ECLI:NL:GHDHA:2026:123

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.318.435/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 RvArt. 353 lid 1 juncto art. 143 e.v. RvArt. 237 lid 1 RvArt. 1:253i BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet tegen arrest over erfdelen minderjarige kinderen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 10 februari 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een verzetprocedure tegen een arrest van 14 mei 2024. De wettelijk vertegenwoordiger van twee minderjarige kinderen stelde verzet in tegen het arrest waarin de erfdelen van de kinderen en een stiefkind waren vastgesteld.

Het hof oordeelde dat het verzet niet tijdig was ingesteld, omdat de verzettermijn van vier weken was ingegaan op het moment dat de wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarigen bekend waren met het arrest, namelijk op 29 november 2024 toen zij een machtigingsverzoek indienden bij de kantonrechter. De verzetdagvaarding werd pas op 20 januari 2025 ingediend, wat buiten de termijn viel.

De wettelijk vertegenwoordiger voerde aan dat de minderjarigen pas later met het arrest bekend waren geraakt, maar het hof rekende de bekendheid van de moeder van de minderjarigen aan de kinderen toe. Het hof verklaarde het verzet en het incidenteel appel niet-ontvankelijk en veroordeelde de wettelijk vertegenwoordiger in de proceskosten van €3.213,-. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het verzet van de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen is te laat ingesteld en daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie
Zaaknummer hof : 200.318.435/02
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/597174/ HA ZA 20-774
Arrest van 10 februari 2026
in de zaak van

1.[wettelijk vertegenwoordiger] ,

wonend in [woonplaats] ,
opposant, tevens incidenteel appellant,
hierna ook: [wettelijk vertegenwoordiger] ,
in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van
a. [minderjarige 1]en
b. [minderjarige 2],
hierna tezamen: de minderjarigen,
tegen

1.[geopposeerde 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
hierna: [geopposeerde 1] ,
2. [geopposeerde 2],
wonend in [woonplaats] , Spanje,
hierna: [geopposeerde 2]
tezamen ook: [geopposeerden] ,
advocaat: mr. J.W. Damstra, kantoorhoudend in Apeldoorn,

3.[geopposeerde 3] ,

wonend in [woonplaats] ,
hierna: [geopposeerde 3] ,

4.[geopposeerde 4] ,

wonend in [woonplaats] ,

5.[geopposeerde 5] ,

wonend in [woonplaats] ,

6.[geopposeerde 6] ,

wonend in [woonplaats] ,

7.[geopposeerde 7] ,

wonend in [woonplaats]
,

8.[geopposeerde 8] ,

hierna, [geopposeerde 8] ,
wonend in [woonplaats] ,

9.[geopposeerde 9] ,

wonend in [woonplaats] ,
in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van:
[naam],
allen geopposeerden, tevens incidenteel geïntimeerden.
Het hof noemt de verschenen partijen respectievelijk [wettelijk vertegenwoordiger] en [geopposeerden] Geopposeerden tevens incidenteel geïntimeerden genoemd onder 3 tot en met 9 zijn niet verschenen.

1.De zaak in het kort.

1.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of opposant in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen tijdig in verzet is gekomen tegen het arrest van dit hof van 14 mei 2024. Het hof is van oordeel dat opposant in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen niet-ontvankelijk is. Het hof zal dit hierna nader toelichten.

2.Het arrest waartegen verzet

2.1
Dit hof heeft op 14 mei 2024 arrest gewezen in het hoger beroep van [geopposeerden] tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 juni 2022.
2.2
Bij zijn voormelde arrest heeft het hof het bestreden vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 juni 2022, met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de proceskosten vernietigd, en in zoverre opnieuw rechtdoende
- voor recht verklaard dat onder ‘afstammelingen’ in artikel VI onder b van het testament van erflaatster moet worden begrepen: ‘de erfgenamen/afstammelingen die volgens de wet worden geroepen zijnde uitsluitend de eigen kinderen’;
- bepaald dat de kinderen van erflaatster, [geopposeerde 2] ( [geopposeerde 2] ) en [geopposeerde 8] ( [geopposeerde 8] ) beiden een erfdeel krijgen gelijk aan een/derde deel van het saldo van de nalatenschap;
- bepaald dat het stiefkind, [geopposeerde 1] ( [geopposeerde 1] ), een legaat krijgt gelijk aan een/derde deel van het saldo van de nalatenschap.
Het arrest is voor zover het betreft de bepaling van de erfdelen en het legaat uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het bestreden vonnis is ten aanzien van de beslissing over de proceskosten bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep zijn gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.
2.3
Tegen het arrest van het hof van 14 mei 2024 heeft [wettelijk vertegenwoordiger] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen verzet tevens houdende incidenteel appel ingesteld, hetgeen heeft geleid tot de onderhavige verzetprocedure.

3.Procesverloop van de verzetprocedure in hoger beroep

3.1
Het verloop van de verzetprocedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
  • de verzetdagvaarding tevens houdende incidenteel appel van 20 januari 2025, waarmee [wettelijk vertegenwoordiger] in zijn voormelde hoedanigheid, in verzet is gekomen van het arrest van dit hof van 14 mei 2024;
  • de memorie van antwoord in incidenteel appel van [geopposeerden] , met bijlagen;
  • de akte van 27 mei 2025 van [wettelijk vertegenwoordiger] ;
  • de antwoordakte van 24 juni 2025 van [geopposeerden] ;
  • het e-mailbericht van 31 oktober 2025 van [wettelijk vertegenwoordiger] met bijlagen (G1 en 18 tot en met 22).
3.2
Bij e-mailbericht van 7 november 2025 heeft het hof partijen ervan op de hoogte gesteld dat het hof op de mondelinge behandeling eerst de vraag naar de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde zal stellen.
3.3
Op 11 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn [wettelijk vertegenwoordiger] en [geopposeerden] De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht. Het voormelde e-mailbericht van 31 oktober 2025 met bijlagen van de zijde van [wettelijk vertegenwoordiger] is als akte genomen.

4.Beoordeling in hoger beroep

Ontvankelijkheid

4.1
Het hof stelt het volgende voorop. Het recht van verzet ex artikel 143 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is een rechtsmiddel voor de niet-verschenen gedaagde die bij verstek is veroordeeld waarmee deze gedaagde in het kader van hoor en wederhoor alsnog voor de rechter kan verschijnen en zijn verweer naar voren kan brengen. Het verzet moet op grond van lid 2 van voormeld artikel worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is. De wettelijke regeling van het verzet is krachtens artikel 353 lid 1 juncto Pro artikel 143 e.v. Rv ook bij verstek in appel van toepassing. De verzetdagvaarding kan een incidenteel appel bevatten, zoals in deze zaak het geval is.
4.2
[wettelijk vertegenwoordiger] (in zijn gemelde hoedanigheid) stelt dat het arrest van het hof van 14 mei 2024 niet door een deurwaarder aan de minderjarigen is betekend, zodat de verzettermijn niet is gaan lopen. In zijn voormelde akte van 27 mei 2025 stelt [wettelijk vertegenwoordiger] dat de minderjarigen op 27 december 2024 bekend zijn geworden met het arrest. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [wettelijk vertegenwoordiger] verklaard dat de minderjarigen eerst met de inhoud van het arrest bekend zijn geraakt door de betekening van de verzetdagvaarding op 20 januari 2025 aan de andere belanghebbenden. Op dat moment is volgens de advocaat van [wettelijk vertegenwoordiger] de verzettermijn van vier weken gaan lopen zodat de verzetdagvaarding tijdig is ingediend.
4.3
Volgens [geopposeerden] was in ieder geval [geopposeerde 3] - de moeder van de minderjarigen - al veel eerder bekend met de inhoud van het verstekarrest. [geopposeerde 3] heeft in de tweede helft van 2023 en begin 2024 regelmatig bij de griffie van het hof geïnformeerd naar de uitspraakdatum van het arrest en daarbij verzocht om een afschrift. Daarnaast wijzen [geopposeerden] op de bij memorie van antwoord in incidenteel appel overgelegde producties waaruit blijkt dat bij diverse familieleden al in de zomer van 2024 bekend was dat [geopposeerde 3] verzet wilde instellen/had ingesteld, zodat [geopposeerde 3] bekend moet zijn geweest met de inhoud van het verstekvonnis. Het voorgenomen/ingestelde verzet wordt bevestigd door de overgelegde brief van 16 oktober 2024 van [notarisklerk] aan [geopposeerde 2] (productie 4). Ten slotte volgt de eerdere bekendheid met het verstekarrest uit het feit dat [geopposeerde 3] en [wettelijk vertegenwoordiger] op 29 november 2024 machtiging hebben verzocht bij de kantonrechter om namens de minderjarigen daartegen verzet in te mogen stellen.
4.4
Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat [geopposeerde 3] en [wettelijk vertegenwoordiger] als wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen op 29 november 2024 aan de kantonrechter in de rechtbank Den Haag hebben verzocht hen machtiging te verlenen om namens de minderjarigen in verzet te komen tegen het jegens de minderjarigen bij verstek gewezen arrest van 14 mei 2024 van het hof, welke machtiging bij beschikking van 2 april 2025 is verleend. Het hof kwalificeert het indienen van voormeld verzoek tot machtiging in ieder geval als een daad van bekendheid met (de inhoud van) het verstekarrest, mede in het licht van hetgeen [geopposeerden] ten aanzien van die bekendheid verder naar voren hebben gebracht.
4.5
Tijdens de mondelinge behandeling is zijdens [wettelijk vertegenwoordiger] nog gesteld dat het verzoek tot machtiging niet namens de minderjarigen is gedaan omdat dezen niet zelf bekend waren met het verstekarrest alsmede dat [wettelijk vertegenwoordiger] niet op de hoogte was met de inhoud van het verzetarrest. Deze stellingen kunnen [wettelijk vertegenwoordiger] echter niet baten. Immers, op grond van artikel 1:253i BW vertegenwoordigen [geopposeerde 3] en [wettelijk vertegenwoordiger] gezamenlijk de minderjarigen in burgerlijke handelingen - zoals in casu het indienen van het machtigingsverzoek bij de kantonrechter - waarbij geldt dat een ouder alleen, mits niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken, hiertoe ook bevoegd is. Daarnaast geldt dat de bekendheid met de inhoud van het verstekarrest van [geopposeerde 3] (als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen) mede kan worden toegerekend aan de minderjarigen. Het hof is dan ook van oordeel dat de verzettermijn van vier weken is ingegaan op 29 november 2024. De verzetdagvaarding tevens incidenteel appel van 20 januari 2025 is buiten die termijn ingediend en daarmee te laat.
Conclusie en proceskosten
4.6
Dit alles leidt ertoe dat [wettelijk vertegenwoordiger] in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarigen niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzet en incidenteel appel.
4.7
Aangezien het hof tot de slotsom komt dat [wettelijk vertegenwoordiger] al op 29 november 2024 bekend moet zijn geweest met de inhoud van het arrest van 14 mei 2024 van het hof, is het hof van oordeel dat de kosten van de onderhavige verzetprocedure nodeloos zijn aangewend of veroorzaakt. Het hof ziet hierin aanleiding deze kosten op de voet van artikel 237 lid 1 Rv Pro voor rekening te laten van [wettelijk vertegenwoordiger] . [geopposeerden] hebben ook een proceskostenveroordeling gevorderd.
4.8
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van [geopposeerden] op:
salaris advocaat € 3.035,- (2,5 punten × tarief II)
nakosten € 178,-
Totaal € 3.213,-

5.Beslissing

Het hof:
- verklaart [wettelijk vertegenwoordiger] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet-ontvankelijk in zijn verzet en incidenteel appel;
- veroordeelt [wettelijk vertegenwoordiger] in zijn gemelde hoedanigheid in de kosten van de verzetprocedure in hoger beroep, aan de zijde van [geopposeerden] begroot op € 3.213,-;
- bepaalt dat als [wettelijk vertegenwoordiger] in zijn gemelde hoedanigheid niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, hij de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-;
- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. C.M. Warnaar, mr. A.N. Labohm en mr. A.S Mertens-de Jong en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.