In deze civiele familierechtelijke zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 21 januari 2026 uitspraak gedaan over het hoger beroep van de vrouw tegen de rechtbank Rotterdam, die haar verzoek tot eenhoofdig gezag had afgewezen.
De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit over twee minderjarigen, maar de hulpverlening aan de kinderen stagneert door de formalistische en strijdvaardige houding van de man, die de samenwerking met hulpverleners bemoeilijkt. De minderjarigen zijn onder toezicht gesteld en verblijven deels in gesloten jeugdhulpvoorzieningen.
Het hof oordeelt dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders en dat binnen afzienbare tijd geen verbetering te verwachten is. Daarom is beëindiging van het gezag van de man noodzakelijk in het belang van de minderjarigen. Het gezag wordt aan de vrouw toegekend, waarbij de man wel betrokken blijft bij de hulpverlening.
De beslissing beoogt de hulpverlening te verbeteren en de ontwikkeling van de kinderen te bevorderen, waarbij het gezamenlijk gezag als uitgangspunt geldt maar in deze situatie niet langer houdbaar is.