Uitspraak
1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
€ 1.000,- ex 21% BTW, door de man aan de vrouw per omgaande te voldoen.
5.De motivering van de beslissing
Asser/Vonken & Ibili 10-II2021/154. Het vorenstaande impliceert dat als er vergoedingsrechten zijn, deze beoordeeld dienen te worden naar Spaans recht, behoudens voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het Nederlands recht van toepassing is op een vergoedingsrecht en daartegen niet is gegriefd.
Nederlandsepensioenregeling, die is genoemd in artikel 1 lid Pro 4-6 WVPS, wordt verevend overeenkomstig de Nederlandse WVPS, ongeacht het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime. Dit is anders als de echtgenoten de toepasselijkheid van de WVPS bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding hebben uitgesloten (artikel 2 lid 1 WVPS Pro). Dat laatste is het hof niet gebleken. Ter zake van pensioenrechten opgebouwd volgens een
buitenlandsepensioenregeling blijft de hoofdregel van artikel 10:51 BW Pro gelden, hetgeen betekent dat dergelijke rechten alleen overeenkomstig de WVPS worden verevend indien Nederlands recht het huwelijksvermogensregime beheerst hetgeen in casu niet het geval is, aangezien Spaans huwelijksvermogensrecht van toepassing is. Zie
Nederlands internationaal personen- en familierecht (R&P nr. PFR3)2022/5.3.5.12 en
Asser/Vonken & Ibili 10-II2021/382. De rechtbank heeft derhalve op goede gronden geoordeeld dat de in Nederland opgebouwde pensioenen dienen te worden verevend.
€ 2.500,- per maand naar het hof begrijpt. In randnummer 311 van haar verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep stelt de vrouw dat de grondslag voor haar vordering is het gemiste rendement doordat de vrouw verstoken blijft van haar aandeel in de waarde van de woning en ook het gemiste genot van het gebruik van de woning. In de visie van de vrouw bedraagt de huurwaarde van het pand € 5.000,- per maand. De man heeft gedurende 22 maanden het uitsluitend genot gehad en zulks resulteert in een vergoeding aan de vrouw van € 55.000,-. Door de man is verweer gevoerd. Uit het verweer van de man volgt dat partijen vanaf 22 april 2022 ieder hun eigen woonlasten hebben gedragen. Het hof begrijpt hieruit dat de man alle lasten heeft gedragen met betrekking tot het pand. Het hof verwijst naar randnummer 10.3 van het verweerschrift op het incidenteel hoger beroep. In randnummer 10.4 stelt de man dat partijen op basis van artikel 1:81 BW Pro verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen. Het hof begrijpt hieruit dat de man daaronder verstaat ook het verschaffen van woongenot. Het huwelijk van partijen is ontbonden op 2 januari 2024. Vanaf die datum heeft artikel 1:81 BW Pro geen toepassing meer. Uit de processtukken volgt dat de man in mei/juni 2023 de woning aan [adres 1] voor een bedrag van € 1.550.000,- heeft overgenomen. Naar het oordeel van het hof komt aan de vrouw verder geen gebruiksvergoeding toe anders dan door de rechtbank is bepaald.