. De Inspecteur stelde dit loon vast op €45.000, later verlaagd naar €20.000 vanwege de magere bedrijfsresultaten. De Rechtbank had het gebruikelijk loon op nihil vastgesteld, maar het Hof vernietigde deze uitspraak.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij geen werkzaamheden had verricht voor de BV, mede gelet op de door de BV opgegeven omzet van €43.199 in de aangifte omzetbelasting. Hoewel belanghebbende psychische klachten had en weinig werkzaamheden verrichtte, achtte het Hof het aannemelijk dat zij wel degelijk werkzaamheden had verricht die een gebruikelijk loon rechtvaardigen.
Het Hof stelde het gebruikelijk loon daarom vast op €20.000, zoals door de Inspecteur voorgesteld. Tevens werd de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen dienovereenkomstig verminderd, evenals de belastingrente. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het hoger beroep van de Inspecteur werd gegrond verklaard.