Het gerechtshof Den Haag heeft op 20 mei 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2023. Betrokkene werd veroordeeld voor feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van overtreding van de Sanctiewet 1977 en valsheid in geschrift in de periode van 25 februari tot en met 27 september 2022.
De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €72.697,71 en opgelegd tot betaling aan de Staat. Het Openbaar Ministerie vorderde in hoger beroep een hogere ontnemingsverplichting van €223.612,00, maar het hof verwierp deze en stelde het bedrag vast op €71.582,95.
Het hof baseerde zich op onderzoek van de Centrale Dienst In- en Uitvoer van de Douane en ontnemingsrapportages. Betrokkene ontving naar het oordeel van het hof een provisie van 5% over een omzet van ruim €1,43 miljoen aan gesanctioneerde en dual use goederen. De betalingsverplichting werd bevestigd zonder matiging ondanks liquidatie van de vennootschap en draagkrachtargumenten.
De duur van de gijzeling die kan worden gevorderd ter inning van het bedrag is vastgesteld op maximaal 1080 dagen. Het arrest is gewezen door mr. L.C. van Walree, voorzitter, en mr. M.A.J. van de Kar en mr. F.W. Pieters, leden.