Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1227

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
200.363.001/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 1:265f BWArt. 807 RvArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen schriftelijke aanwijzing contact gezaghebbende ouder en minderjarige

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter die haar verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing afwees. Deze schriftelijke aanwijzing, gegeven door de gecertificeerde instelling, beperkte het contact tussen de moeder en haar minderjarige kind, dat in een gezinshuis verblijft, door alle omgang op te schorten totdat de moeder aan bepaalde voorwaarden voldeed.

Het hof oordeelt dat de opschorting van het contact per 15 juli 2025 onrechtmatig was omdat deze zonder schriftelijke aanwijzing en zonder zorgvuldige voorbereiding werd opgelegd. De gecertificeerde instelling had de moeder direct schriftelijk moeten informeren over deze ingrijpende maatregel. De schriftelijke aanwijzing van 12 september 2025 is wel formeel gegeven, maar het contact is sindsdien volledig opgeschort, terwijl het hof van oordeel is dat ook ander contact, zoals (video)belcontact, mogelijk had moeten zijn.

De moeder betwist dat zij bedreigingen heeft geuit en stelt dat de omgangsmomenten altijd goed verliepen. De gecertificeerde instelling stelt dat de opschorting noodzakelijk was vanwege onveilig gedrag van de moeder en dat herstelgesprekken niet tot verbetering hebben geleid. Het hof concludeert dat de schriftelijke aanwijzing en de volledige opschorting van contact te ver gaan en vernietigt de beschikking van de kinderrechter, waarbij het verzoek van de moeder wordt toegewezen.

Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing die het contact tussen moeder en minderjarige opschortte wordt vervallen verklaard wegens onzorgvuldige totstandkoming en te vergaande opschorting.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team familie
zaaknummer : 200.363.001/01
rekestnummer rechtbank : JE RK 25-1989
zaaknummer rechtbank : C/10/707412
beschikking van de meervoudige kamer van 8 april 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. P.A.J. van Putten te Almere.
Als belanghebbende is aangemerkt:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Als informant zijn aangemerkt:
[de gezinshuismoeder] ,
hierna te noemen: de gezinshuismoeder,
en
[de gezinshuisvader] ,
hierna te noemen: de gezinshuisvader,
wonende op een bij het hof bekend adres,
hierna gezamenlijk te noemen: de gezinshuisouders.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
locatie: Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De moeder is op 24 december 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De gecertificeerde instelling heeft op 16 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:
  • een journaalbericht van de zijde van de moeder van 6 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de moeder van 6 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op 9 februari 2026;
  • een journaalbericht van de zijde van de moeder van 9 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een brief van de zijde van de gecertificeerde instelling 9 februari 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de moeder van 11 februari 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;
  • een journaalbericht van de zijde van de moeder van 13 februari 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 20 februari 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [de vertegenwoordiger van de GI 1] en [de vertegenwoordiger van de GI 2] .
De gezinshuisouders zijn, met bericht van verhindering, niet op de zitting verschenen. De raad is, overeenkomstig zijn brief van 22 januari 2026, niet op de zitting verschenen.
2.5
De advocaat van de moeder heeft op de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
De moeder is de ouder van: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige).
3.3
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.
3.4
De minderjarige verblijft in een gezinshuis.
3.5
De kinderrechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 31 december 2024 de minderjarige onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 december 2025 verlengd tot 31 december 2026. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan.
3.6
De kinderrechter in de rechtbank Rotterdam heeft de gecertificeerde instelling machtiging verleend om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening en bij beschikking van 15 december 2025 is deze machtiging verlengd tot 30 juni 2026. De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan.
3.7
De gecertificeerde instelling heeft op 12 september 2025 in een schriftelijke aanwijzing de contacten tussen de met het gezag belaste moeder en de minderjarige beperkt, in die zin dat er op dit moment geen omgang tussen de moeder en de minderjarige kan zijn. Voordat de omgang tussen de moeder en de minderjarige weer kan worden opgestart, moet de moeder aan de volgende voorwaarden voldoen:
  • stoppen met het uiten van beledigingen, beschuldigingen en bedreigingen naar gezinshuisouders, jeugdbeschermer en andere bij de minderjarige betrokken instanties;
  • geen contact leggen met gezinshuisouders zonder toestemming en geen boodschappen/spullen laten bezorgen zonder overleg;
  • respectvol samenwerken met iedereen die bij de minderjarige betrokken is. Dit betekent: luisteren naar elkaar, elkaar niet uitlachen/uitschelden, elkaar laten uitpraten en vriendelijk zijn (ook als je het niet met elkaar eens bent);
  • accepteren van persoonlijke begeleiding die jou bijstaat tijdens alle gesprekken die over de minderjarige gaan. Dit betekent regelmatig met elkaar in gesprek gaan, adviezen opvolgen en je aan de gemaakte afspraken houden. Daarnaast is het belangrijk dat deze informatie gedeeld wordt met de gecertificeerde instelling;
  • accepteren van hulpverlening voor jouw emotieregulatie. Dit betekent dat jij je aanmeldt voor behandeling, in gesprek gaat met de behandelaar en adviezen opvolgt. Daarnaast is het belangrijk dat de gecertificeerde instelling op de hoogte wordt gebracht van de voortgang hiervan.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter het verzoek van de moeder, om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren, afgewezen.
4.2
De moeder is het niet eens met die beslissing. Zij verzoekt het hof bij beschikking, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 16 september 2025 wordt toegewezen, dan wel een beslissing te nemen zoals het hof in goede justitie meent te bepalen.
4.3
De gecertificeerde instelling voert verweer. Zij verzoekt het hof de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, dan wel het hoger beroep af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid
5.1
De gecertificeerde instelling stelt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat er op grond van artikel 807 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen andere voorziening openstaat tegen beschikkingen op grond van artikel 1:264 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) dan cassatie in het belang der wet. De moeder voert verweer.
5.2
Het hof overweegt als volgt. In artikel 807 Rv Pro is een uitzondering opgenomen op het rechtsmiddelenverbod als het gaat om beschikkingen die worden gewezen op grond van artikel 1:265f, tweede lid, BW. Op grond van artikel 1:265f lid 1 BW kan de gecertificeerde instelling, voor zover noodzakelijk met het oog op het doel van de uithuisplaatsing van een minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing, de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Op grond van het tweede lid van dat artikel geldt de beslissing van de gecertificeerde instelling als een aanwijzing en is – voor zover hier van belang – artikel 1:264 BW Pro van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Het voorgaande betekent dat hoger beroep tegen beslissingen die zien op vervallenverklaringen van schriftelijke aanwijzingen zijn uitgesloten van hoger beroep, tenzij de gecertificeerde instelling in die schriftelijke aanwijzing de contacten tussen de ouder en het kind heeft beperkt. Het hof is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling aan de moeder van 16 september 2025 een beperking van het contact meebrengt. Het contact is namelijk opgeschort, totdat de moeder zich aan de genoemde voorwaarden houdt. Nu er sprake is van een beperking, betekent dit dat de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep.
Schriftelijke aanwijzing
Standpunten van partijen
5.3
De moeder stelt dat de schriftelijke aanwijzing niet zorgvuldig is voorbereid en daarmee onzorgvuldig tot stand is gekomen. De gecertificeerde instelling heeft namelijk de omgang al vanaf 15 juli 2025 opgeschort zonder dat daar een schriftelijke aanwijzing aan vooraf is gegaan. De opschorting van de omgang was hierdoor onrechtmatig en levert een schending op van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De schriftelijke aanwijzing die op 12 september 2025 is gegeven, beperkt de moeder ernstig in haar contacten met de minderjarige en is niet in het belang van de minderjarige. De gestelde voorwaarden zijn te vergaand, niet noodzakelijk en ook onvoldoende gemotiveerd. De moeder heeft de minderjarige sinds de uithuisplaatsing nimmer in een onveilige situatie gebracht. De (begeleide) omgangsmomenten verliepen altijd goed en de moeder en de minderjarige hadden plezier met elkaar. Ook betwist de moeder dat zij bedreigingen heeft geuit naar de hulpverlening. Zij heeft juist goed gehandeld door weg te lopen om verdere escalatie te voorkomen. De moeder heeft inmiddels nog steeds geen contact met de minderjarige, terwijl de eerste twee belmomenten tijdens het perspectiefonderzoek goed gingen. De moeder zet stappen in de goede richting en heeft zich opnieuw aangemeld bij een psycholoog en werkt mee met het wijkteam.
5.4
De gecertificeerde instelling stelt dat de beslissing om het contact tussen de minderjarige en de moeder op te schorten zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd. De gecertificeerde instelling heeft de contactmomenten stilgelegd, vanwege het gedrag van de moeder, nadat zij meerdere bedreigingen had geuit naar de gecertificeerde instelling en de omgangsbegeleiders. Daarnaast heeft zij ook een onveilige situatie gecreëerd voor de minderjarige door na een omgangsmoment de auto van de gezinshuisouders te volgen. Destijds heeft de gecertificeerde instelling met de moeder een gesprek gehad, dat zij zich dient te houden aan bepaalde voorwaarden, zodat de omgang niet zal worden gestopt. Deze gesprekken hebben het gedrag van de moeder niet veranderd, waardoor de omgang uiteindelijk is stopgezet op 15 juli 2025. De gecertificeerde instelling heeft vervolgens meerdere herstelgesprekken gevoerd met de moeder die nergens toe hebben geleid. Middels de herstelgesprekken wilde zij de moeder de mogelijkheid bieden om haar gedrag te veranderen voordat de gecertificeerde instelling een schriftelijke aanwijzing zou afgeven. Uiteindelijk heeft de gecertificeerde instelling een vooraankondiging verstuurd in augustus 2025 en de schriftelijke aanwijzing dateert van 12 september 2025. Na de opschorting van de omgang heeft het [hulpverleningstraject] plaatsgevonden om duidelijkheid te verkrijgen over het perspectief van de minderjarige. Binnen dit traject hoopte de gecertificeerde instelling de omgang weer opstarten, maar de moeder heeft het traject voortijdig gestopt. [de hulpverleningsinstantie] heeft, op basis van de omgangsmomenten die hebben plaatsgevonden in het kader van het perspectiefonderzoek, geoordeeld dat het contact tussen de moeder en de minderjarige dermate schadelijk is dat zij het perspectiefonderzoek ook niet konden vervolgen. Volgens hun advies is fysiek contact tussen de moeder en de minderjarige niet in het belang van de minderjarige. De gecertificeerde instelling vindt dat fysiek contact weer kan worden opgestart, zodra de moeder zich kan conformeren aan de voorwaarden zoals opgenomen in de schriftelijke aanwijzing. De gecertificeerde instelling wil zich inzetten om het contact weer uit te breiden en hoopt in de toekomst samen te werken met de moeder.
Oordeel van het hof
5.5
Op grond van artikel 1:265f lid 1 BW kan de gecertificeerde instelling, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken voor de duur van de uithuisplaatsing. Op grond van lid 2 van genoemd artikel heeft de beslissing van de gecertificeerde instelling te gelden als een schriftelijke aanwijzing in de zin van artikel 1:263 BW Pro. Een schriftelijke aanwijzing dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 1:264 lid 1 BW Pro kan de rechter een schriftelijke aanwijzing op verzoek van een met het gezag belaste ouder geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. In dat geval dient de vraag te worden beantwoord of de schriftelijke aanwijzing volgens de regels van de Awb en de (ongeschreven) beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. Tegelijkertijd moet worden beoordeeld of er nog altijd voldoende grond is voor de schriftelijke aanwijzing. Dit is een beoordeling op basis van de situatie zoals die nu is (ex nunc), waarbij rekening dient te worden gehouden met eventuele gewijzigde omstandigheden sinds de schriftelijke aanwijzing werd gegeven.
Stopzetten contact 15 juli 2025
5.6
Ten aanzien van de formele punten met betrekking tot de vraag of de schriftelijke aanwijzing van 12 september 2025 zorgvuldig en conform de vereisten van de Awb tot stand is gekomen, overweegt het hof als volgt. De gecertificeerde instelling heeft na meerdere incidenten met de moeder besloten om de omgang per 15 juli 2025 stop te zetten. Na deze datum heeft de gecertificeerde instelling herstelgesprekken met de moeder gevoerd in de hoop dat de omgang weer op een veilige manier kon worden hervat. Doordat er geen verandering in het gedrag van de moeder is gekomen, heeft de gecertificeerde instelling op 22 augustus 2025 een vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing verstuurd. Vervolgens is op 12 september 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven. Het hof overweegt dat de gecertificeerde instelling bij de totstandkoming van de onderhavige schriftelijke aanwijzing niet heeft voldaan aan de beginselen van een zorgvuldige voorbereiding. De gecertificeerde instelling heeft namelijk na een gesprek met de moeder, zonder vooraankondiging of schriftelijke aanwijzing, de beslissing genomen om de omgang direct stop te zetten per 15 juli 2025. De kinderrechter heeft naar het oordeel van het hof dan ook ten onrechte overwogen dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig is voorbereid. In die zin voldoet het gesprek gevoerd op of voor 15 juli 2025 niet aan de aan een schriftelijke aanwijzing gestelde formele vereisten. Van de gecertificeerde instelling had verwacht mogen worden dat zij ten tijde van het opschorten van de omgang, wat een ingrijpende maatregel is, dit besluit direct schriftelijk aan de moeder had medegedeeld. Nu de gecertificeerde instelling pas na twee maanden een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven, heeft de moeder gedurende deze periode niet kunnen opkomen tegen de algehele stopzetting van het contact met haar kind. Het hof is van oordeel dat de opschorting van de contacten op 15 juli 2025 onrechtmatig is geweest, omdat de contacten tussen de moeder en de minderjarige met directe ingang zijn opgeschort, zonder dat hieraan een schriftelijk besluit, dat als aanwijzing heeft te gelden, ten grondslag lag.
Schriftelijke aanwijzing 12 september 2025
5.7
Het hof zal vervolgens ingaan op het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing van 12 september 2025 vervallen te verklaren. Het hof zal dit verzoek toewijzen en licht dit als volgt toe. Op grond van de stukken en dat wat op de zitting is besproken, stelt het hof vast dat de moeder tijdens de omgangsmomenten met de minderjarige een onveilige sfeer heeft veroorzaakt. Hoewel de moeder dit betwist, heeft de onveiligheid ook plaatsgevonden in aanwezigheid van de minderjarige. Het hof begrijpt dan ook dat de gecertificeerde instelling op 12 september 2025 heeft besloten de fysieke contacten op te schorten, omdat de fysieke omgangsmomenten op dat moment in strijd waren met het belang van de minderjarige. Dit betekent echter naar het oordeel van het hof niet dat er geen enkel contact tussen de moeder en de minderjarige mogelijk was. Afgezien van twee belmomenten in het kader van het perspectiefonderzoek, heeft er echter sinds de schriftelijke aanwijzing van 12 september 2025 geen enkel contact meer plaatsgevonden tussen de minderjarige en de moeder. De gecertificeerde instelling had zich in het belang van de minderjarige ervoor moeten inzetten om andersoortig contact mogelijk te maken, bijvoorbeeld in de vorm van (video)belcontact. Dit is ook in overeenstemming met het advies van [de hulpverleningsinstantie] . Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat de in de schriftelijke aanwijzing opgenomen voorwaarden zich vooral richten op het contact tussen de moeder en de hulpverleners/gezinshuisouders en op de persoonlijke ontwikkeling van de moeder, en zijn niet primair bedoeld voor de omgang met de minderjarige. Dit neemt niet weg dat het hof van oordeel is dat de moeder echt met zichzelf aan de slag moet gaan en zich moet inzetten om de contactmomenten met de minderjarige veilig en respectvol te laten verlopen. Pas daarna kan er immers sprake zijn van een mogelijk hervatten van fysieke contactmomenten. Gelet op het voorgaande acht het hof de schriftelijke aanwijzing, en de daarmee gepaard gaande opschorting van elk contact met de minderjarige, te vergaand. Het hof vernietigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de moeder toe.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 november 2025, en, in zoverre opnieuw beschikkende:
verklaart de schriftelijke aanwijzing van 12 september 2025 vervallen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A.F. Donders, M.W. Koek en C.S.F. de Nijs, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 8 april 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.