De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens deelname aan de terroristische organisatie IS en voorbereidingshandelingen met terroristisch oogmerk. In hoger beroep heeft het hof de feiten opnieuw onderzocht, waarbij onder meer werd vastgesteld dat de verdachte een licht verstandelijke ontwikkelingsstoornis en een chronische psychotische stoornis heeft.
De verdachte reisde meerdere malen naar Syrië, trouwde met een IS-strijder en voerde een gezamenlijke huishouding met hem, maar was vanwege haar psychische beperkingen slechts beperkt in staat taken te verrichten. Het hof oordeelde dat er geen wettig en overtuigend bewijs was dat zij een aandeel had in gedragingen die strekten tot de verwezenlijking van het terroristisch oogmerk van IS.
Ook de voorbereidings- en bevorderingshandelingen konden niet bewezen worden met het vereiste oogmerk. De beweegredenen van de verdachte waren beperkt tot het willen verlaten van Nederland en het vermijden van de hel, zonder aanwijzingen dat zij het jihadistische gedachtegoed aanhing of deelnam aan de gewapende strijd.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werden de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering opgeheven.