De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor meerdere strafbare feiten gerelateerd aan phishing, gepleegd tussen juni 2019 en juli 2021. Hij maakte deel uit van een crimineel samenwerkingsverband dat slachtoffers misleidde via nepwebsites om bankgegevens te verkrijgen en geld te stelen. De totale schade bedroeg bijna 50.000 euro, met meer dan honderd betrokken persoonsgegevens.
In hoger beroep bevestigde het hof de feiten en de veroordeling, maar wijzigde de strafoplegging. Gezien de relatief kleine rol van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en positieve ontwikkelingen, legde het hof een gevangenisstraf van 360 dagen op waarvan 313 voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, en een taakstraf van 300 uur. De meldplicht werd achterwege gelaten.
Het hof benadrukte dat hoewel phishing ernstige maatschappelijke gevolgen heeft, de strafdoelen zoals generale preventie niet vereisten dat de verdachte zwaarder werd gestraft dan passend. De lange duur van de procedure in hoger beroep leidde tot een strafverlaging. Het vonnis bevestigde tevens de beslissingen over schadevergoedingen en beslag.