In deze civiele zaak in hoger beroep gaat het om kinderalimentatie, ouderlijk gezag en omgangsregeling na het beëindigen van de relatie tussen de vrouw en de man. De vrouw en het oudste kind zijn in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van hun verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie en bijdrage in levensonderhoud en studie. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag over het jongste kind en de wijziging van de omgangsregeling.
Het hof heeft vastgesteld dat de vrouw en het oudste kind hun stelplicht hebben voldaan en vernietigt de afwijzing van het verzoek tot kinderalimentatie. De draagkracht van de man wordt vastgesteld op een geschat jaarinkomen van €50.000,-, ondanks zijn betwisting, en de behoefte van de kinderen wordt berekend op basis van normbedragen en eerdere beschikking. Het hof bepaalt dat de man vanaf 12 maart 2025 een bijdrage van €250,- per maand voor het jongste kind en €105,- per maand voor het oudste kind moet betalen.
Ten aanzien van het ouderlijk gezag en de omgangsregeling over het jongste kind bevestigt het hof het besluit van de rechtbank om het gezamenlijk gezag te beëindigen en de invulling van de omgang aan het kind over te laten, gelet op het langdurige gebrek aan contact en het belang van het kind. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.