In deze civiele zaak stond het hoger beroep centraal over de betaling en terugvordering van een transitievergoeding tussen verzoekster en Stichting Hoger Onderwijs Nederland (InHolland).
Het hof oordeelde dat InHolland niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, waardoor verzoekster geen recht heeft op een billijke vergoeding, immateriële schadevergoeding of advocaatkosten. InHolland zag af van de terugvordering van de transitievergoeding die zij eerder had betaald.
Een geschilpunt betrof de verrekening van een negatief verlofsaldo van 214,74 uur, waarvan 90 uur ten onrechte waren uitbetaald. Het hof stelde vast dat deze verrekening terecht was en dat verzoekster geen aanspraak heeft op wettelijke rente over dit bedrag.
Het hof vernietigde de eerdere veroordeling van InHolland tot betaling van de transitievergoeding, wees het verzoek van verzoekster af en veroordeelde haar in de proceskosten van het principaal hoger beroep. De proceskosten in het incidenteel hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.