Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1287

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
22-003106-24
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gebruik van vals diploma in zorgsector

De verdachte heeft in de periode van oktober 2019 tot september 2022 opzettelijk gebruik gemaakt van een vals MBO-4 diploma door dit aan zijn werkgever, een uitzendbureau in de zorgsector, te overleggen. Hij stelde aanvankelijk dat hij te goeder trouw handelde, omdat hij dacht een kopie van zijn verloren geraakte MBO-2 diploma te hebben ontvangen. Het hof acht dit scenario niet aannemelijk vanwege de evidente onjuistheden op het diploma en de overeenkomsten met zijn intakeformulier en CV.

De verdachte had zijn originele diploma niet meer kunnen vinden en probeerde via DUO een kopie te verkrijgen, wat niet mogelijk bleek vanwege het ontbreken van registratie van diploma’s van vóór 2006. Hij betaalde een onbekende persoon, die zich voordeed als oud-medewerker van DUO, voor het verkrijgen van het diploma. Het hof oordeelt dat de verdachte bewust een vals diploma heeft gebruikt, waarmee hij het vertrouwen in de juistheid van diploma’s heeft geschaad.

Gezien de ernst van het feit, de sector waarin het diploma werd gebruikt, en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, legt het hof een geheel voorwaardelijke taakstraf van 50 uur op met een proeftijd van twee jaar. Het vonnis van de politierechter wordt vernietigd en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 50 uur wegens gebruik van vals diploma.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Rolnummer: 22-003106-24
Parketnummer: 83-138511-21
Datum uitspraak: 30 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 5 september 2024 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
BRP-adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 22 oktober 2019 tot en met 14 september 2022 te Arnhem en/of Leiden, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- een [diploma] aan [het college] te [vestigingsplaats 1] , d.d. 11 augustus 2004 ten name van [verdachte] (p. 11 procesdossier), als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande het gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, voornoemd geschrift heeft overlegd/verzonden/doen toekomen aan [naam uitzendbureau] (gevestigd te [vestigingsplaats 2] ), en bestaande die valsheid hierin dat op voornoemd geschrift - in strijd met de waarheid - wordt vermeld dat [verdachte] het [diploma] heeft behaald aan [het college] te [vestigingsplaats 1] .
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, het hof de tenlastelegging bewezen zal verklaren en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf ter hoogte van 50 uren, met een proeftijd van twee jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij in
of omstreeksde periode van 22 oktober 2019 tot en met 14 september 2022 te Arnhem
en/of Leiden, in elk geval in Nederland,opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten
:
-een [diploma] aan [het college] te [vestigingsplaats 1] , d.d. 11 augustus 2004 ten name van [verdachte]
(p. 11 procesdossier), als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande het gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, voornoemd geschrift heeft
overgelegd/verzonden/doen toekomenaan [naam uitzendbureau] (gevestigd te [vestigingsplaats 2] ), en bestaande die valsheid hierin dat op voornoemd geschrift - in strijd met de waarheid - wordt vermeld dat [verdachte] het [diploma] heeft behaald aan [het college] te [vestigingsplaats 1] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Bespreking bewijsverweer
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde feit. Daartoe is – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het tenlastegelegde feit niet kan worden bewezen, omdat de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de wijze waarop hij aan het betreffende diploma is gekomen en dit – naar later bleek – valse diploma te goeder trouw heeft gebruikt.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De verdachte heeft in 2002 zijn [diploma] behaald aan [het college] te [vestigingsplaats 1] . In 2019 had hij een [diploma] nodig in verband met een sollicitatie in de zorgsector. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn originele diploma toen echter niet meer kon vinden, hetgeen zou zijn gekomen door meerdere verhuizingen in de tussenliggende periode. De verdachte heeft aangegeven vervolgens te hebben geprobeerd om via de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) een officiële kopie van zijn diploma te verkrijgen. Dit bleek echter niet mogelijk, omdat IB-Groep (Informatie Beheer Groep, tegenwoordig DUO) geen registratie heeft van mbo-diploma’s van vóór 2006.
Vaststaat dat de verdachte een vals [diploma] heeft verstrekt aan zijn toenmalige werkgever, een uitzendbureau voor zorgpersoneel.
Gebleken is dat van dit valse diploma zowel de vermelde datum van afstuderen als het daarop vermelde opleidingsniveau niet overeenkomt met de opleiding van de verdachte.
De verdachte stelt dat hem dat niet is opgevallen en dat hij zich er dus ook niet van bewust was dat het een vals exemplaar betrof. Hij voert daartoe aan dat hij ervan uitging dat hij een echte kopie had ontvangen, mede omdat hij het document als zodanig herkende en hij geen reden zag om aan de echtheid te twijfelen. Volgens de verdachte is hem bij ontvangst niets vreemds opgevallen aan het document, ook niet dat de op het diploma geplaatste handtekening niet zijn handtekening zou zijn. Hij heeft dit document, nadat hij het, naar eigen zeggen, per post had ontvangen, in een plastic mapje gedaan en vervolgens gebruikt in het kader van zijn sollicitatie bij een uitzendbureau in de zorgsector.
Door de verdediging is aldus naar voren gebracht dat de verdachte het valse diploma te goeder trouw heeft ontvangen en slechts naïef is geweest, waardoor het vereiste opzet ontbreekt. In dit verband heeft de verdediging gesteld dat de verdachte het diploma heeft verkregen via een persoon, die zich presenteerde als oud-medewerker van de IB-Groep en aanbood hem te helpen zijn diploma alsnog via DUO te verkrijgen. Hiervoor heeft de verdachte hem een geldbedrag moeten betalen. Over de hoogte daarvan heeft de verdachte weliswaar wisselend verklaard, maar het zou om een bedrag van ongeveer € 250,- gaan. De verdachte beschikte alleen over een mobiel nummer van deze persoon. Hij weet niet de naam van deze persoon en hij heeft hem ook nimmer ontmoet.
Het hof acht dit alternatieve scenario niet aannemelijk geworden. In dit scenario zou de verdachte aldus toch een diploma hebben verkregen, nadat hem eerder was gebleken dat het niet mogelijk was zijn diploma via DUO te ontvangen omdat DUO geen diploma’s van voor 2006 heeft geregistreerd. Dit diploma zou hij voorts hebben kunnen verkrijgen tegen betaling van een aanzienlijk bedrag via een onbekend gebleven persoon die zich via een mobiel nummer presenteerde als oud-medewerker van de IB-Groep, die het diploma uit de systemen van DUO kon halen. Dat een dergelijke situatie zich voordeed en dat de verdachte vervolgens het ontvangen document te goeder trouw maar zonder controle heeft overgelegd aan een uitzendbureau, terwijl op het document evidente onjuistheden stonden die een gemiddeld oplettende gebruiker niet zouden zijn ontgaan, zoals een onjuist opleidingsniveau, een onjuiste datum van afstuderen en een handtekening die naar zijn zeggen niet van hem afkomstig is, acht het hof ongeloofwaardig. Bij dit oordeel heeft het hof tevens betekenis toegekend aan het feit dat informatie uit een intakeformulier en een door de verdachte opgemaakt CV overeenkomt met de inhoud van het valse diploma.
Uit het dossier is namelijk gebleken dat de verdachte bij zijn sollicitatie een intakeformulier heeft ondertekend waarin hetzelfde onjuiste opleidingsniveau staat vermeld ( [opleidingsniveau] ) en een CV heeft overgelegd waarin staat vermeld dat hij in de periode 2000-2004 aan [het college] [een opleiding heeft gevolgd] en een diploma heeft behaald.
De verdachte heeft bij confrontatie met deze omstandigheid wisselend verklaard. Zo heeft hij ten aanzien van de data genoemd op zijn CV in zijn eerste verhoor gemotiveerd gesteld dat sprake was van een typefout. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte evenwel verklaard dat de betreffende vermelding op zijn CV ziet op de jaren waarin hij op [het college] een opleiding heeft gevolgd en dus niet op het jaar van daadwerkelijk behalen van een [diploma] .
Gelet op al het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk een [vals diploma van niveau x] heeft overgelegd aan zijn toenmalige werkgever en derhalve het tenlastegelegde feit op de hiervoor bewezenverklaarde wijze heeft begaan.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gebruiken van een [vals diploma van niveau x] door het overleggen daarvan aan een uitzendbureau in de zorgsector. Een diploma bewijst dat de gediplomeerde over de juiste kennis en vaardigheden beschikt om zijn of haar werk op een deskundige en verantwoorde manier te kunnen uitvoeren. Gebrek aan de juiste kennis en vaardigheden, met name in een sector – zoals de zorgsector – waarin vaak met kwetsbare cliënten wordt gewerkt, kan leiden tot onwenselijke situaties. De maatschappij heeft er bovendien belang bij om te kunnen vertrouwen op de juistheid van diploma’s, nu dit soort geschriften de aanwezigheid van bepaalde kennis en vaardigheden veronderstelt bij de bezitter ervan. De verdachte heeft door zijn handelen dan ook het vertrouwen dat de maatschappij moet kunnen hebben in de juistheid van dergelijke documenten geschaad en anderen, die wel de opleiding met succes hebben afgerond, benadeeld. Het hof rekent dit alles de verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, maar op een enkel feit na, niet recent onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten. Deze documentatie heeft daarom bij het bepalen van de straf geen rol van betekenis gespeeld. Verder heeft het hof acht geslagen op het tijdsverloop sinds de bewezenverklaring en de toelichting door en namens de verdachte van zijn persoonlijke omstandigheden en de positieve indruk die het hof hiervan heeft gekregen.
Het hof is – alles afwegende – van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, als voorzitter, mr. O.M. Harms en mr. R.K. Pijpers, leden, in bijzijn van de griffier mr. D. Teering.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 april 2026.
Mr. O.M. Harms is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.