Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:1567

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
22-001085-23
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 SrArt. 36f SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontucht met minderjarige: jeugddetentie en taakstraf opgelegd

In deze zaak stond verdachte terecht voor ontuchtige handelingen met een toen 13-jarig meisje. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het hoger beroep betrof en deed zelf recht. De verdachte werd vrijgesproken van het onderdeel dat het slachtoffer in verminderd bewustzijn verkeerde, maar veroordeeld voor het laten plegen van ontuchtige handelingen buiten echt.

Het bewijs bestond uit de verklaringen van het slachtoffer, die gedetailleerd en consistent waren, ondersteund door DNA-sporen en getuigenverklaringen, waaronder die van het broertje van de verdachte. Het hof oordeelde dat het ontbreken van de mogelijkheid tot ondervraging van het slachtoffer werd gecompenseerd door andere procedurele waarborgen en deskundigenrapporten.

De straf werd bepaald op 6 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 60 uur, deels voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd gedeeltelijk toegewezen tot € 2.000,00, vermeerderd met wettelijke rente. Het hof hield rekening met overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 dagen jeugddetentie en 60 uur taakstraf met gedeeltelijke schadevergoeding van € 2.000,00.

Uitspraak

Rolnummer: 22-001085-23
Parketnummers: 09-317770-21 en 09-176410-21
Datum uitspraak: 30 april 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 6 april 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-317770-21 en het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 22 dagen, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen jeugddetentie, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder oplegging van bijzondere voorwaarden, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is namens de verdachte beperkt ingesteld.
Het hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep alleen gericht tegen de beslissing over het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 tenlastegelegde. Het voorgaande brengt mee dat het hof – nu in eerste aanleg ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-317770-21 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer
09-176410-21 onder 1 tenlastegelegde één hoofdstraf is uitgesproken – op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering hierna alsnog een straf voor het in eerste aanleg onder parketnummer 09-317770-21 bewezenverklaarde zal bepalen.
Waar hierna wordt gesproken van ‘de zaak’ of ‘het vonnis’, wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover nog aan het inhoudelijk oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 09-176410-21:
1.
hij op of omstreeks 3 juli 2021 te Rijswijk, met [het slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] 2008), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, en/of van wie hij, verdachte, wist dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis en/of verstandelijke handicap leed dat [dat slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten: zich door [dat slachtoffer] laten aftrekken, althans zich door [dat slachtoffer] aan zijn geslachtsdeel laten betasten/aanraken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een geheel voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat de straf ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-317770-21 ten laste gelegde feit zal worden bepaald op een jeugddetentie voor de duur van 20 dagen, met aftrek van voorarrest, alsmede een geheel voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Partiële vrijspraak

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat op basis van de stukken en hetgeen op zitting is besproken, niet kan worden bewezen dat [het slachtoffer] in een staat van ‘verminderd bewustzijn’ verkeerde of dat zij leed aan een zodanige psychische stoornis en/of verstandelijke handicap dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil te bepalen of kenbaar te maken of weerstand te bieden als bedoeld in artikel 247 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal de verdachte dan ook van deze onderdelen van het aan hem tenlastegelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks3 juli 2021 te Rijswijk, met [het slachtoffer] (geboren
op[geboortedatum 2] 2008), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,
en/of van wie hij, verdachte, wist dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis en/of verstandelijke handicap leed dat [dat slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,buiten echt,
een of meerontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten: zich door [dat slachtoffer] laten aftrekken
, althans zich door [dat slachtoffer] aan zijn geslachtsdeel laten betasten/aanraken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Vormverzuim
De raadsman heeft – overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen – aangevoerd dat het niet horen van [het slachtoffer] door de politie in een studio met alle waarborgen, een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek oplevert dat niet kan worden hersteld, omdat [het slachtoffer] niet nader als getuige kan worden ondervraagd om dat vormverzuim te kunnen herstellen en dit ook niet op andere wijze is gecompenseerd.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit het dossier volgt dat het informatief gesprek zeden met [het slachtoffer] heeft plaatsgevonden in de huiskamer aan bureau Leidschendam door een verbalisant die studioverhoorder is, omdat er informatie was binnengekomen dat zij een kwetsbaar meisje is met een verstandelijke beperking. De enkele omstandigheid dat [het slachtoffer] later niet meer door de politie is verhoord in een studio, levert naar het oordeel van het hof geen vormverzuim op. Het verweer wordt verworpen.
Ondervragingsrecht
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het gebruik van de verklaringen van [het slachtoffer] voor het bewijs strijdig is met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wegens het ontbreken van de mogelijkheid om haar als getuige te horen. Dit dient volgens hem te leiden tot uitsluiting van deze verklaringen van het bewijs en vrijspraak van de verdachte van het tenlastegelegde.
Met de raadsman stelt het hof vast dat de verdediging in de onderhavige zaak niet de mogelijkheid heeft gehad om [het slachtoffer] , die jegens de verdachte belastende verklaringen heeft afgelegd, te ondervragen over de door haar gedane uitlatingen over de verdachte.
Het hof dient vervolgens te beoordelen of, ondanks het ontbreken van een (behoorlijke en effectieve) ondervragingsmogelijkheid voor de verdediging, het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 van Pro het EVRM, is gewaarborgd. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat het hof de volgende drie aspecten, in onderlinge samenhang beschouwd, bij deze beoordeling dient te betrekken:
de reden dat het ondervragingsrecht met betrekking tot de belastende getuige niet kon worden uitgeoefend;
het gewicht van de verklaring van die getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en
het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Als gezegd, dienen de hiervoor genoemde beoordelingsfactoren in onderling verband te worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring in de bewijsconstructie groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan.
( i)
De reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend
Het hof stelt vast dat de raadsman bij appelschriftuur d.d. 11 april 2023 heeft verzocht om [het slachtoffer] als getuige te horen. Het hof heeft dit verzoek op 16 mei 2024 toegewezen. De raadsheer-commissaris heeft, blijkens haar proces-verbaal van bevindingen van 12 november 2024, drs. A. Laurijssen-Timmers, GZ-psycholoog, benoemd als deskundige om een monodisciplinair psychologisch onderzoek te verrichten naar de vraag of [het slachtoffer] als getuige kan worden gehoord in een kindvriendelijke studio. De deskundige heeft in haar rapportage van 31 oktober 2024 geconcludeerd dat het welzijn van [het slachtoffer] ernstig wordt geschaad, indien zij in de onderhavige strafzaak op welke wijze dan ook wordt gehoord. Het is volgens haar niet te voorspellen wanneer het afleggen van een getuigenverklaring wel mogelijk zal zijn. De raadsheer-commissaris heeft, gelet op het uitvoerig gemotiveerde deskundigenrapport, geoordeeld dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid en het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring als getuige in de onderhavige strafzaak in gevaar worden gebracht en dat het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang van de verdachte om haar te kunnen ondervragen.
Het hof heeft in het tussenarrest van 10 juli 2025 de raadsheer-commissaris gevolgd in haar oordeel en het herhaalde verzoek om [het slachtoffer] als getuige te horen afgewezen. Ter terechtzitting van 16 april 2026 heeft het hof op het wederom herhaalde verzoek om [het slachtoffer] als getuige te horen, beslist dat zij geen reden ziet om op haar beslissing van 10 juli 2025 terug te komen.
(ii)
Het gewicht van de verklaring van de getuige
De verklaringen van [het slachtoffer] worden op essentiële punten ondersteund door de verklaringen van de verdachte, de verklaring van het broertje van de verdachte en de DNA-sporen. De verklaring van [het slachtoffer] is aldus niet het enige bewijs, maar een eventuele bewezenverklaring zal wel in beslissende mate berusten op haar verklaring.
Het hof dient derhalve te beoordelen of er voldoende compenserende factoren aanwezig zijn, zodat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd.
(iii)
Het bestaan van compenserende factoren
Uit het dossier volgt dat op 3 juli 2021 een informatief gesprek zeden heeft plaats gevonden tussen [het slachtoffer] en gecertificeerde zedenrechercheurs en dat dit gesprek audiovisueel is vastgelegd. De raadsman is na de door het hof ter terechtzitting van 10 juli 2025 genomen beslissing in de gelegenheid gesteld om de audiovisuele opname te bekijken. De raadsman heeft de audiovisuele opname bekeken en ter terechtzitting in hoger beroep is de mogelijkheid geboden om (delen van) de audiovisuele opname ter zitting te tonen. De raadsman heeft aangegeven hier geen gebruik van te willen maken.
Voorts is naar aanleiding van de beslissing van het hof ter terechtzitting van 10 juli 2025 rechtspsycholoog drs. Van der Sleen benoemd, met als onderzoeksopdracht het verzoek om een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van de door [het slachtoffer] afgelegde verklaringen. De deskundige heeft op 18 maart 2026 hieromtrent een rapportage opgesteld.
Naar het oordeel van het hof is het ontbreken van de gelegenheid voor de verdediging om [het slachtoffer] zelf te ondervragen hierdoor, bezien in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van haar verklaringen, in voldoende mate gecompenseerd.
(iv)
Conclusie
Het gebruik van de verklaringen van [het slachtoffer] voor het bewijs is gelet op het voorgaande naar het oordeel van het hof niet in strijd met het recht van de verdachte op een eerlijk proces, omdat de procedure als geheel voldoet aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld op grond van artikel 6 van Pro het EVRM.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu verdachte stelt dat de seksuele handelingen door [het slachtoffer] op haar eigen initiatief zijn verricht en dat verdachte die handelingen verder heeft belemmerd.
Verklaringen [het slachtoffer]
Na melding van een mogelijke fietsendiefstal zijn [het slachtoffer] en de verdachte op 3 juli 2021 omstreeks 15:54 uur in een park in Rijswijk aangetroffen, terwijl ze vlak achter elkaar liepen. [het slachtoffer] verklaarde ter plaatse tegen [verbalisant] onder meer dat ze vier jongens, waaronder de jongen waar ze mee liep, was tegen gekomen in het park. Ze kende hen niet. Ze vroegen haar om haar social media accounts. Hierna vroegen ze haar om te zoenen. Dat wilde ze niet. Toen vroeg één van de jongens of hij haar een knuffel mocht geven. Dat vond ze wel oké. Omdat ze door bleven gaan over dat ze wilden zoenen, heeft ze toen met de jongens gezoend terwijl ze dat niet wilde. Ze hebben haar betast over haar borsten, haar kont en haar vagina. Ze zei dat ze ongesteld was en ze moest daarna de jongens pijpen. Dat wilde ze niet, maar ze moest omdat de jongens anders alles op internet zouden zetten. De derde jongen heeft ze op een andere plek moeten aftrekken. De vierde jongen heeft haar niet aangeraakt.
Tijdens het informatief gesprek zeden later die dag op het politiebureau heeft [het slachtoffer] verklaard dat zij in een parkje liep toen twee jongens vroegen of zij wilde knuffelen en een kus wilde. Ze vond knuffelen wel prima, maar een kus wilde ze eigenlijk niet maar liet ze toch toe. Vervolgens begonnen de jongens haar aan te raken bij haar borsten, billen, dijen en vagina. Zij heeft verklaard dat zij die twee jongens moest pijpen. Die jongens hielden haar vast en duwden haar hoofd naar beneden. Zij heeft verklaard dat zij ook een stijve lul tegen haar achterkant aan kreeg. Deze handelingen werden gefilmd en door de jongens werd gedreigd om de beelden te delen op YouTube en social media als zij dit niet zou doen. Vervolgens kwamen er twee andere jongens. [het slachtoffer] heeft verklaard dat zij aan de piemel van één van deze jongens moest trekken. Eigenlijk moest ze zuigen, maar dat wilde ze niet. Hij had een harde lul en maakte kleine geluidjes, maar kwam niet klaar. Zij heeft verklaard dat ze naar een ander struikje waren gegaan en dat de andere twee jongens daar een eindje vandaan naar stonden te kijken. Hij zei: ‘Kom, we gaan een rondje lopen en het uitpraten’. Daarna kwam de politie.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaringen van [het slachtoffer] betrouwbaar zijn.
[het slachtoffer] heeft haar verhaal kort na het incident ter plaatse en vervolgens circa anderhalf uur later in een informatief gesprek zeden met de politie gedeeld. Naar het oordeel van het hof heeft zij gedetailleerd en consistent verklaard over de wijze waarop de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Uit het rapport van rechtspsycholoog drs. J. van der Sleen, opgemaakt d.d. 18 maart 2026, kan het hof niet afleiden dat er een gegronde reden is om te twijfelen aan haar verklaringen. Volgens de deskundige heeft [het slachtoffer] gesproken met een opgeleid studioverhoorder en is ze goed in staat te vertellen wat er volgens haar is gebeurd. Hoewel het gesprek op het politiebureau een informatief gesprek is, wordt er behoorlijk doorgevraagd. Volgens de deskundige zijn er geen problemen met de consistentie van de verklaringen van [het slachtoffer] , zijn de verklaringen niet problematisch onvolledig en verklaart [het slachtoffer] zeer uitgebreid en behoorlijk gedetailleerd. Wat betreft de seksuele handelingen voldoen de verklaringen van [het slachtoffer] aan meerdere criteria die wijzen op een waar verhaal.
Het hof volgt de bevindingen en conclusies van voornoemde deskundige en maakt die tot de hare. Het hof acht, mede gelet op de conclusies in het betrouwbaarheidsonderzoek, de voormelde door [het slachtoffer] afgelegde verklaringen betrouwbaar. Daarbij acht het hof van belang dat de verklaringen van [het slachtoffer] gedetailleerd en consistent zijn. Dat zij in het park tegen een verbalisant heeft verklaard dat zij drie jongens moest pijpen en dat zij in het informatief gesprek zeden op het politiebureau heeft verteld dat dat bij twee jongens het geval is geweest, ziet het hof - anders dan de raadsman - niet als discrepantie, omdat [het slachtoffer] heeft verklaard dat zij de derde jongen ook moest pijpen, maar dat niet wilde. Zij heeft vervolgens aan zijn piemel getrokken. Het hof volgt de raadsman voorts niet in zijn stelling dat de omstandigheid dat [het slachtoffer] in het park is weggerend van de politie en onder meer heeft geroepen dat ze geen straf wilde, een sterke aanwijzing is voor een motief om vrijwillig verrichte handelingen te presenteren als onder dwang of druk verrichte handelingen.
Bovendien vinden haar verklaringen op diverse onderdelen steun in de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, zoals hierna wordt besproken. Het hof ziet dan ook geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [het slachtoffer] te twijfelen.
Steunbewijs
Ten eerste stelt het hof vast dat er DNA-materiaal van [het slachtoffer] is aangetroffen op de eikel van de verdachte. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat [het slachtoffer] daadwerkelijk de ontblote penis van de verdachte heeft aangeraakt.
De verdachte heeft bij het politieverhoor op 4 juli 2021 eerst ontkend dat [het slachtoffer] zijn penis heeft aangeraakt. Hij heeft verklaard dat hij met zijn broertje aan het fietsen was en bij het Zwanenpark in Rijswijk kwam. Daar zag hij twee jongens die met een meisje bij de bosjes aan het praten waren. Hij vroeg wat er aan de hand was en of hij een stukje met haar mee moest lopen. Hij zag dat ze het moeilijk had en dat ze in de war was. De verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft gedaan, dat hij haar niet seksueel heeft aangeraakt en zijn broertje ook niet. Volgens hem kan zijn DNA enkel op haar hand worden aangetroffen, omdat hij haar bij de hand heeft gepakt en heeft meegenomen weg bij de groep vandaan.
Vervolgens heeft de verdachte later in hetzelfde verhoor verklaard dat hij twee jongens zag die hij kende van gezicht en dat er ook een meisje was die hen aan het pijpen was. De jongens zeiden tegen hem: ‘kom ook, kom ook’. De verdachte zei toen: ‘loop mee’. Verdachte heeft vervolgens verklaard dat het meisje met haar hand in zijn broek wilde gaan, dat hij haar tegen heeft gehouden en heeft gezegd dat dat niet hoefde. Hij weet niet of ze zijn piemel op de huid had aangeraakt, maar zij had hem wel aangeraakt.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij twee jongens in het park zag die aan hem vroegen of hij gepijpt wilde worden. De jongens waren in de bosjes bezig. Verdachte heeft verklaard dat hij de handelingen heeft gezien, maar niet in het geheel. Verdachte heeft verklaard dat het meisje probeerde om met haar hand in zijn broek te gaan, maar dat hij haar hand weghaalde. Hij denkt dat het moment dat zij met haar hand in zijn broek ging wel minder dan een paar seconden duurde. Hij heeft verklaard dat hij niet met het meisje naar een andere plek is gelopen.
Ter terechtzitting in hoger beroep op 26 juni 2025 heeft de verdachte verklaard dat hij jongens in het park zag die bezig waren met een meisje en dat ze vroegen of hij gepijpt wilde worden en dat hij nee zei. Het meisje is met haar hand in zijn broek en onderbroek gegaan en heeft zijn penis aangeraakt. Hij heeft haar hand weggehaald. Het klopt niet dat hij met haar naar een andere plek is gelopen en dat het daar is gebeurd. Ter terechtzitting op 16 april 2026 heeft de verdachte verklaard dat hij heeft gezien dat de jongens en het meisje in de bosjes zaten, maar dat hij verder niks zag. Hij wist pas dat het meisje de jongens had gepijpt, toen de politie hem dat later vertelde. De verdachte heeft verklaard dat er niet aan hem is gevraagd of hij ook gepijpt wilde worden.
Het hof acht de verklaring van de verdachte dat de seksuele handelingen bij hem zijn verricht op initiatief van het slachtoffer, niet geloofwaardig. De verklaringen van de verdachte zijn niet consistent. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij zag dat het meisje het moeilijk had en dat ze in de war was. Het scenario dat het slachtoffer enkel zijn penis kort heeft aangeraakt en dit uit haarzelf heeft ondernomen zonder dat de verdachte dit wilde, acht het hof in die context en gelet op het voorgaande niet geloofwaardig. Bovendien acht het hof het onaannemelijk dat de verdachte niet kon voorkomen dat het slachtoffer zijn blote penis betastte, indien hij dit niet wilde.
Daarbij betrekt het hof eveneens de verklaring van [het broertje van de verdachte] , zoals hij die bij de politie op 7 juli 2021 heeft afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij met zijn broer in het park was en zag dat een meisje de bosjes uit liep, samen met twee jongens. Hij heeft verklaard dat het leek alsof zij haar lastig aan het vallen waren. De jongens raakten haar aan en het meisje zag er ongemakkelijk uit. Hij heeft verklaard dat hij zag dat de jongens haar aanraakten bij haar billen en haar borsten en dat één jongen met kleding aan met zijn lul tegen de billen van het meisje aan schuurde.
Concluderend overweegt het hof dat de, door het hof betrouwbaar geachte, verklaringen van het slachtoffer voldoende bevestiging vinden in de verklaring van de verdachte, de aangetroffen DNA-sporen en de verklaring van het broertje van de verdachte. Het hof is van oordeel dat er dus voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het oordeel dat de verdachte zich door [het slachtoffer] heeft laten aftrekken.
Ontuchtige handelingen?
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de seksuele handelingen niet te kwalificeren zijn als ontuchtig.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het ontuchtig karakter van de seksuele handelingen, het aftrekken van de penis van de verdachte door [het slachtoffer] , blijkt uit de omstandigheid dat [het slachtoffer] de seksuele handelingen tegen haar wil heeft moeten ondergaan. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, acht het hof het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafbepaling ex artikel 423 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering

Nu in eerste aanleg ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-317770-21 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 tenlastegelegde één hoofdstraf is uitgesproken, zal het hof op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering een hoofdstraf voor het in eerste aanleg in de zaak met parketnummer 09-317770-21 bewezenverklaarde bepalen.
Gelet op de aard en ernst van het door de rechtbank bewezen- en strafbaar verklaarde feit in de zaak met parketnummer 09-317770-21, zal hof ten aanzien van dat feit de op te leggen straf bepalen op een jeugddetentie voor de duur van 16 dagen, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een toen 13-jarig meisje. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Het is zeer kwalijk dat de verdachte, terwijl hij in de gaten had dat het niet goed ging met het meisje, het slachtoffer
desondanks bij hem ontuchtige handelingen heeft laten plegen. Hij heeft daarbij zijn seksuele drang tot uiting gebracht en totaal niet stilgestaan bij de gevolgen die zijn handelen voor het slachtoffer zouden kunnen hebben. Dat het om een kwetsbaar meisje gaat, zoals blijkt uit het dossier, en de verdachte dacht dat zij beperkt was, maakt het handelen van de verdachte des te kwalijker.
Justitiële documentatie
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit. Omdat op 3 juli 2024 een strafbeschikking aan de verdachte is opgelegd, is artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft tevens acht geslagen op de zich in het dossier bevindende rapportages betreffende de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft S. Bosman, deskundige namens Jeugdbescherming west, naar voren gebracht dat er positieve ontwikkelingen zijn. Verdachte is met zijn coach bezig om een plek bij beschermd wonen te regelen en is aangemeld voor schuldhulpverlening. Hij werkt al bijna vijf jaar, voor een groot deel van die periode vrijwillig, goed mee aan het reclasseringstoezicht en alle gestelde voorwaarden. Er is een groei zichtbaar in zijn psychische toestand. Verdachte gaat nog niet naar school en heeft geen werk, omdat dat op dit moment nog een te grote belasting voor hem is. Er wordt wel gekeken naar een dagbestedingstraject. Hij ontvangt een daklozenuitkering en er wordt binnenkort een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Er wordt geadviseerd om geen straf op te leggen, dan wel een kleine onvoorwaardelijke werkstraf. Het uitvoeren van een werkstraf wordt mogelijk geacht, omdat dit kan worden afgestemd op zijn draagkracht. De jeugdreclasseerder adviseert om geen voorwaardelijk strafdeel en geen reclasseringstoezicht op te leggen, nu hij bijna vijf jaar heeft meegewerkt aan toezicht.
Redelijke termijn
Het hof constateert voorts dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen 16 maanden, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 3 juli 2021 en het eindvonnis op 6 april 2023 is gewezen. De redelijke termijn is derhalve met 5 maanden overschreden. Het hof heeft voorts geconstateerd dat de redelijke termijn ook in hoger beroep is overschreden met ruim 20 maanden. Namens de verdachte is immers op 11 april 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 30 april 2026 arrest.
Het hof zal rekening houden met de termijnoverschrijding door aan het hierna te noemen voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van één in plaats van twee jaar te verbinden.
Op te leggen straf
Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof niet volstaan worden met een schuldigverklaring zonder straf of enkel een korte onvoorwaardelijke werkstraf. Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, alsmede een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormen.
Het hof ziet geen aanleiding om bijzondere voorwaarden te verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel, nu de verdachte al lange tijd reclasseringstoezicht heeft gehad, waarbij hij zich goed aan de voorwaarden hield. Zoals hiervoor overwogen, ziet het hof aanleiding om aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van één jaar te verbinden.

Vordering tot schadevergoeding [de benadeelde partij]

In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot hoofdelijke vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering voor het overige.
Namens de verdachte is aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair is aangevoerd dat er geen hoofdelijke aansprakelijkheid is voor de handelingen van de andere twee jongens. Voorts is de vordering van de benadeelde partij namens de verdachte betwist. Dat er sprake is van een psychische beschadiging bij de benadeelde partij is niet vastgesteld. De schade is volgens de raadsman gecreëerd door de criminalisering van hetgeen is gebeurd.
Het hof overweegt dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat [de benadeelde partij] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 bewezenverklaarde feit. De aard en de ernst van de normschending van dat feit is zodanig dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor haar zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon naar het oordeel van het hof kan worden aangenomen. Het gaat hier immers om een 13-jarig, kwetsbaar meisje, dat op klaarlichte dag in een park tegen haar wil seksuele handelingen heeft moeten verrichten bij de verdachte. Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding.
Gelet op de bewezenverklaarde handelingen en hetgeen namens de benadeelde partij ter toelichting op de vordering is ingediend, zal het hof de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2021 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof heeft bij de vaststelling van dit bedrag aansluiting gezocht bij de zogenoemde Rotterdamse Schaal, categorie 15.3b (aanranding).
Omdat in de onderhavige strafzaak door de verdachte gepleegde handelingen zijn tenlastegelegd en bewezen verklaard, zal het bedrag niet hoofdelijk worden toegewezen.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van [het slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.000,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [het slachtoffer] .
Het hof zal de vervangende gijzeling bepalen op nul (0) dagen. Het hof houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om in deze zaak van die afspraken af te wijken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van
6 (zes) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot
40 (veertig)uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
1 (een) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak 09-317770-21 bewezenverklaarde op:
een jeugddetentie voor de duur van
16 (zestien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot
60 (zestig)uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
30 (dertig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van [de benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [de benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [het slachtoffer] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 09-176410-21 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op
0 (nul) dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op
3 juli 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, als voorzitter, en mr. N.S.M. Lubbe en mr. J.B. Wijnholt, leden, in bijzijn van de griffier mr. I.M. van Hoevelaken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 april 2026.