ECLI:NL:GHDHA:2026:142

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
200.356.302/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 1:377a lid 2 BWArt. 1:377e BWArt. 9 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging gezamenlijk gezag en omgangsregeling minderjarige na verblijf moeder in Portugal

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de rechtbank die het gezamenlijk gezag over de minderjarige beëindigde en bepaalde dat de moeder alleen onder begeleiding contact mag hebben met het kind in Nederland. De moeder verbleef met de minderjarige zonder toestemming van de vader in Portugal, ondanks internationale en nationale rechterlijke uitspraken die terugkeer naar Nederland bevalen.

Het hof overweegt dat de situatie tussen de ouders ernstig verstoord is, met een gebrek aan vertrouwen en constructieve communicatie, mede veroorzaakt door de acties van de moeder. De vader heeft de hoofdverblijfplaats van de minderjarige in Nederland en toont inzet voor diens welzijn. De moeder heeft zich onvoldoende ingezet voor het onderzoek en contactherstel, en haar publieke acties worden als schadelijk voor het kind beoordeeld.

Het hof bevestigt dat het in het belang van het kind is dat één ouder het gezag uitoefent, en acht de vader de meest geschikte partij. De omgangsregeling wordt bekrachtigd met contact onder professionele begeleiding in Nederland. Het hof benadrukt dat het aan de moeder is om te berusten in de situatie en de consequenties van haar handelen te accepteren, inclusief de detentie wegens kinderontvoering. Het contact via videobellen dient te worden voortgezet als enige manier om het contact tussen moeder en kind te behouden.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag van de moeder en bevestigt de omgangsregeling onder professionele begeleiding in Nederland.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummer : 200.356.302/01
rekestnummer rechtbank : FA RK 24-1039
zaaknummer rechtbank : C/09/661272
beschikking van de meervoudige kamer van 28 januari 2026
inzake
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] , Portugal,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. J.E.C. Verhoeff te Den Haag,
tegen
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. C. Ekholm te Leiden.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag (hierna te noemen: de rechtbank) van 1 april 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna te noemen: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
De moeder is op 30 juni 2025 in hoger beroep gekomen van de besteden beschikking.
2.2
De vader heeft op 15 augustus 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- nadere stukken van de zijde van de moeder, ingekomen op 11 juli 2025;
- een brief van de zijde van de vader van 5 november 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de vader van 6 november 2025, ingekomen op diezelfde datum;
- een e-mail van de zijde van de moeder van 14 november 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 17 november 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
2.4
De mondelinge behandeling heeft op 18 november 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder (via een digitale verbinding), bijgestaan door haar advocaat en een kantoorgenoot van de advocaat [kantoorgenoot] , alsmede [tolk] , tolk in de Portugese taal;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] tot 12 juli 2023. Uit het (inmiddels door echtscheiding ontbonden) huwelijk is geboren:
[minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ), geboren [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] , Portugal.
3.3
De ouders oefenden tot de bestreden beschikking gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
3.4
[minderjarige] heeft de hoofverblijfplaats bij de vader.
3.5
Uit de uittreksels uit het systeem op grond van de Wet basisregistratie personen blijkt dat de vader de Nederlandse nationaliteit heeft en de moeder de Portugese nationaliteit. [minderjarige] heeft (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit.
3.6
De moeder is ten tijde van de zitting in eerste aanleg uitgeschreven in Nederland en verblijft in Portugal.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- bepaald dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over [minderjarige] ;
- geconstateerd dat de moeder in Nederland onder begeleiding van een professionele instantie contact mag hebben met [minderjarige] ;
- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De moeder is het niet eens met deze beslissing. Zij verzoekt het hof (naar het hof begrijpt), voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, haar (zelfstandige) verzoeken in het inleidend verweerschrift toe te wijzen, aldus:
ten aanzien van het gezag over [minderjarige] :
-
primair: het verzoek van de vader tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder af te wijzen en het gezamenlijk gezag in stand te laten;
-
subsidiair: de verzoeken van de vader strekkende tot beëindiging van het gezamenlijk gezag aan te houden in afwachting van de lopende hoger beroepsprocedure in de strafrechtelijke procedures en/of in afwachting van een raadsonderzoek zoals hieronder omschreven;
-
meer subsidiair: te bepalen dat de moeder het eenhoofdig gezag over [minderjarige] toegewezen krijgt, om redenen dat een wisseling in het gezag noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] om contact te kunnen onderhouden met zijn beide ouders nu de moeder dit wel zal ondersteunen en de vader dit aantoonbaar niet heeft gedaan;
ten aanzien van de zorg- en vakantieregeling:
- te bepalen dat de vaststelling van een definitieve zorgregeling zal worden aangehouden tot de uitspraak in de strafrechtelijke procedure onherroepelijk is en/of het rapport van het raadsonderzoek voorhanden is;
- te bepalen dat er een tijdelijke zorg- en vakantieregeling wordt vastgelegd die inhoudt:
dat [minderjarige] één weekend per veertien dagen bij de moeder in Portugal zal verblijven van donderdagmiddag na school tot en met zondagavond 18.00 uur. De moeder zal de heen- en terugreis op zich nemen en ervoor zorgen dat [minderjarige] tijdens de vliegreis wordt begeleid door onder andere haar familie;
herfstvakantie (1 week): [minderjarige] verblijft bij de moeder in Portugal;
kerstvakantie (2 weken): [minderjarige] verblijft de eerste week bij de moeder in Portugal en de tweede week bij de vader in Nederland;
voorjaarsvakantie (1 week): [minderjarige] verblijft bij de moeder in Portugal;
meivakantie (2 weken): [minderjarige] verblijft bij de moeder in Portugal;
zomervakantie (6 weken): [minderjarige] verblijft de eerste tot en met de vierde week bij de moeder in Portugal alsmede de vijfde en de zesde week bij de vader in Nederland, jaarlijks alternerend;
Sinterklaas: [minderjarige] verblijft bij de vader in Nederland;
Pasen: [minderjarige] verblijft bij de moeder in Portugal;
Pinksteren: [minderjarige] verblijft bij de moeder in Portugal;
kerstavond en eerste kerstdag: [minderjarige] verblijft bij de moeder in Portugal;
tweede kerstavond: alternerend conform de kerstvakantie;
oudejaarsdag en nieuwjaarsdag: alternerend conform de kerstvakantie;
dat [minderjarige] en de moeder iedere dag met elkaar videobellen van 18.00 uur tot 18.30 uur. De vader zal dit faciliteren, doch niet bij het gesprek aanwezig zijn;
- de raad (alsnog) opdracht te geven een onderzoek te doen waarbij vooral dient te worden onderzocht: ‘Hoe kan [minderjarige] op een zo verantwoordelijk mogelijke wijze profiteren van zijn primaire hechtingsfiguren, te weten zijn vader en moeder, en welke verdeling van zorgtaken hier het beste bij passen en in welk land?”.
4.3
De vader verzoekt het hof het hoger beroep van de moeder ongegrond te verklaren dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken. Partijen hebben hiertegen ook geen grief gericht.
Gezamenlijk gezag
Juridisch kader
5.2
Het eerste en derde lid van artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn, op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 1:251a, eerste lid, BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunten van partijen
5.3
De moeder stelt dat het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag over [minderjarige] ten onrechte is toegewezen door de rechtbank en ook onvoldoende is gemotiveerd. Volgens de moeder is het belang van [minderjarige] niet gediend met de beëindiging van het gezag, aangezien dit de kans op herstel van de ouder-kind relatie met haar verder zal verminderen. Zij wijst erop dat, ondanks de moeilijke omstandigheden na de scheiding, zij zich altijd actief heeft ingezet om een goede relatie met [minderjarige] te onderhouden en haar verantwoordelijkheden als ouder te nemen. Zo heeft zij zich na het kort geding in Nederland gevestigd om het contact met [minderjarige] te herstellen en werkte zij samen met de vader en professionals om het ouderschap vorm te geven. De moeder wijst erop dat de vader echter herhaaldelijk pogingen heeft gedaan om haar buiten het leven van [minderjarige] te houden door haar niet te betrekken bij belangrijke zaken, zoals het delen van medische informatie over [minderjarige] en haar de toegang tot het kinderdagverblijf te weigeren. Bovendien heeft hij haar op social media zwartgemaakt, wat niet alleen schadelijk is voor de moeder, maar vooral voor het welzijn van [minderjarige] . De moeder benadrukt dat haar verzoeken om contact met [minderjarige] en haar inspanningen om hem in te schrijven voor een internationale school of Portugese les systematisch werden genegeerd door de vader. Dit belemmert niet alleen haar recht op contact met [minderjarige] , maar ook het recht van [minderjarige] op contact met beide ouders, zoals gewaarborgd door artikel 9 en Pro artikel 18 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De moeder vreest dat het beëindigen van het gezag haar positie verder zal verzwakken en dat de vader dan de volledige controle over het leven van [minderjarige] krijgt. Door de voorgeschiedenis, de houding van de vader en het gebrek aan betrokkenheid van zijn kant, acht de moeder de beëindiging van het gezamenlijk gezag in strijd met het belang van [minderjarige] en in strijd met zijn recht op een volwaardige relatie met beide ouders. Verder stelt de moeder dat de rechtbank ten onrechte het verzoek om een nieuw raadsonderzoek heeft afgewezen en deze afwijzing onvoldoende heeft gemotiveerd. De raad heeft immers geen gedegen onderzoek gedaan naar het belang van [minderjarige] en de opvoedingssituatie van beide ouders. Juist in een complexe zaak als deze, waar het gaat om de meest vergaande maatregel, namelijk beëindiging van het ouderlijk gezag, is het van belang dat er gedegen onderzoek wordt gedaan. Tot slot wenst de moeder op te merken dat de rechtbank zich te veel heeft laten leiden door het advies van de raad op de zitting, welk advies overigens niet is opgenomen in de bestreden beschikking. De raad heeft op de zitting aangegeven dat er geen onderzoek nodig is, dat het duidelijk is dat [minderjarige] klem en verloren zit en dat voor de hand ligt dat de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag.
5.4
De vader betwist de stellingen van de moeder en is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er geen verbetering te verwachten is in de verstandhouding tussen de ouders en dat de situatie van [minderjarige] niet snel zal verbeteren. De vader ervaart de samenwerking met de moeder als uiterst problematisch en ziet geen enkele vooruitgang in de situatie. De moeder doet voorkomen alsof er positieve ontwikkelingen zijn, maar volgens de vader was het vertrouwen tussen hen te verstoord om effectief samen te werken. Diverse hulpverleningstrajecten zijn mislukt omdat de moeder haar medewerking niet verleende. De vader wijst erop dat hij de moeder heeft voorgesteld drie videobelsessies per week te hebben met [minderjarige] , ondanks het feit dat dit hem veel moeite kostte en zijn privéleven verstoorde. Helaas heeft de moeder zich ook toen herhaaldelijk niet aan de afspraken gehouden, bijvoorbeeld door uit te vallen tegen de vader of onterecht familieleden in de gesprekken te betrekken. Dit leidde ertoe dat de vader de frequentie van de videobelmomenten moest terugbrengen. Het contact met [minderjarige] komt dan ook niet tot stand omdat de moeder voortdurend de afspraken heeft geschonden en er uiteindelijk zelf voor heeft gekozen om in Portugal te blijven. In tegenstelling tot de moeder stelt de vader dat het juist de moeder was die het gezag niet naar behoren uitoefende toen ze dat nog had, door zonder toestemming van de vader belangrijke beslissingen te nemen, zoals de medische zorg voor en opvang van [minderjarige] in Portugal. Gelet op de verstoorde verstandhouding tussen de ouders, de verblijfplaats van de moeder in Portugal en het gebrek aan vooruitgang, is de vader van mening dat de beslissing van de rechtbank in stand dient te blijven. Tot slot benadrukt de vader dat de raad in eerste aanleg al heeft aangegeven een onderzoek niet nodig te achten, omdat zij zich voldoende voorgelicht voelde om het advies tot toewijzing van het verzoek van de vader te kunnen geven.
5.5
De raad heeft op de zitting benadrukt dat het uitgangspunt gezamenlijk gezag is, mits dit in het belang van het kind is en mogelijk blijkt. In de onderhavige zaak is het volgens de raad echter duidelijk dat de voorwaarden voor gezamenlijk gezag niet aanwezig zijn. Niet alleen omdat de ouders van [minderjarige] in verschillende landen wonen, want dat maakt het uitoefenen van gezamenlijk gezag volgens de raad nog niet onmogelijk, maar vooral omdat de ouders kort na de geboorte van [minderjarige] uit elkaar zijn gegaan. Dit heeft verhinderd dat er een gezamenlijke opvoedsituatie kon ontstaan, waardoor het nu ontbreekt aan de minimale basis voor constructief overleg tussen de ouders. Bovendien is het vertrouwen tussen de ouders door hetgeen er allemaal is gebeurd ernstig geschaad en het opbouwen hiervan heeft nog langer de tijd nodig. Het opbouwen zou moeten beginnen met berusting van de moeder in de huidige situatie. De raad acht een nieuw raadsonderzoek niet nodig omdat dit niet tot andere adviezen zou leiden dan reeds gegeven. Zoals de situatie nu is, zit [minderjarige] in een positie waarin hij klem en verloren lijkt te zitten, aldus de raad. Zo hebben zich moeilijkheden voorgedaan rondom zijn gezondheid, de behandelingen die hij heeft ondergaan en de keuze voor een basisschool. De raad is daarom van mening dat het niet in het belang van [minderjarige] is om het gezamenlijk gezag in stand te houden.
Oordeel van het hof
5.6
Gelet op de stukken en hetgeen op de zitting is besproken acht het hof zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over het gezag over [minderjarige] . Het hof ziet dan ook geen reden om de beslissing over het gezag aan te houden en een raadsonderzoek te gelasten. Alles overziende is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.
5.7
Het hof neemt hierbij het volgende nog in aanmerking. Voor het uitvoeren van het gezamenlijk gezag is het noodzakelijk dat de ouders, reeds gelet op het feit dat zij in verschillende landen wonen, in staat zijn om op een constructieve manier met elkaar te overleggen over beslissingen aangaande [minderjarige] . Naar het oordeel van het hof zijn partijen hiertoe niet in staat gebleken. Het ontbreekt aan onderling vertrouwen en de ouders zijn voortdurend in conflict met elkaar. De grondslag van die conflicten is gelegen in de beslissing van de moeder om [minderjarige] naar Portugal mee te nemen zonder toestemming van de vader, zoals hierna onder 5.13 is uiteengezet. Door de nasleep van deze gebeurtenissen is het tussen de ouders niet mogelijk om gezamenlijk beslissingen over [minderjarige] te nemen. De belangrijke beslissing over de schoolkeuze voor [minderjarige] in Nederland heeft bijvoorbeeld geleid tot gerechtelijke procedures in zowel Nederland als Portugal en betekende voor [minderjarige] dat hij niet naar school kon, terwijl hij daar wel de leeftijd voor had. Naar het oordeel van het hof is [minderjarige] door alle geschillen tussen de ouders reeds klem en verloren geraakt en helaas is ook niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Het hof acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat één van zijn ouders het gezag uitoefent en gezagsbeslissingen neemt. Het hof is – net zoals de rechtbank – van oordeel dat de vader de meest gerede partij is om het (eenhoofdig) gezag uit te oefenen. Vast staat immers dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij zijn vader, terwijl zijn moeder (op afstand) in Portugal verblijft. Daarbij komt dat de vader heeft laten zien dat hij zich inzet voor de verdere (emotionele) ontwikkeling van [minderjarige] . Zo heeft [jeugdhulporganisatie 1] in haar eindverslag onder meer geschreven dat wordt aanbevolen om de impact op [minderjarige] van de contactbreuken met beide ouders en de ouderlijke spanningen aanvullend in kaart te brengen, hetgeen zonder meer in zijn belang is. Duidelijk is geworden dat het [jeugdhulporganisatie 1] niet is gelukt om een afspraak met de moeder te maken, ondanks meerdere pogingen daartoe. De moeder was niet bereikbaar en heeft geen informatie aangeleverd, waardoor [jeugdhulporganisatie 1] geen compleet beeld heeft gekregen van de situatie en hierdoor geen passend advies voor behandeling en ondersteuning ten behoeve van de ouders en [minderjarige] kon geven. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat de moeder zich vanuit Portugal niet kon inzetten voor het onderzoek van [jeugdhulporganisatie 1] door bijvoorbeeld via de telefoon, via email of via een beeldverbinding input te leveren. De moeder stelt hiermee haar eigen belang boven dat van [minderjarige] . De vader heeft daarentegen wel zijn volledige medewerking verleend en recht gedaan aan het belang van [minderjarige] . Alles overwegende is het hof dus van oordeel dat de bestreden beschikking op dit punt dient te worden bekrachtigd.
Omgang
Vooraf
5.8
Nu het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder zal bekrachtigen, wordt hierna gesproken over een omgangsregeling in plaats van een zorgregeling.
Standpunten van partijen
5.9
De moeder stelt – samengevat – het volgende. De rechtbank heeft ten onrechte op basis van verslagen van de hulpverlening geconcludeerd dat [minderjarige] door de moeder zou worden belast. De rechtbank heeft haar conclusie niet concreet onderbouwd. Bovendien volgt uit het verslag van het [jeugdhulporganisatie 2] dat het contact tussen haar en [minderjarige] juist zeer positief is verlopen. De vader doet het echter voorkomen alsof de omgangsmomenten niet goed verlopen. Hierbij geeft de moeder als voorbeeld dat [minderjarige] zich tijdens een omgangsmoment niet lekker voelde en door de vader moest worden opgehaald om naar de huisarts te gaan. Daarna is duidelijk geworden dat de vader naar de politie is gegaan om een melding te doen tegen de moeder, omdat hij zich zorgen maakte over wat [minderjarige] bij zijn moeder had gegeten. Hiermee probeert vader haar in een kwaad daglicht te zetten. Verder geeft de vader aan dat de videobelmomenten niet goed verlopen en dat [minderjarige] hierdoor achteraf moet huilen. De moeder betwist niet dat [minderjarige] moet huilen, maar dit komt doordat hij haar mist. Daarnaast is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan het advies van de [gemeenteteam] van november 2024 om toe te werken naar onbegeleide omgang. De moeder begrijpt, gelet op dit advies, niet dat de rechtbank heeft geconstateerd dat de moeder alleen in Nederland onder begeleiding van een professionele instantie contact mag hebben met [minderjarige] . Dit is volgens de moeder simpelweg te kort door de bocht en brengt met zich mee dat er op dit moment helemaal geen regeling is waar de moeder en [minderjarige] op terug kunnen vallen. Ook het feit dat de moeder op dit moment niet naar Nederland kan komen in verband met de hoger beroepsprocedure in de strafzaak, maakt niet dat er geen contact tussen haar en [minderjarige] mogelijk is. De rechtbank is ten onrechte aan haar voorstellen voorbijgegaan en heeft zich laten leiden door de angst van de vader dat [minderjarige] niet door de moeder zal worden teruggebracht naar Nederland. Hierdoor wordt de moeder beperkt in haar mogelijkheden om een hechte relatie met [minderjarige] op te bouwen.
5.1
De vader voert – samengevat – het volgende aan. De omgang van de moeder met [minderjarige] is wel degelijk belastend voor hem, zoals blijkt uit de door de vader overgelegde minder positieve omgangsverslagen. Moeder is bijvoorbeeld ook aangesproken door de hulpverlening over het feit dat zij [minderjarige] valse beloftes deed tijdens een videobelmoment. Er zijn dan ook terechte zorgen over de manier waarop de moeder haar omgangsmomenten met [minderjarige] vormgeeft. [gemeenteteam] heeft in november 2024 geen onbegeleide omgang geadviseerd, maar juist benadrukt dat de videobelmomenten in het belang van [minderjarige] moeten worden begeleid door een neutrale partij. De voorstellen die de moeder tijdens de zitting in eerste aanleg heeft gedaan, zijn dan ook praktisch niet haalbaar, omdat deze geen professionele hulpverlening bevatten en bovendien niet de veiligheid van [minderjarige] kunnen waarborgen. Nog daargelaten dat de voorstellen een onredelijke investering van de vader vragen. Het is zowel voor de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] noodzakelijk dat de omgang begeleid wordt. De omgang met de moeder kan door de gebeurtenissen in het verleden niet in Portugal plaatsvinden, omdat het risico dat de moeder [minderjarige] weer van de vader zal weghouden te groot is. Bovendien heeft moeder via social media en door het plaatsen van billboards met foto’s opgeroepen om [minderjarige] bij haar terug te brengen. Dat zorgt voor een onveilige situatie voor [minderjarige] en heeft ervoor gezorgd dat het voor de vader onmogelijk is om naar Portugal te gaan. De vader vindt dat er geen enkel risico genomen mag worden als het gaat om de stabiliteit van [minderjarige] . De vader verzoekt het hof dan ook om de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen.
5.11
De raad heeft op de zitting aangevoerd dat uit het recente onderzoek en advies van de raad volgt dat het vertrouwen tussen de ouders door hetgeen er allemaal is gebeurd ernstig is geschaad en dat het opbouwen hiervan heeft nog langer de tijd nodig heeft. Het opbouwen zou moeten beginnen met berusting van de moeder in de huidige situatie. Dan kunnen er duidelijke afspraken tussen de ouders worden gemaakt, waardoor stabiliteit voor de minderjarige zou ontstaan en van waaruit het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] zou kunnen worden opgebouwd naar (uiteindelijk) onbegeleid contact. De moeder zou ook vanuit detentie contact met [minderjarige] kunnen hebben. De raad acht ook voor wat betreft de omgang een nieuw raadsonderzoek niet nodig omdat dit niet tot andere adviezen zou leiden dan reeds gegeven. De raad heeft verder ter zitting aangegeven dat het voor beide ouders van belang is om psychologische hulp te zoeken om hetgeen in het verleden is gebeurd te kunnen verwerken. Daarbij heeft de raad benadrukt dat het in het belang van [minderjarige] is dat de telefonische contactmomenten doorgang blijven vinden. De raad heeft geconcludeerd dat [minderjarige] op dit moment enorm wordt belast met de situatie tussen zijn ouders en het is van belang dat zij hem de komende periode de tijd en ruimte geven om zijn stabiliteit op een zo rustig mogelijke manier te hervinden.
Juridisch kader
5.12
Op grond van artikel 1:377a lid 2 BW in verbinding met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de omgang of een door ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste gegevens is uitgegaan.
Oordeel van het hof
5.13
Op basis van de overgelegde stukken en dat wat is besproken op de zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze – na eigen afweging – tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof neemt hierbij nog in aanmerking dat duidelijk is geworden dat de moeder met [minderjarige] , zonder toestemming van de vader, vanaf 21 december 2021 in Portugal verbleef. De vader heeft vervolgens aangifte gedaan van onttrekking aan het ouderlijk gezag en is via de Centrale Autoriteit voor Kinderaangelegenheden een teruggeleidingsprocedure gestart in Portugal. Uiteindelijk heeft de rechtbank in Lissabon op 4 mei 2022 geoordeeld dat het verblijf van [minderjarige] in Portugal onrechtmatig was en dat [minderjarige] terug moest keren naar Nederland. Dit oordeel is bij beschikking van 29 augustus 2022 door de rechtbank te Lissabon herhaald. De moeder heeft deze uitspraak van de rechtbank in Lissabon en eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag, waarin zij wordt verzocht om (onder straffe van een dwangsom) met [minderjarige] terug te keren naar Nederland, stelselmatig genegeerd. Vanwege de weigering van de zijde van de moeder heeft de rechtbank in Lissabon op 13 april 2023 de moeder het bevel tot overdracht van [minderjarige] aan de vader gegeven. Ook deze rechterlijke uitspraak heeft de moeder naast zich neergelegd. Hierna heeft de vader het programma [programma] ingeschakeld en [minderjarige] met behulp van [journalist] alsmede de Portugese en Nederlandse autoriteiten op 13 december 2023 teruggebracht naar Nederland.
De vader heeft in deze procedure aangevoerd dat de moeder haar strijd om [minderjarige] in Portugal te laten verblijven nog steeds niet wil en kan opgeven. Zo heeft zij via diverse internetplatforms videoberichten verspreid waarin zij publiekelijk oproept om [minderjarige] terug naar Portugal te laten keren. Daarnaast is zij een campagne gestart, die onder andere wordt weergegeven op reclameborden en voertuigen in Portugal. Ook heeft zij een video gemaakt over het onrecht dat haar naar eigen zeggen door de vader is en wordt aangedaan. Het hof acht deze campagne en de acties van de moeder juist in strijd met de belangen en zelfs de basale veiligheid van [minderjarige] . Hoewel het hof begrijpt dat het verschrikkelijk voor de moeder is dat ze geen fysiek contact met [minderjarige] kan hebben, lijkt het door dit soort acties inmiddels alsof de moeder de belangen van [minderjarige] geheel uit het oog is verloren. Desgevraagd bleek ook op de zitting dat de moeder niet goed heeft nagedacht over de gevaren voor [minderjarige] en de mogelijke gevolgen van het publiekelijk zoeken van deze aandacht. Deze acties van de moeder leiden ook allesbehalve tot een normalisering van de verhouding tussen partijen en tot een (gedeeltelijk) herstel van het onderlinge vertrouwen. Hierdoor raakt het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] uit het zicht, terwijl dit juist wel in het belang van [minderjarige] is, mits het op een veilige manier kan gebeuren. Bovendien hebben deze acties ook tot resultaat gehad dat de vader niet meer veilig met [minderjarige] naar Portugal kan reizen. Het hof hoopt dat de moeder inziet dat zij moet stoppen met dit soort acties.
5.14
Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling verder met de moeder besproken dat zij de mogelijkheid heeft om te berusten in de situatie waarbij [minderjarige] bij zijn vader in Nederland woont en de consequenties te aanvaarden van haar eigen handelen uit het verleden. Dat betekent ook het uitzitten van de detentie die haar in Nederland te wachten staat in verband met een veroordeling voor kinderontvoering en de rechterlijke beslissing om een deel van deze detentie meteen ten uitvoer te leggen omdat zij haar bijzondere voorwaarden heeft overtreden door geen contact te houden met de reclassering, mochten deze straffen in hoger beroep gehandhaafd blijven. Het hof begrijpt dat dit voor de moeder een lastige keuze is, maar het is wel de keuze die het meest in het belang is van [minderjarige] . Het hof benadrukt in dat kader dat het echt aan de moeder is om ervoor te zorgen dat de situatie dusdanig stabiliseert dat onder begeleiding van [jeugdhulporganisatie 1] omgang tussen haar en [minderjarige] in Nederland kan plaatsvinden. Zoals de raad op de zitting heeft besproken kan er ook omgang tijdens detentie plaatsvinden. Het hof vertrouwt erop dat de huidige belmomenten tussen de moeder en [minderjarige] in de tussentijd doorgang blijven vinden, hoe lastig dit ook is voor de vader. Dit is nog de enige manier om het contact tussen de moeder en [minderjarige] in stand te houden en dat is in zijn belang.
5.15
Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ook ten aanzien van de omgangsregeling bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J.M. Smid-Verhage, I. Reijngoud en C.S.F. de Nijs, bijgestaan door mr. J. van Gaalen als griffier, en is op 28 januari 2026 door mr. A.A.F. Donders uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.